Vrijstaande architectenwoning met atelier, gebouwd in 1968 naar ontwerp van architect Ivan Claeys als eigen woning. Representatief voorbeeld van laatmodernistische architectuur in de groene rand van Brugge.
De architectenwoning met atelier van Ivan Claeys maakt deel uit van een opmerkelijke concentratie van modernistische vrijstaande woningen die vanaf het einde van de jaren 1950 in de groene rand van Brugge tot stand kwam, voornamelijk in Sint-Andries, Sint-Michiels en Sint-Kruis. Naast toonaangevende architecten uit het Brugse zoals Axel Ghyssaert, Arthur Degeyter en Ivan Claeys, realiseerden ook architecten en ontwerpers uit andere regio’s er woningen, onder wie Paul Felix, Jozef Lietaert, Peter Callebout, Jan Tanghe van Groep Planning, en Johan Baele van BARO. Binnen deze ontwikkeling nemen architecten- en kunstenaarswoningen een bijzondere plaats in, zoals de nabijgelegen kunstenaarswoning Arno Brys ontworpen door Jan Tanghe, de architectenwoning van Axel Ghyssaert, de architectenwoning van Arthur Degeyter, en de kunstenaarswoning Roger Bonduel, ontworpen door Paul Felix.
Als architectenwoning vormt de eigen woning met atelier van Ivan Claeys een heldere uitdrukking van zijn architecturale opvattingen. Claeys behoorde tot de generatie architecten die hun loopbaan startten rond de periode van Expo 58 en zich oriënteerden op het internationale modernisme. Claeys liet zich naar eigen zeggen inspireren door architecten als Ludwig Mies van der Rohe, Philip Johnson, Richard Neutra en Oscar Niemeyer. Die inspiratie vertaalde hij in een sobere, rationele architectuur, gekenmerkt door geometrische eenvoud, zichtbare constructies, eerlijk materiaalgebruik, en een nauwe samenhang tussen architectuur, interieur en omgeving.
Ivan Claeys ontwierp zijn woning met atelier eind jaren 1960. De bouwaanvraag werd goedgekeurd in april 1968. Aanvankelijk voorzag Claeys een volledig gelijkvloerse woning. Tijdens het ontwerpproces koos hij echter voor een compact volume van twee bouwlagen, om de impact op het beboste perceel te beperken. Door de woning vooraan op de kavel in te planten en slechts een beperkt deel als tuin aan te leggen, bleef een groot deel van de bestaande bosvegetatie behouden. De woning werd bovendien gedeeltelijk verzonken ten opzichte van het omliggende maaiveld, met circa 70 cm, wat haar landschappelijke inpassing versterkt. Omwille van de gedeeltelijk verzonken ligging werd rondom de woning een drainagesysteem aangelegd.
De woning combineert wonen en werken binnen één compact volume en is opgevat als een totaalconcept waarin architectuur, interieur en buitenaanleg nauw op elkaar zijn afgestemd. De vaste inrichting, met onder meer inbouwkasten, vestiairemeubilair, bibliotheekwanden en schuifpanelen, maakt integraal deel uit van de architectuur. Ook de paden-, muren- en terrasstructuur van de tuin sluit aan bij het architecturale raster van de woning.
De woning is representatief voor een overgangsperiode binnen het Vlaamse naoorlogse modernisme, waarin de universele modernistische principes van de jaren 1950 evolueren naar een meer contextgerichte en mensgerichte architectuur.
De woning heeft een vrijwel vierkante plattegrond van circa 15,20 bij 15,20 meter en is opgebouwd volgens een strikt modulair raster van 4,80 op 4,80 meter, gebaseerd op de basismaat van 1,20 meter. De vierkante plattegrond wordt onderverdeeld in negen gelijke vakken die driedimensionaal tot uitdrukking komen in een zichtbaar betonnen skelet. Het raster bepaalt zowel de constructieve opbouw als de organisatie van de ruimtes, de gevels en de aansluitende buitenaanleg. Het dragende betonskelet organiseert de planopbouw zonder de indeling volledig vast te leggen.
Centraal in de woning bevindt zich op beide niveaus een compacte, dragende kern waarin de dienende functies zijn ondergebracht. Op het gelijkvloers omvat deze kern onder meer vestiaire, sanitaire functies, technische ruimtes en circulatie. Op de verdieping bevinden zich badkamer, toilet en delen van de keukeninrichting. Rond deze kern ontwikkelen zich open en flexibel indeelbare woon- en werkruimtes.
Op het gelijkvloers bevinden zich de inkom met vestiaire, het architectenatelier en de garage. Op de verdieping ligt de eigenlijke woonfunctie met een open leefruimte, open keuken en drie slaapkamers. De leefruimte strekt zich uit langs de volledig beglaasde tuinzijde en sluit rechtstreeks aan op een overdekt terras dat uit het volume is gesneden. De oriëntatie van de ruimtes is zorgvuldig uitgewerkt. De leefruimte richt zich naar het zuiden en westen, terwijl de slaapkamers aan de koelere noordzijde zijn gesitueerd.
De inkomzone is opgevat als een uitsnijding uit het hoofdvolume en vormt een overgangsruimte tussen architectuur en landschap. De toegang tot de woning verloopt via een licht afdalend pad met betonnen tegels tussen bakstenen tuinmuren, dat uitkomt onder de uitkragende bovenbouw. Hierdoor wordt de bezoeker geleidelijk naar de verdiept gelegen inkom geleid. De verharding van de inkompartij bestaat uit betonnen tegels en grind.
De materialiteit ondersteunt de ruimtelijke opbouw van de woning en is sober en consequent. De woning bestaat uit een zichtbaar skelet in glad beton met invullingen in rood baksteenmetselwerk, afgewisseld met grote glaspartijen van vloer tot plafond, en donker houten schrijnwerk. De horizontale geleding, de vlakke dakrand zonder overstek, de prominente bakstenen schouw en de afwisseling van open en gesloten gevelvlakken sluiten aan bij het laatmodernistische architectuuridioom van de jaren 1960. Het zichtbeton van de buitengevels werd later witgeschilderd omwille van onderhoudsredenen.
De straatgevel aan de oostzijde is relatief gesloten en introvert uitgewerkt. De inkomdeuren zijn vlak en donker uitgewerkt, gevat in een donker schrijnwerkkader en voorzien van sober metalen beslag. Het deurbeslag wordt met voorbehoud toegeschreven aan Roger Bonduel. De tuinzijde daarentegen is sterk geopend. Grote glaspartijen van vloer tot plafond over vrijwel volledige gevelbreedtes bieden panoramische zichten op het omliggende groen. Op verschillende plaatsen kunnen de gevelopeningen volledig worden geopend waardoor binnen- en buitenruimte in elkaar overvloeien. Een uitsnijding in het volume vormt een overdekt terras dat rechtstreeks aansluit op de leefruimte.
De inkomhal geeft toegang tot het architectenatelier en de centrale kern met vestiaire en trappenhal. Tijdens de uitvoering werd de op de bouwaanvraag voorziene wenteltrap vervangen door een houten steektrap. In de inkomhal bleef het vestiairemeubilair bewaard, alsook een vaste vloerbekleding in natuurlijke vezel, vermoedelijk kokos, met een geometrisch patroon. Het atelier, met betonnen vloer, was oorspronkelijk compacter en werd in 1970 uitgebreid richting tuin. De twee delen worden gescheiden door houten schuifdeuren. Door de halfondergrondse ligging ontstaat een besloten werkruimte met een directe relatie tot de omliggende tuin. Vanuit de werkruimte kijkt men uit op het maaiveld en de omliggende vegetatie.
Op de verdieping bevindt zich het woongedeelte. Kenmerkend voor het interieur is de doorgedreven integratie van vaste inrichtingselementen. Inbouwkasten, bibliotheekwanden en schuifpanelen vervangen op verschillende plaatsen traditionele scheidingswanden. Een lage kastenwand in witgeschilderd hout zorgt voor een scheiding tussen woonkamer en bureauruimte. In de woonkamer bevindt zich een muuropening voor de open haard. Het lichtgekleurde vaste tapijt zou nog oorspronkelijk zijn. In het nachtgedeelte zorgen lichte scheidingswanden, kastenwanden en schuifpanelen met jute-afwerking voor een flexibele indeling van de slaapvertrekken. De inrichting kon daardoor worden aangepast aan veranderende gezinsnoden. Deze flexibiliteit sluit aan bij modernistische opvattingen over aanpasbaar wonen.
Het interieur wordt bepaald door dezelfde sobere materialiteit en leesbare structuur als het exterieur. Betonnen balken en kolommen zijn duidelijk leesbaar maar werden, in tegenstelling tot het exterieur, oorspronkelijk witgeschilderd. Witgeschilderd baksteenmetselwerk, donker houten schrijnwerk, witgeschilderde kastenwanden en lichte schuifpanelen vormen samen een beheerst materiaalpalet. Het oorspronkelijke donkere houten schrijnwerk en belangrijke delen van de vaste inrichting bleven bewaard. Naar verluidt werden het houtwerk en het vaste meubilair uitgevoerd door Habitat uit Ruiselede, een aannemer waarmee Ivan Claeys vaak samenwerkte. De keuken werd rond 2015 vernieuwd maar sluit qua materialiteit en vormgeving aan bij het oorspronkelijke concept.
De woning was anno 1968 technisch vooruitstrevend. Ze beschikte oorspronkelijk over een volledig elektrisch verwarmingssysteem, vloerverwarming, plafondverwarming en beglazing met verwarmende folie om koude-instraling tegen te gaan. Deze op comfort gerichte technieken maakten integraal deel uit van het ontwerpconcept.
De tuin vormt een integraal onderdeel van het ontwerp. Vanuit het constructieve raster van de woning vertrekken lage bakstenen tuinmuren die verschillende buitenkamers afbakenen. Hun maatvoering en hoogte zijn afgestemd op de architectuur van de woning. De architecturale compositie van muren, terrassen en paden verlengt het raster van de woning in het landschap.
De paden- en terrasstructuur behoort tot het architecturale ontwerp van Ivan Claeys. Ze bestaat uit een combinatie van betonnen stap- en terrastegels, grindstroken en donkere houten terras- of vlonderelementen. De rechthoekige tegels en houten delen zijn in een strakke geometrische ordening geplaatst en vormen samen met de lage muren een overgangszone tussen woning en tuin. De paden volgen de gevels en leiden langs de verschillende buitenruimtes, zonder de bosrijke aanleg te formaliseren tot een klassieke tuin.
Aan de tuinzijde sluit een donker houten terras aan op de woning en op de trap naar de woonverdieping. Dit terras werkt als een tussenruimte tussen de beglaasde leefruimtes, het halfverzonken gelijkvloers en de tuin. De materialen — baksteen, beton, grind en hout — ondersteunen de modernistische soberheid van het geheel.
De groenaanleg werd ontworpen door een tot op heden niet geïdentificeerde tuinarchitect. Dit betreft de beplanting en de tuinaanleg; de paden-, muren- en terrasstructuur behoren tot het architecturale ontwerp van Claeys. De relatie tussen gebouw, buitenaanleg en natuurlijke omgeving, met de tuin als schakel naar de bosrijke vegetatie, vormt een essentieel onderdeel van de ontwerpintentie.
De architectenwoning Ivan Claeys is anno 2026 een goed bewaard en coherent voorbeeld van laatmodernistische woningbouw in de Brugse rand. Als eigen woning met atelier biedt het pand een helder inzicht in de ontwerpprincipes van de architect. De woning onderscheidt zich door de consequente toepassing van een rationeel raster, de zichtbare skeletstructuur, de open planopbouw en de doorgedreven samenhang tussen architectuur, vaste interieurinrichting en tuin. Ook de sobere en consequent toegepaste materialiteit draagt in belangrijke mate bij aan de leesbaarheid van het totaalontwerp. De architecturale structuur, planopbouw, materiaalafwerking en vaste interieurcomponenten zijn grotendeels intact en goed leesbaar. De latere uitbreiding van het atelier, de vernieuwing van de keuken en het schilderen van het zichtbeton om onderhoudsredenen respecteren het oorspronkelijke ontwerpconcept.
Auteurs: Van Herck, Karina
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)