is aangeduid als beschermd cultuurhistorisch landschap Zoniënwoud en Kapucijnenbos
Deze bescherming is geldig sinds
is deel van de aanduiding als unesco werelderfgoed kernzone Zoniënwoud
Deze aanduiding is geldig sinds
is deel van de aanduiding als unesco werelderfgoed bufferzone Zoniënwoud: strikte buffer
Deze aanduiding is geldig sinds
is deel van de aanduiding als unesco werelderfgoed bufferzone Zoniënwoud: verbindende buffer
Deze aanduiding is geldig sinds
Op de IJse die in het Zoniënwoud ontspringt, ligt een reeks van opeenvolgende vijvers, ontstaan in de 14de eeuw en heringericht op het einde van de 19de eeuw door landschapsarchitecten Keilg en Lainé.
Op de IJse die in het Zoniënwoud ontspringt, ligt een reeks van vijf vijvers. Tot in de 18de eeuw waren deze vijvers eigendom van de priorij van Groenendaal. Al van bij de stichting in 1343 behoorde een grote vijver tot de bezittingen van dit klooster. Deze vijver is de oudste. Zijn ligging stemt waarschijnlijk overeen met de vijver naast de Brusselse ring (R0). In 1688 werd hij de vetvijver genoemd, nu beter bekend als de Keizer Karel vijver.
Enkele decennia later breidde het vijverbezit nog verder uit, dankzij de schenking van nog twee vijvers door de hertogen van Brabant aan de priorij (1378 en 1387). Zoals zo vaak hing het overleven van een nieuw klooster af van de mate waarmee de kloosterlingen hun bezittingen konden uitbreiden. Omdat de hertogen van Brabant van bij het begin deze kloosterstichting gunstig gezind waren, bleven ze hun steun volhouden. En dus ondersteunden ze Groenendaal met nog bijkomende schenkingen.
De huidige configuratie van het vijvercomplex stemt sterk overeen met wat er op de kaart van 1661 is te zien. Heel herkenbaar is de ‘Ganzenpootvijver’ op de samenvloeiing van drie bronbeekjes. Door de beekjes af te dammen, bufferde men het water en ontstonden er vijvers, die in 1661 een eigen naam meekregen, Paddenpoel, Steenpoel en Groenendaalvijver.
Groenendaal gebruikte deze vijvers voor de viskweek. Jonge visjes kweekten ze zelf op, voederden ze bij (ook ‘vetten’ genoemd, vandaar de naam vetvijver) en oogstten ze als ze klaar waren voor consumptie. Traditioneel behoorde de visteelt tot de economische activiteiten van zowat elk klooster, dat voor zijn voeding vaak op vis was aangewezen als vleesconsumptie uit religieuze overwegingen niet mocht.
Na de opheffing van het klooster in 1783 verwaterde het onderhoud aan de vijvers, waardoor ze in de loop van de 19de eeuw verlandden. Tegen 1859 (Popp) lagen enkel de Keizer-Karelvijver nog open, samen met enkele stroomafwaarts gelegen vijvers. Het vroegere complex aan vijvers was tussen verschillende eigenaars opgesplitst geraakt. De meeste waren eigendom van de Belgische staat. Diegene ten oosten van de Sint-Jansberglaan waren verdeeld over de Man d’Attenrode en de Blondel de Beauregard.
Koning Leopold II (1865-1909) die grootse plannen koesterde voor de ruimtelijke ontwikkeling van zijn hoofdstad Brussel, liet zijn oog vallen op de vijvers in de rand van het Zoniënwoud bij Hoeilaart. Daar lag ook de prestigieuze hippodroom of renbaan, die veel schoon volk trok en die ook druk door de koning zelf werd gefrequenteerd, getuige daarvan de nog bestaande koninklijke loge, ingehuldigd in 1889. Voor een betere ontsluiting van de renbaan én van het Zoniënwoud, de ideale omgeving voor een frisse boswandeling door de Brusselse burgerij, kwam er een treinstation. Een parklandschap zou de hele omgeving verder opwaarderen. Leopold II promootte het nieuwe idee van openbare parken als groene ruimtes in de sterk groeiende stad. De historische vijvers bij Groenendaal boden wel wat opportuniteiten. Voor de realisatie van het park- en vijverlandschap spande hij de openbare diensten voor zijn kar.
Eerst liet Leopold II de vijvers het dichtst bij de voormalige priorij van Groenendaal herinrichten. Die waren immers eigendom van de Belgische staat. In 1890 tekende Keilig, de vaste landschapsarchitect van Leopold II, een plan voor de vijvers uit. Maar wellicht was het zijn opvolger Elie Lainé, die de plannen bijstuurde of opsmukte.
Voor de aanleg van de vijvers ten oosten van de Sint-Jansberglaan moesten eerst de terreinen nog worden aangekocht en dat vergde wat tijd. De Belgische staat verwierf de gronden in 1903, terwijl de werken aan de vijvers al in 1902 startten! Ondanks het enorme grondverzet dat het uitgraven van de verlande vijvers vergde, leverde de aannemer de werken al in januari 1903 op. Bij het publiek zouden de nieuwe vijvers voortaan als de Koningsvijvers bekend staan. De ingreep zorgde ervoor dat niet alleen de vijvers, maar ook de omgeving errond opnieuw aan het Zoniënwoud werd toegevoegd.
Het huidige vijvercomplex ligt er nu nog altijd herkenbaar bij, ondanks de aanleg van de Brusselse ring (R0) en van de spoorweg Brussel-luxemburg in 1854. Het meest aantrekkelijk is de Ganzenpootvijver in het Zoniënwoud, omgeven door een gevarieerd reliëf en een tapijtje van wilde boshyacinten dat in het voorjaar paars kleurt. De andere vijvers dragen de sporen van latere ingrepen, zichtbaar in onder andere de verharde oeverwanden en overlopen.
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)