is deel van de aanduiding als beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Hoeve Hof te Lansrode en Sint-Annahoeve met omgeving
Deze bescherming is geldig sinds
In Sint-Genesius-Rode ligt een keten van zes vijvers in de vallei van de Molenbeek, die vroeger in de rand van het Zoniënwoud ontsprong, toen dit bos nog een veel grotere oppervlakte had en dit deel nog niet gerooid was. De vijvers zijn het werk van mensen.
Het ontstaan van de vijvers hangt samen met de vestiging van een uithof door de in 1201 gestichte abdij van Ter Kameren. De abdij zelf lag in Elsene op gronden die de hertog van Brabant aan de stichtende non, Gisela, afstond. Ter Kameren was de eerste in een reeks van zeven abdijstichtingen in de rand van het historische Zoniënwoud, waar de hertogen van Brabant als begunstiger en mecenas optraden. Niet alleen schonken ze de gronden voor de vestiging van de abdij, maar ook voor de uitbouw van het eerste landbouwbedrijf of uithof buiten de veilige grenzen van het klooster. Dat werd het hof te Lansrode. De terreinen had de abdij nog maar in 1210 gekregen, opnieuw dankzij een gift van 60 ha land, bos en broek voorheen eigendom van de hertogen van Brabant, die er 15 jaar later nog 12 ha bos aan toevoegden.
In 1210 was er nog geen sprake van een hof of van vijvers. Beide zijn wellicht door lekenbroeders van de abdij aangelegd of door ruil verkregen. De oudste vermelding van een vijver (Schaepvondele) dateert van 1297. Van de smalle vallei van de Molenbeek maakten de kloosterlingen handig gebruik om visvijvers aan te leggen door het beekje af te dammen, een courante praktijk bij vele kloosters, zoals ook de nabijgelegen priorij van Zevenborren en Groenendaal in de 14de eeuw zouden doen. De vijvers volgen van oost naar west het natuurlijke verval van de Molenbeek, die in de Zenne uitmondt. Door het verval kon men de ene vijver gemakkelijk in de andere laten overlopen.
De huidige configuratie van vijvers is al op historische kaarten van 1661 en 1717 te zien. Van oost naar west volgen ze elkaar op: de Bosvijver, Veldvijver, Contreyevijver, Kleine vijver, Schaepsvondelevijver en de Gevaartsvijver. Het kaartboek van de abdij uit 1716-1720 toont de vijvers in een bosrijke omgeving die hier en daar door akkers was open gemaakt. Later in de 18de eeuw kreeg het bos een stervormig drevenpatroon.
Voor de visteelt waren deze vijvers belangrijk. Termen in archiefstukken zoals ‘vorsel’ (kuit), grouw (pas uitgekomen vis), ‘antenois’ (eenjarige vis), en het uitwisselen van jonge vissen tussen Terkameren en de vijvers bij hof te Lansrode bevestigen dat de vijvers wel degelijk voor de viskweek dienden. Karper kwam het vaakst voor, maar ook paling, brasem, verschillende soorten ‘witvis’ en (hand)snoek werden in deze vijvers gevangen.
Vis stond wel vaker op het menu van de cisterciënzerinnen zeker op momenten waarop ze geen vlees mochten eten. En wat niet in refter van het klooster terecht kwam, werd wellicht op de markt te gelde gemaakt. Het klooster had immers ook inkomsten nodig.
Precies omdat de vijvers economisch nut hadden, bleven ze ook na de nationalisatie en de verkoop van de abdijgoederen in 1796 bestaan, al wisselden ze wel van eigenaar. De vijvers kwamen samen met het hof te Lansrode in handen van de eigenaars van papierfabriek de Meurs, die stroomafwaarts op de Molenbeek een papiermolen bezat. Eind 19de en in de eerste helft van de 20ste eeuw zal het domein vaker van eigenaar wisselen. Door de oprukkende verstedelijking van Sint-Genesius-Rode ging veel grond verloren. Als landbouwbedrijf zal het hof te Lansrode na de eerste wereldoorlog de activiteiten stopzetten.
De vijvers zijn nu privé bezit en door afsluitingen aan de blik van toevallige voorbijgangers onttrokken. Enkel de Gevaartsvijver is openbaar toegankelijk. Betrokken in het landinrichtingsproject van de VLM wordt de (verlande) vijver in 2025 deels gebruikt voor het beekherstel van de Molenbeek en deels als waterberging bij hevige regen.
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)