Een wal in het Zoniënwoud geeft aan waar sinds 1614 de landvoogden Albrecht en Isabelle een paardenfokkerij in het Zoniënwoud lieten aanleggen. In 1669 werd de fokkerij, genaamd 'haras', opgeheven. De wal getuigt nog van de ligging.
Tijdens het Twaalfjarig Bestand lieten de aartshertogen Albrecht en Isabella een paardenfokkerij of ‘haras’ aanleggen in het Zoniënwoud, bij de priorij Groenendaal. Het was de bedoeling hier een ‘nyeuwe rasse van peerden’ te fokken. De paarden en veulens zouden ‘in Sonien ter weyden gaen’. De bouwwerkzaamheden begonnen in 1614. In maart 1614 trok een lid van de Rekenkamer naar Groenendaal ‘om te sien de plaetse daer men de stallinghe mocht stellen’. Op 30 mei 1614 gaf de Raad van Financiën toestemming voor de aankoop van de nodige bouwmaterialen en het inhuren van de arbeiders. De werkzaamheden stonden onder de leiding van Philips de Bontridder, de meier van Hoeilaart. Ze werden gesuperviseerd door Cornelis de Backer, controleur der werken van het hof. De bakstenen voor de gebouwen van de ‘haras’ werden ter plaatse gebakken. Het hiervoor benodigde hout werd gekapt in het Zoniënwoud. In de zomer van 1614 werden reeds hooi en haver aangekocht. De paarden werden voorlopig ondergebracht in het pachthof van de aartshertogen in Hoeilaart.
De paardenfokkerij bestond uit stallingen, een smidse, een woonhuis voor de directeur en diverse opslagplaatsen voor haver en hooi. Speciaal voor de paarden werd een bos in een dal (‘delle’) boven de Bunders omgevormd tot weide. Op de kaart van Van den Stock (1661) wordt deze weide ‘De bunders van de Harras’ genoemd. Bij de ‘haras’ lagen ook akkers waar tarwe en haver verbouwd werden. Het personeel van de ‘haras’ bestond uit een directeur, een conciërge, een ‘bewaerder’ van de merries, een ‘bewaerder’ van de veulens, een hoefsmid en drie ‘hulpers’. Het vast personeel werd bijgestaan door een groot aantal dagloners, die onder meer het hooigras voor de paarden maaiden. Het domein van de ‘haras’ had een oppervlakte van 22,5 ha en was volledig omgeven met een wal, die nog goed herkenbaar is op het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen. Deze wal, die versterkt was met een palissade, moest verhinderen dat wild uit het woud de ‘haras’ binnendrong.
De paarden van Groenendaal stonden zeer hoog aangeschreven. De aartshertogen gaven ze cadeau aan de koning van Spanje en verschillende andere vorsten, zoals de geschiedschrijvers Sanderus en Butkens vermelden. De merries en de veulens van de ‘haras’ mochten vrij grazen in een zone van ruim 150 bunders in de omgeving van de ‘haras’. Dit had uiteraard nadelige gevolgen voor de natuurlijke verjonging van het bos in deze zone. In 1632 luidde de Rekenkamer de noodklok: de merries en veulens richtten zoveel schade aan dat een groot deel van het Zoniënwoud op termijn dreigde te veranderen in een ‘desert de buyssons’.
In 1660 vaardigde de Raad van Financiën een nieuw reglement voor de ‘haras’ uit. Het aantal merries werd gereduceerd van 24 tot 18, omdat er onvoldoende hooi en haver beschikbaar was om 24 merries te onderhouden. De overtollige paarden moesten worden verkocht. Tevens werd bepaald dat de boerderij van de ‘haras’ slechts zes koeien, één stier en zes varkens mocht houden. Het personeel van de paardenfokkerij mocht geen groen hout in Zoniën kappen maar moest genoegen nemen met dood hout. In 1669 werden de paarden van de ‘haras’ naar het domein van Mariemont in Henegouwen overgebracht. Op 11 maart 1669 gaf de Raad van Financiën toestemming aan de Rekenkamer om de akkers en weiden van de ‘haras’ te verpachten. In 1678 gaf de Raad van Financiën opdracht aan de Rekenkamer om ook de gebouwen te verhuren, omdat de paardenfokkerij haar nut verloren had. Uiteindelijk besliste de Raad van Financiën de gebouwen af te breken en de materialen te verkopen. Het domein werd met bomen beplant en opnieuw in het bos geïntegreerd.
De paardenfokkerij van Groenendael is dus ten minste 55 jaar actief geweest (van 1614 tot 1669) en in die periode hebben de paarden een grote invloed gehad op het bos in de omgeving. Op de kaart van Van den Stock (1661) is te zien dat De Bunders (houw nr. 26) ten westen van de priorij Groenendael duidelijk minder dicht bebost waren dan de andere houwen van het Zoniënwoud. Allicht zien we hier de gevolgen van de overbeweiding door de paarden van de ‘haras’ sinds 1614. Omstreeks 1661 had de omgeving van de ‘haras’ veel weg van een heidelandschap met hier en daar enkele oude bomen, een regelrechte wastine dus.
Team Landschap draagt deze tekst op aan Thomas Van Driessche, onze gewaardeerde collega die op 21 januari 2025 ons team voor goed verliet en nu overal en nergens is.
Auteurs: Van Driessche, Thomas
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)