erfgoedobject

Kustlijn Blankenberge-Zeebrugge met De Fonteintjes en Oudemaarspolder

landschappelijk geheel
ID
310277
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/310277

Beschrijving

Dit gebied, 363 ha groot, bevindt zich in de Kustpolders ten oosten van Blankenberge en ten westen van Zeebrugge. Het omvat het typische landschap van de kustduinen met overgang naar de polders van het Oostelijke Middelland, gekenmerkt door een hoge duinenrij met een uitzonderlijke reeks van kleine zoetwatermeertjes enerzijds en vlakke, open tot halfopen agrarische landschappen begrensd door dijken, zoals de Evendijk en de relicten van de Graaf Jansdijk, anderzijds.

In het gebied komt een kleine concentratie zilte poldergraslanden met microreliëf voor met daarnaast ook talrijke grachtjes en sloten met rietkragen, waarvan enkele gerelateerd zijn aan vervaagde getijdegeulen zoals deze van de Olevliet. De graslandkernen worden afgewisseld met verspreid gelegen akkerlanden. Diverse, vaak kunstmatige ontwateringsgrachten zoals de Graaf Jansader en de Sint-Jansader staan in voor de complexe afwatering van het gebied, beheerd door polderbesturen.

In het gebied komen geen polderdorpen voor en ook de landelijke bebouwing is zeer schaars. Er komt wel een typische kustarchitectuur voor met een bebouwde wandelpier en twee opvallende appartementsgebouwen omgeven door recentere hoogbouw.

Fysische geografie

De laatste ijstijd eindige zo’n 11.000 jaar geleden. De laatste fase van deze ijstijd, het Weichseliaan, werd gekenmerkt door een extreem koud klimaat. Doordat de ijskappen een enorme hoeveelheid water ophielden, werd deze periode gekenmerkt door een grote droogte. De zeespiegel was dermate gedaald dat delen van het Kanaal en de Noordzee herschapen waren in een grote zandvlakte. Het einde van de ijstijd betekende een geleidelijke opwarming van onze streken en luidde een nieuw geologisch tijdperk in dat tot vandaag de dag duurt, het Holoceen. Algemeen deed er zich een zeespiegelstijging voor die belangrijke veranderingen (geleidelijke vernatting) teweeg bracht in de kustgebieden. Onder invloed van die zeespiegelstijging evolueerde de natte en laaggelegen (zandige) kustvlakte tot een dicht moerasbos, dat geleidelijk aan veranderde in een veenmoeras. Dit resulteerde na verloop van tijd in een vaak metersdik veenpakket in de bodem, een opeenstapeling van niet-afgebroken plantenmateriaal. De mariene invloed reikte aanvankelijk nog niet tot de huidige kustpolders, omdat de kustlijn zich nog te ver van de huidige bevond. De zeespiegel bleef echter voortdurend en geleidelijk aan stijgen, waardoor de druk op het binnenland toenam. In de loop van het laatste millennium vóór Christus drong de zee via getijdengeulen binnen in het veenmoeras. Dit veroorzaakte een domino-effect aan gevolgen. Zo kwam de veengroei abrupt ten einde door het plotse binnendringen van zout water en hadden de getijdengeulen een drainerend effect, wat een inklinking van het veenmoeras veroorzaakte. Hierdoor kon de zee nog meer binnendringen in het verlaagde binnenland, met meer en breder vertakte getijdegeulen. Na enkele eeuwen was de kustvlakte veranderd in een instabiel slikken- en schorrenlandschap, waarvan grote delen periodiek onder water kwamen te staan.

Cultuurhistorisch landschap

Het slikken- en schorrenlandschap was minder ontoegankelijk dan lange tijd werd aangenomen. In navolging van archeologische waarnemingen in onze buurlanden werden de afgelopen jaren ook in Vlaanderen op verschillende plaatsen sporen aangesneden die dateren uit de ijzertijd en de Romeinse tijd. Hieruit blijkt dat de mens deze kustvlakte bewoonde en economisch exploiteerde (ontginning van veen, zout, graasweide en verbinding met zee) en dat ze toen reeds dijken bouwden om hun woonsten te verdedigen tegen overstroming. In dit gebied zijn voorlopig nog geen Romeinse of oudere sporen aangetroffen.

In de Laat-Romeinse tijd, 4de-5de eeuw na Christus, leek de mariene invloed dermate te zijn toegenomen dat de kustvlakte zo goed als ontoegankelijk werd voor structurele bewoning. Sommige onderzoekers menen dat er een verband is tussen deze toename van de getijdenwerking en een intensieve Romeinse veenexploitatie, die de verlaging van het landschap in de hand werkte, maar hierover is nog weinig data voorhanden. Door de getijdenwerking werd niet alleen periodiek zout water aangevoerd, maar eveneens grote hoeveelheden kleiige en zandige sedimenten. Hierdoor werden de veenlagen en oude bewoningssites bedekt met een afzettingspakket van enkele meters dik. Dit impliceerde echter ook dat het schorrengebied geleidelijk aan voldoende hoog opslibde en toegankelijk werd.

Zo blijkt uit archeologische opgravingen dat grote delen van de kustvlakte reeds vanaf de 8ste eeuw bewoond waren en dat tal van grote getijdengeulen op dat moment reeds zo goed als volledig dichtgeslibd waren. De middeleeuwse ontginning van de kustvlakte ging dan ook aanvankelijk niet gepaard met actieve inpoldering, maar wel met het in gebruik nemen van natuurlijk opgeslibd gebied. Wel werden her en der kleine en veelal defensieve dijkjes opgeworpen, die de nederzettingen moesten vrijwaren van watersnood. Bewoningssites werden op lichte verhevenheden opgeworpen. In het gebied zijn enkele archeologische sites gekend zoals ‘Larkshil’, een afgevlakte terp langs de Sint-Jansader. Deze verhoogde sites, die eventueel later werden bewoond, wijzen op het gebruik van het oorspronkelijke schorrengebied voor schapenbeweiding, voorafgaand aan de vroegste inpolderingen.

Om het overstromingsgevaar te beperken werden vanaf de 11de-12de eeuw heel wat dijken opgeworpen. Daarbij worden twee types onderscheiden: defensieve dijken die het land moesten beschermen tegen overstromingen en vermijden dat er nog zout/zilt water binnenstroomde, en offensieve dijken waarbij een gebied dat aanvankelijk nog onder getijdenwerking stond, systematisch werd ingepolderd. Een oudste defensieve Zeedijk is door kusterosie verloren gegaan en moet zich verder noordwaarts dan de huidige laagwaterlijn hebben bevonden. Om de zuidelijk gelegen gronden tussen Uitkerke en Lissewege te kunnen inpolderen werd vanaf de 11de eeuw de Evendijk (huidige straatnamen Zeebruggelaan/Evendijk-West) opgeworpen, samen met een fijnmazig netwerk van meerdere andere dijken. Deze Evendijk, die zich als defensieve dijk uitstrekte tussen het vissersdorp Scharphout (huidige agglomeratie Blankenberge), Heist-Koudekerke, vormde de grens van de watering van de Eiesluis en de Blankenbergse Watering of Vincx Ambacht (voorlopers van de huidige polderbesturen). De Evendijk, waarvan de etymologische verklaring nog steeds niet geheel duidelijk is, sloot er aan op de West- en Oostdijk rond Scharphout en de Pannedijk voorbij Heist.

In het buitendijkse gebied, ten noorden van de Evendijk, moeten, mogelijk parallel aan de kustlijn, getijdengeulen hebben gelegen. Uitzonderlijk komen langs deze krekenstructuur ook restanten van wielen voor, als relicten van vroegere dijkdoorbraken, zoals het restant van een wiel bij de Evendijk, tegenover de Hoeve Hollevliete in Uitkerke. Een groot deel van het buitendijkse gebied is door de zee ingenomen, ten koste van een aanzienlijk areaal aan slikken en schorren. In een ander deel werd de langgerekte Oudemaarspolder ontwikkeld. Het gebied van de Oudemaarspolder wordt gekenmerkt door een onregelmatige percelering, die getuigt van een niet-systematische ontginning van het gebied.

De Oudemaarspolder, als toponiem voor het eerst opgetekend in 1288, is de eerste polder die buiten de Evendijk werd ingewonnen door het opwerpen van zogenaamde inlagedijken of weerdijken, aanvullend beschermde zeedijken aan de binnenduinrand. Deze in oorsprong vermoedelijk 13de-eeuwse inlagedijken, die hier dus het risico van een zeedoorbraak door de duinen beperkten, werden later, vanaf de late 14de en begin 15de eeuw, ingepalmd door de zogenaamde Graaf Jansdijk. Deze algemene en in zekere zin mythische dijknaam - die pas vanaf de 16de en 17de eeuw voorkomt vanaf Duinkerke tot Terneuzen - wordt vaak foutief gedateerd onder het bewind van graaf Jan I van Namen (1267-1330). Ook de toewijzing van de opdracht tot dijkaanleg door hertog Jan (II) zonder Vrees (1371-1419) blijkt niet geheel correct. Het initiatief lag in de 14de en vroege 15de eeuw eerder bij het bestuur van het Brugse Vrije en de lokale watering van de Eiesluis. De graven of hertogen verleenden destijds wel hun morele steun aan de preventieve beveiliging van de poldergebieden, zeker na de Sint-Elisabethvloeden van 1404, 1421 en 1424. De Evendijk en de Graaf Jansdijk zijn duidelijk af te lezen op de kaart van Pieter Pourbus, vervaardigd tussen 1561 en 1571. Deze kaart toont in het gebied geen enkele oude hoeve.

Kusterosie gevolgd door zandverstuiving gaf vanaf het midden van de 14de eeuw aanleiding tot de spontane vorming van een hogere duinengordel, terwijl het zeefront meer dan 100 meter werd teruggedrongen ten koste van het polderareaal. De zandverstuiving bedreigde in zekere zin de dijkinfrastructuur, maar de duinvorming bood tegelijk garanties voor een betere zeewering. Hiervoor moest het duinzand voldoende worden vastgelegd, wat eerst gebeurde met stro- en rijshoutbundels en later ook met helmbeplantingen.

Vanaf de 14de eeuw werd bij Blankenberge, aan het toenmalige vissersdorp ‘Scharphout’, en bij Heist al het bestaan van vuurtorens of zogenaamde ‘vierboeten’ als havensignalisatie aangehaald. Het ondertussen verdwenen baken van Blankenberge moet gesitueerd worden nabij de huidige wandelpier, waar zich even verder - nabij de gemeentelijke oostgrens - ook een galg bevond.

In de loop van de 16de en 17de eeuw was de duinengordel buiten de zeedijk sterk aangegroeid waardoor de zeewerende functie van de restanten van de Graaf Jansdijk onbeduidend werd. In de binnenduinrand en tussen de laatste sporen van de inlagedijkjes, ontwikkelde zich een snoer van duinmeertjes of zogenaamde ‘fonteintjes’, gevoed door zoet kwelwater. Ondanks een blijvende dreiging vanuit zee kon de agglomeratie van Blankenberge zich in oostelijke richting uitbreiden. Toch bleef dit stuk van de Vlaamse Noordzeekust bij uitstek een zwak punt in de zeewering. Stormvloeden in 1625, 1634 en 1639 en later nog in 1660 en 1673 noopten tot terugkerende maatregelen waarbij op het strand zogenaamde rijshoofden met houten palen en bestortingen van Doornikse kalksteen werden gebouwd. Deze uitstekende waterkeringen moesten de voorduinen tegen golfslag beschermen. Bij herhaling moesten dreigende duindoorbraken vermeden worden. Niettemin ontstonden zogenaamde zeegaten of ‘braecken’, die nadien hersteld moesten worden, onder meer door duinen te fixeren en dijken te bekleden met strooien matten. In het gebied bevond zich minstens één zogenaamd ‘staakhuis’, een opslagplaats voor materialen om zeewerende constructies te bouwen of snel te kunnen herstellen.

De Tachtigjarige oorlog (1568-1648) en de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) hebben een minder grote impact gehad in het gebied dan de onmiddellijk aansluitende gebieden ten westen en ten oosten. In 1657 werd de Eiesluis verlaten omdat de watering toelating kreeg om het overtollige water van de Oudemaarspolder voortaan, samen met andere polders, via de nieuwe Isabellavaart af te voeren richting Knokke en de Zwinmonding. In het gebied werden nieuwe watergangen gedolven of bestaande verbreed, waaronder de Graaf Jansader (confer Noordvaart of Kruisvaart), de Olevliet en de Sint-Jansader. Onder de Evendijk werden lokaal sifons aangelegd.

Ook in de 18de eeuw bleef de bezorgdheid rond een afdoende zeewering bestaan en werden plannen uitgewerkt om tussen Blankenberge en Heist bijkomende rijshoofden te bouwen. Het bestuur van het Brugse Vrije nam in 1715 het voorlopige en in 1739 het volledige onderhoud van de zeeweringen over van de wateringen. Dit was geen gemakkelijke opgave omdat kustbewoners regelmatig hout van deze constructies ontvreemden voor eigen gebruik als brandhout. Ook rond het particulier strandvissen, de garnalenvangst en het trekken van mosselen traden regelmatig overtredingen op, die moesten gehandhaafd worden. Stormvloeden, onder meer in 1767 en 1776, brachten opnieuw beschadigingen aan de zeewering in het gebied, die steeds moest worden hersteld, in combinatie met rijshoutbundels en helmbeplantingen evenals met doornstruweel. De preventieve functie van Graaf Jansdijk bleef wel belangrijk, waardoor deze structuur, samen met de inlagedijkjes en bijhorende duinmeertjes onderhouden werden.

Onder het Franse bewind werden omstreeks 1804-1807 de meeste strandhoofden tussen Blankenberge en Heist heropgebouwd en verlengd, terwijl ook enkele stenen trappen werden gebouwd om het strand beter te bereiken. Nadien, onder het Hollandse bewind, en alweer na stormvloeden in 1825 en 1828, werd ingezien dat er een nog meer doorgedreven zeewering noodzakelijk was. Grondige aanpassingen met enkele stenen zeedijken en strandhoofden werden wel pas doorgevoerd onder het Belgische bewind, nadat tussen 1843 en 1847, meer oostelijk, het Leopoldkanaal als nieuwe afwateringsstructuur werd gerealiseerd.

In de late 19de eeuw en begin 20ste eeuw kende het gebied tussen Blankenberge en Zeebrugge belangrijke ontwikkelingen door het opkomend kusttoerisme en nieuwe economische expansies. Vanuit Brugge werd omstreeks 1868, via Blankenberge, een treinspoorverbinding gerealiseerd tot Heist. Daarbij ontstonden een tweetal nieuwe, kunstmatige open waterpartijen in functie van het verstevigen van de noodzakelijke spoorwegdijken. Tussen 1895 en 1905 werd ook het havencomplex Brugge-Zeebrugge uitgebouwd. De treinspoorlijn tussen Blankenberge en Heist werd omstreeks 1907, na het realiseren van een rechtstreekse treinverbinding tussen Brugge en Zeebrugge, ingeschakeld in een al gedeeltelijk ontwikkelde stoomtramlijn tussen Oostende, Blankenberge en Heist, in 1912 doorgetrokken tot Knokke. Deze spoorinfrastructuur werd tussen 1900 en 1933, onder impuls van koning Leopold II, uitgebreid als zogenaamde ‘parkway’ met de aanleg van de Kustlaan of Koninklijke Baan. Deze weg is geïnspireerd op Amerikaanse voorbeelden, voornamelijk ontwikkeld door landschapsarchitect Frederick Law Olmsted, en had de bedoeling om, startend vanuit Knokke, alle badplaatsen via een rijweg met elkaar te verbinden.

Aansluitend bij de opkomst van het kusttoerisme en geïnspireerd op Engelse voorbeelden in Brighton (1823 en 1866), Southend (1829 en 1889), Eastbourne (1866) en Hastings (1872), werd in 1894, vanuit een private vennootschap, de wandelpier van Blankenberge opgericht, als eerste op het Europese vasteland. Het was een gietijzeren constructie met een paviljoen met feestzaal, een muziekkiosk en een (niet gerealiseerd) zwembad. Na vernielingen tijdens de Eerste Wereldoorlog werd wandelpier in 1931 als betonnen constructie heropgebouwd door de stad Blankenberge. Op het eindpunt verscheen een nieuw paviljoen met pretpark, later ook uitgebaat als restaurant of brasserie. De wederopgebouwde wandelpier verhoudt zich tot de luxueuze art deco-dubbelresidentie van het zogenaamde Palais du Comte Jean, gebouwd in 1929 naar ontwerp van architect Armand de Saulnier, waarvan de naamgeving verwijst naar de achtergelegen Graaf Jansdijk.

Omstreeks de eeuwwisseling werd gezocht naar een verdere stedenbouwkundige ontwikkeling voor de Strandwijk in Zeebrugge, in samenhang tot de uitbouw van de Brugse zeehavenuitrustingen. Een uitgetekend plan als uitvloeisel van een ontwerpwedstrijd gewonnen door het Frans-Belgische ingenieursduo Louis Coiseau en Jean Cousin, voorzag onder meer in een residentiële ontwikkeling met een station, twee kerken, een drietal scholen, een hospitaal, een postgebouw, een kursaal, een theater en een publiek park en strandboulevard richting Blankenberge. Daarvoor zou een deel van het gebied van De Fonteintjes, alsook van de Oudemaarspolder worden ingenomen. Maar het plan kende geen succes. Tussen 1908 en 1914 werd door de Maatschappij van de Brugse Zeehaven enkel het eclectische Palace Hotel, nadien Residence Palace genoemd, opgetrokken, naar ontwerp van architect Jozef Viérin. Het luxueuze hotel was bedoeld voor het rijke cliënteel van de transcontinentale zeevaart- en spoorweglijnen die Zeebrugge als aanlegplaats hadden gekozen. Dichtbij was ook een postgebouw gerealiseerd en een pas in 1932 gebouwde kapel, in 1952 vervangen door de huidige Stella Mariskerk.

De Eerste Wereldoorlog heeft een minder grote impact gehad in het gebied dan het onmiddellijk aansluitende gebied ten oosten, dat dichter bij de landsgrens aansloot. Belangrijker was de Tweede Wereldoorlog waarbij vanaf 1941 in het gebied, zowel in de binnenduinrand als in het achterliggende poldergebied talrijke bunkersites en geschutsplatformen werden gebouwd als onderdeel van Duitse kustverdedigingswerken. Enkele van deze betonnen constructies bleven bewaard, waaronder een betonnen constructie voor elektriciteitsdistributie, onderdeel van het Duitse Stützpunkt Blankenberghe-Ost, een zogenaamde Tobruk of éénpersoonsbunkertje als ringstand in de binnenduinrand en een betonnen constructie voor telecommunicatie-infrastructuur ter hoogte van De Fonteintjes, onderdeel van het Duitse Stützpunkt Zeebrugge-West. Samen met een resterende bunker en geschutskoepel bij Weerstandsnest WN Pier van Blankenberge en een betonnen weg in De Fonteintjes, vermoedelijk ook uit de Tweede Wereldoorlog, maken deze elementen deel uit van de Duitse kustverdedigingswerken van de Atlantikwall. Ook in de Oudemaarspolder, langs de Evendijk, ligt nog een Duitse commandopost en manschappenbunker bij Weerstandsnest Hindenburg uit de Tweede Wereldoorlog.

Het naoorlogse kusttoerisme zorgde voor een verdere toename van hoogbouw ter hoogte van Blankenberge en de Strandwijk van Zeebrugge, waarbij het duingebied daartussen, ondanks enkele opvullingen en nivelleringen, grotendeels gevrijwaard bleef. Omstreeks 1960 werd wel nog een grote omstreden horecazaak ingeplant waardoor enkele belangrijke kustbiotopen verloren gingen. Deze uitbating, gekend als de Nordic, zou pas in 2004 opnieuw verdwijnen. Het gebied van De Fonteintjes wordt sinds 1978 beheerd als natuurreservaat.

In het huidige landschapsbeeld zijn het strand, de duinengordel met een reeks van duinmeertjes, de dijken (veelal in combinatie met wegen) en de waterlopen (vaak kunstmatige ontwateringsgrachten) de voornaamste structuurbepalende elementen. De kustduinen en de duinmeertjes in het bijzonder dragen een bijzondere variatie aan biotopen, deels struweel en bos en deels open water met overgangen naar rietland met bijzondere verlandingsvegetaties hebben een zeer grote floristische en faunistische waarde. Lokaal komen verdedigingswerken uit de Tweede Wereldoorlog voor. Een deel van de Oudemaarspolder vertoont nog een typisch landgebruik gerelateerd aan de fysische structuur van overdekte kreekruggronden, overdekte poelgronden, overdekte oude kleiplaatgronden en dekkleigronden, afgewisseld met lokale uitgeveende gronden. Tussen de percelen zijn talrijke grachtjes gegraven waarin rietkragen staan. De historisch permanente graslanden, soms met veedrinkpoelen en natte slenken, hebben een grote floristische en faunistische waarde.

Huidig landschapsbeeld

Het gebied wordt globaal gekenmerkt door een open tot halfopen kustduinlandschap enerzijds en een open polderlandschap anderzijds. Op de overgang tussen beide landschapstypes bevindt zich de Kustlaan of Koninklijke Baan als structuur van een vroegere ‘parkway’, bedoeld om de badplaatsen langs de Belgische kust met elkaar te verbinden.

Strand en Duinen

De kustlijn omvat een overwegend vlak strand tussen de wandelpier van Blankenberge en de haveninfrastructuur van Zeebrugge, overgaand in een hoge duinenrij met een uitzonderlijke reeks van een viertal kleine zoetwatermeertjes, gekend als het Rietfonteintje, het Struweelfonteintje, het Orchisfonteintje en het Eendenfonteintje en een tweetal andere kunstmatige open waterpartijen, waarvan één als hengelvijver is ingericht. De kustduinen bestaan verder vooral uit helmgrasvegetaties en kruipwilgstruwelen afgewisseld met duingraslanden.

De strand- en duinvegetaties zijn bijzonder met aandachtssoorten als blauwe zeedistel, zeewolfsmelk en zeepostelein. De moeras- en watervegetaties in de kleine, al dan niet verlande duinmeertjes zijn uniek met onder meer rietorchis, moeraswespenorchis, lidsteng, slanke waterweegbree, kikkerbeet, waterpunge en waterkruiskruid. De duingraslandvegetaties zijn bijzonder met soorten als bijenorchis, hondskruid, geelhartje, addertong, veldhondstong, kleine ratelaar en zeewolfsmelk. In de duinstruwelen komen naast kruipwilg en duindoorn ook exoten voor met rimpelroos, olijfwilg, tamarisk en Europese blazenstruik.

In het gevarieerde duinbiotoop komen bijzondere dierenpopulaties voor met onder meer blauwvleugelsprinkhaan, duinsabelsprinkhaan, heivlinder, argusvlinder en zeldzamere weekdieren waaronder slanke duinhoren, mostonnetje, nauwe korfslak en zeggekorfslak.

Langs de zuidrand van de duinmeertjes is het tracé van de Graaf Jansdijk met dwarse inlagedijkjes nog vaag herkenbaar. De resterende stenen strandhoofden zijn nog deels bewaard, maar afgedekte door recentere kunstmatige zandophoging.

Polders

Het poldergebied omvat een afwisseling van vlakke akkerlanden en graslanden waarin de Graaf Jansader en de Sint-Jansader de voornaamste structuurbepalende elementen zijn. In enkele perceelsstructuren is nog een vroegere geulstructuur af te lezen. Enkele – soms zilte – graslanden vertonen nog een uitgesproken microreliëf, hetzij natuurlijk ontstaan, hetzij door vroegere vergraving (ontvening, uitbrikking, bedijking,...) of recente natuurinrichting. Tussen de percelen zijn in functie van de waterhuishouding talrijke grachtjes gegraven waarin rietkragen staan. De historisch permanente graslanden, vaak met veedrinkpoelen, hebben een grote floristische en faunistische waarde, in het bijzonder als overwinteringsplaats voor ganzen uit het noorden en als broedplaats voor steltlopers in de zomer.

Ter hoogte van de Zeebruggelaan/Evendijk-West is het tracé van de Evendijk nog herkenbaar met nabij het kruispunt van de Doornhagestraat, tegenover de Hoeve Hollevliete, een restant van een wiel als relict van een vroegere dijkdoorbraak.

Kustarchitectuur

Met de wandelpier van Blankenberge en het aansluitende Palais du Comte Jean en met het Palace Hotel in Zeebrugge zijn drie prominente kustgebouwen in het gebied opgenomen. De bijzondere kustarchitectuur met een aparte, bebouwde wandelpier op betonnen pijlers en twee vroege hoogbouwprojecten in art deco-stijl en in eclectische stijl zijn blikvangers langs de kustlijn tussen Blankenberge en Zeebrugge.

  • Heraldische kaart van het Brugse Vrije door Pieter Pourbus, 1571, gekopieerd door Pieter Claeissens jr. 1601, facsimile-uitgave, Universitaire Pers, Leuven, 60.
  • Ferrariskaart 1771-1778: Carte de cabinet des Pays-Bas autrichiens levée à l'initiative du comte de Ferraris, 1771-1778, schaal 1:11.520, originelen in de Koninklijke Bibliotheek, Kaarten en plans, Ms. IV 5.627.
  • Gereduceerd kadaster 1845-1855: Gereduceerde kadasterplan gemeente, door het Krijgsdepot, schaal 1:20.000, originelen bij het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Popp 1842-1879: Atlas cadastral de la Belgique, publié avec l'autorisation de Monsieur le Ministre des Finances, schaal 1:1250, 1:2500, 1:5000, 1:7500, originelen in Koninklijke Bibliotheek, Kaarten en plans, 0381.
  • Atlas van de Buurtwegen 1843-1845: Atlas van de Buurtwegen, opgesteld naar aanleiding van de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, schaal 1:2.500 (overzichtsplannen schaal 1:10.000), originelen in de resp. provincies of gemeenten.
  • Vandermaelen 1846-1854: Carte topographique de la Belgique à l'échelle de 1 à 20.000 en 250 feuilles, dressée sous la direction de Ph. Vander Maelen, fondateur de l'Etablissement géographique de Bruxelles, schaal 1:20.000, originelen in de Koninklijke Bibliotheek van België, Kaarten en Plans, VDM II B.
  • Topokaart 1860-1873: Topografische kaart van België, eerste basiskaart, terreinopnames 1860-1873, uitgegeven door het Krijgsdepot tussen 1865-1880, schaal 1:20.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Topokaart 1879-1890: Topografische kaart van België, eerste basiskaart, eerste uitgave: 1ste herziening 1879-1890, schaal 1:20.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Topokaart 1890-1902: Topografische kaart van België, eerste basiskaart, eerste uitgave: 2de herziening 1890-1902, schaal 1:20.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Topokaart 1903-1912: Topografische kaart van België, eerste basiskaart, eerste uitgave: 3de herziening 1903-1912, schaal 1:20.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Topokaart 1928-1950: Topografische kaart van België, eerste basiskaart, tweede uitgave, terreinopnames 1928-1950, schaal 1:20.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Topokaart 1949-1970: Topografische kaart van België, tweede basiskaart, eerste uitgave, terreinopnames 1949-1969, schaal 1:25.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut.
  • Ministerie van Openbare Werken en Wederopbouw 1950-1970: Topografische kaarten, opname 1950 – 1970, schaal 1:5.000, originelen in Vlaamse overheid, Departement MOW, Algemene Technische Ondersteuning.
  • Topokaart 1970-1989: Topografische kaart van België, tweede basiskaart, tweede uitgave, terreinopnames 1970-1989, schaal 1:25.000, originelen in het Nationaal Geografisch Instituut.
  • DTM 2013-2015: Informatie Vlaanderen, Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen II, DTM, raster, 1 m, afgeleid van LiDAR-hoogtegegevens, 2013-2015.
  • ANTROP M., VAN EETVELDE V., JANSSENS J., MARTENS I. & VAN DAMME S. 2002: Traditionele landschappen van het Vlaamse gewest, onuitgegeven rapport, Universiteit Gent, Vakgroep Geografie, Gent.
  • CARTON C., 1841: Notice sur Blankenberghe in Annales de la Société d’Emulation, 3, 53.
  • COORNAERT M., 1966: De zeewering van de Oudemaarspolder - Deel 1, in Rond de Poldertorens, 2, 51-64.
  • COORNAERT M., 1966: De zeewering van de Oudemaarspolder - Deel 2, in Rond de Poldertorens, 3, 80-93.
  • COORNAERT M., 1966: De zeewering van de Oudemaarspolder - Deel 3, in Rond de Poldertorens, 4, 108-122.
  • COORNAERT M., 1976: Heist en de Eiesluis, de geschiedenis, de topografie en de toponimie van Heist met een studie over de Eiesluis, Delen 1 en 2, Lannoo, Tielt, 475.
  • COORNAERT M., 1987: Middeleeuwse vierboeten en vaarbakens op de Vlaamse kust, in Rond de Poldertorens, 3, 174-232.
  • ERVYNCK A. e.a., 1999: Human occupation because of a regression, or the cause of a transgression, Oudenburg.
  • FORE P, GEETS S., TYS D., VANDAMME S., VANNESTE J. en VERMEYLEN E, 2022: Landschapsbiografie Oudlandpolder, Wetenschappelijk rapport Landinrichtingsproject ‘Oudlandpolder Fase 1’, HOGent, BUUR en de Werf in opdracht van Vlaamse Landmaatschappij, 215.
  • HILLEWAERT B., HOLLEVOET Y. en RYCKAERT M. 2011: Op het raakvlak van twee landschappen, de vroegste geschiedenis van Brugge, Brugge, 176.
  • MOSTAERT, F., 1985. Vergelijkende studie van de sedimentologie en de detailstratigrafie van Eemiaan en Holocene getijdesedimenten in het Oostelijk deel van de kustvlakte, onuitgegeven doctoraatverhandeling, Rijksuniversiteit Gent.
  • MOSTAERT F. 2000: Geografische situering en ontwikkeling van de Vlaamse kuststreek, in DE MEULEMEESTER J. (red.), Met zicht op Zee, overdruk Vlaanderen, 49-3.
  • S.N. 2000: Kust en polder, landschapseducatie in de Zwinstreek, werkboek, Provincie West-Vlaanderen.
  • SEYS J., 2009: Onze kust anders bekeken, Het Bronzen Huis,
  • SOENS T., 2009: Van de Graafjansdijk tot de Grote Polderboer. Vijf mythes rond middeleeuwse polders en wateringen kritisch doorgelicht, in Rond de Poldertorens, 4, 126-139.
  • TYS D. 2001: De verwerping van het zgn. Duinkerke-transgressiemodel en nieuwe inzichten in de vroegste bedijking van de kustvlakte, in HUYS E. & VANDERMAESEN M. (red.), Polders en wateringen, Brussel, 17-53.
  • THOEN, H., 1978. De Belgische kustvlakte in de Romeinse tijd. Bijdrage tot de studie van de landelijke bewoningsgeschiedenis. Publicaties van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Brussel.
  • VAN BALBERGHE J., 2013: Sporen naar de Oostkust, Naar de sporen https://www.naardesporen.be/oostkust%20history.htm (geraadpleegd 7 januari 2026).
  • VAN GOMPEL J. 2021: De Fonteintjes: hoe een klein, maar uniek natuurgebied de storm des tijds doorstond, in De Spille, 1, 8-11.
  • VAN HECKE E., ANTROP M., SCHMITZ S., SEVENANT M., VAN EETVELDE V. 2009: Landschappen, platteland en landbouw, Atlas van België in opdracht van het Federale Wetenschapsbeleid en van de Commissie voor de Nationale Atlas, Gent. https://www.atlas-belgique.be/index.php/nl/papieren-versie/3de-atlas-van-belgie/ Kaarten kun je apart opvragen http://www.atlas-belgique.ovh/index.php/nl/digitale-atlas/landbouw/
  • VERHULST A. 1995: Landbouw in Middeleeuws Vlaanderen, Gemeentekrediet.

Auteurs: Himpe, Koen
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

  • Omvat
    De Pier

  • Omvat
    Palace Hotel

  • Omvat
    Palais du Comte Jean

  • Omvat
    Restant wiel bij Evendijk

  • Omvat
    Restanten Graaf Jansdijk met inlagedijkjes

  • Omvat
    Vier duinmeertjes, zogenaamd De Fonteintjes

  • Is deel van
    Blankenberge

  • Is deel van
    Brugge


Waarnemingen

  • Omvat
    Fonteintjes

  • Omvat
    Fonteintjes

  • Omvat
    Fonteintjes

  • Omvat
    Fonteintjes

  • Omvat
    Pier

  • Omvat
    Zeedijk 260-262


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2026: Kustlijn Blankenberge-Zeebrugge met De Fonteintjes en Oudemaarspolder [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/310277 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.