Een dreefbeplanting van gewone es (Fraxinus excelsior) op de landdijk tussen Asper en Zingem vormt een markant landschapselement binnen de Scheldevallei. De Dijkstraat werd in 1785 aangelegd als winterdijk ter bescherming van Zingem tegen periodieke overstromingen. Deze dijk heeft als functie het voorkomen van inundaties van de binnendijkse gebieden (dus aan landzijde) bij hoge waterstanden.
In een latere fase, op het einde van de negentiende eeuw (circa 1882), werd de Schelde rechtgetrokken en verder bedijkt. Vanaf omstreeks 1902 werd het waterpeil in het voormalige buitendijkse gebied (tussen de landdijk en de Schelde) gereguleerd via de aanleg van de zogenaamde Coupure of Moerbeek, gegraven in de bedding van de Leebeek.
Op de kruin van de winterdijk werden bomenrijen van gewone es aangeplant. Deze beplanting draagt bij aan de stabilisatie van het talud en biedt tevens beschutting aan passanten en recreanten op de dijk. Op de topografische kaart van 1873 is op deze locatie reeds een dreefstructuur weergegeven; de huidige bomen betreffen evenwel latere heraanplantingen.