Teksten van Parochiekerk Sint-Victor met kerkhof

https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/31302

Parochiekerk Sint-Victor ()

HISTORIEK

Over de oudste geschiedenis van de kerk is niet zo veel gekend. De eerste vermeldingen van een kapel, vermoedelijk de romaanse voorganger van de huidige Sint-Victorkerk, gaan terug tot tweede helft 12de eeuw. De westgevel van de middenbeuk, de vieringtoren en het noordtransept zijn deels gebouwd in ijzerhoudende kalkzandsteen, wat restanten zijn van de romaanse voorganger.

Er zijn aanwijzingen dat de kerk in het begin van de 17de eeuw belangrijke herstellingswerken onderging, die mogelijk een integrale verbouwing van de kerk betekenen, nl. het omvormen van de Romaanse kerk tot een hallenkerk.

In een geschreven bron uit 1606 wordt de “lamentabele staat” van de kerk beschreven. Dit als gevolg van de oorlogsperikelen. Er zijn reeds herstellingswerken ondernomen aan de daken en de goten. Er waren ook herstellingen noodzakelijk aan de pilaren, de muren en het leiendak.

Er zijn twee 19de-eeuwse iconografische bronnen die er op kunnen wijzen dat het begin van de 17de eeuw het oudere kerkgebouw volledig is verbouwd tot zijn huidige vorm.

Een eerste iconografische bron is een niet precies gedateerde pentekening van de kerk uit de 19de eeuw. Op deze tekening is vooral de vorm van de vensteropeningen in de noordelijke zijbeuk en het noordelijk koor opvallend. Alle vensters hebben een strekboog. Hier wordt wellicht een 17de-eeuwse venstervorm afgebeeld. Een geschreven bron van 1867 bevestigt de juistheid van deze pentekening. Er zijn aanwijzingen dat de kerk voor 1606 tot hallenkerk is omgebouwd. De belangrijkste aanwijzing is het behoud van de dakkapconstructie, die vermoedelijk dateert uit de 16de eeuw of begin 17de eeuw (cf. dendrochronologisch onderzoek van gelijkaardige dakconstructies in de regio).

In de bestaande literatuur wordt ervan uitgegaan dat de kerk bijna volledig is afgebrand in 1802 en in 1806 gedeeltelijk werd herbouwd in dezelfde staat. De oudere bouwsporen in situ spreken dit echter tegen zoals onder meer bewaarde elementen van de Romaanse kerk en 17de-eeuwse dakconstructie.

In 1844-1846 vinden een aantal werkzaamheden plaats in het kerkinterieur. Er zijn verschillende rekeningen bewaard voor het maken van lambriseringen rond de pilaren, het schilderen ervan en het schilderen van de kerk. In dezelfde periode wordt de vloer van de kerk hersteld.

In 1850-1851 worden de twee zijkapellen, de doopkapel en de H. Grafkapel, aan weerszijden van de kerk tegen de westelijke traveeën van de zijbeuken aangebouwd. In 1852 wordt E.H. Clarysse, onderpastoor van Wingene, betaald voor gemaakte plannen voor “de voortekapel, H. Graf en verplaatsen portaal”. De aard van de werken aan het portaal is onbekend.

In 1852-1854 wordt een nieuwe sacristie opgetrokken door metser Louis Verlynde en timmerlui Pieter en Franciscus Wylleman. Vermoedelijk werden de plannen opgemaakt door E.H. Clarysse, onderpastoor van Wingene. De nieuwe sacristie wordt met Engelse leien bedekt. Vermoedelijk werd de oudere sacristie deels afgebroken en in de nieuwe sacristie geïntegreerd. De (voormalige) buitenmuur is immers uit dezelfde baksteen opgebouwd.

Uit oude kadasterkaarten die de verbouwingen van 1852-1862 weergeven enerzijds en uit de architectuurplannen van 1899 anderzijds kan duidelijk worden afgeleid welke delen van het gebouw als sacristie werden gebruikt vanaf 1854.

In 1858 beraadslaagt de kerkfabriek over een nieuw hoogkoor. Het koor is zeer bouwvallig geworden en het is veel te klein. Er werd besloten om de werken uit te voeren volgens de bouwtekening van E.H. Clarysse, onderpastoor van Wingene. Het metselwerk is van Veurnse gele baksteen, de natuursteen voor de vensters is steen van Creil, het timmerwerk van de dakconstructie in rood dennenhout, vloeren in natuursteen.

Het bouwen van het nieuwe hoogkoor werd uitgevoerd tussen 1859 en 1862 door dezelfde metser Verlinde en timmerlui Wylleman. De glas-in-lood ramen werden geplaatst door Joseph Franciscus Muroo uit Ieper. Het nieuwe hoogkoor is voorzien van Franse leien.

Het grootste deel van de stenen is afkomstig uit Diksmuide, van bij de producent Idenon De Bruyne. Creil steen is geleverd via de tussenkomst van kapelaan Clarysse.

Vanaf 1867 wordt het houten meubilair voor het hoogkoor gemaakt. Dit wordt uitgevoerd door beeldhouwers Henri Thoris uit Ieper en Jan Baptist van Biesbrouck uit Gent.

In de periode 1899 en 1902 worden werken uitgevoerd aan de kerk. De kerkfabriek keurt op 2 januari 1898 dringende werken goed m.b.t. het herstellen van de toren en van het dak van de kerk, het vernieuwen van de vensters, het verwijderen van het plakwerk en het herstellen van de muren en van de gewelven.

De plannen en het bestek waren opgemaakt door architect Jules Soete uit Roeselare. De werken werden tegen aanneming uitgevoerd door aannemer Leonard Verstraete uit Rumbeke tussen 1899-1901. De volgende werken werden uitgevoerd. Alle vensters werden omgevormd tot spitsboogvormige vensters met maaswerk. Het inkomportaal wordt gesloopt. De sacristie wordt uitgebreid. Er wordt een nieuw spitstongewelf aangebracht. Er worden ook werken uitgevoerd aan de toren en de kerkdaken.

De neogotische nevenaltaren, toegewijd aan O.L.Vrouw en Sint-Victor werden in 1902 geschonken door de barones en de baron Mazeman de Couthove. Uit hetzelfde jaar dateren de preekstoel, de kruisweg, een standbeeld van de H. Familie en twee biechtstoelen. Vermoedelijk dateren de rijkelijk uitgewerkte communiebanken in de nevenkoren ook uit deze periode.

De heraankleding van de kerk gebeurde onder impuls van architect Soete. De muren en de gewelven werden voorzien van een neogotische beschildering.

Het inkomportaal dateert eveneens uit die periode. Plannen met een ontwerp voor een eikenhouten portaal naar ontwerp van architect Jules Soete wordt in 1900 ingediend voor subsidie bij de gouverneur. De orgelkast moest worden verbouwd toen het westelijk venster werd geplaatst. Hiervoor werd pas in 1928 een dossier ingediend bij de KCML. De plannen zijn naar ontwerp van architect CH. Nolf uit Torhout. Mogelijk gaat het om een gedeeltelijke herintegratie van het bestaande orgel, dat reeds eerder in 1856 door Pieter Loncke volledig werd herzien en verbouwd.

In september 1918 wordt de kerk getroffen door een bombardement. Het noordkoor en noordtransept zijn quasi integraal vernietigd. Een bestek wordt opgemaakt door architect Jules Coomans uit Ieper. Er wordt een herstelvergoeding aangevraagd. De werken werden gestart in 1922. Uit het bestek van Jules Coomans blijkt dat het kerkmeubilair uit 1902 enkel lichte schade had opgelopen. Enkel twee staties van de kruisweg moeten worden vernieuwd.

Na een zware storm in 1940 worden herstellingswerken uitgevoerd aan de daken en de balustrade van de torenwandeling. In 1945 wordt vastgesteld dat de toestand van de balustrade van de torenwandeling grondig moet aangepakt worden. Een ontwerp van architect De Creus uit Poperinge voor de restauratie van de balustrade wordt in 1948 ingediend bij de provinciale overheid.

Het springen van de munitievoorraad door de terugtrekkende Duitse troepen in september 1944 veroorzaakte heel wat schade aan de koorvensters. Er wordt in november 1947 een lastenboek / schatting van de oorlogschade van architect Decreus ingediend. De bedoeling was om de bestaande gebrandschilderde ramen van het hoogkoor te herstellen. De KCML gaf hier een negatief advies voor. Nadien volgden nog andere ontwerpen. Na goedkeuring door de KCML werden de werken aanbesteed in 1969. Uiteindelijk werden er glas-in-betonramen geplaatst naar ontwerp van Lionel Holvoet uit Wevelgem. In 1975 worden de glas-in-betonramen uiteindelijk gerealiseerd.

In 1948 wordt aan de KCML een bestek ter goedkeuring voorgelegd voor de uitvoering van de herstelling aan de daken. Om ongekende redenen worden de werken niet uitgevoerd. In juli 1965 wordt een volledig identiek dossier opgemaakt, met als enige aanpassing de ramingsprijs. De werken werden tussen juni 1966 en januari 1967 uitgevoerd. Het bestek voorzag in de volledige herstelling van de daken, met maximaal hergebruik van leien en vorstpannen en in het plaatselijk herstel van de bebording en goottimmerwerk. Voorzien waren: metselwerken aan de steunberen van de kerk, plaatselijk herstellen van de trappen en de houten spil in de traptoren, metselwerken op de eerste tot vierde torenverdieping met onder meer vervangen van kalksteen door baksteenmetselwerk. Herstellen van het metselwerk aan de sierlijst onder de houten kroonlijsten, hervoegen van buitengevels, rioleringswerken. Herstel van timmerwerken in de torenkoepel, op de derde en de vierde torenverdieping, houten trappen, galmborden en binnendeuren van de toren. Vernieuwen van de leien van de torenspits en plaatselijk herstel van de bebording. Vervangen van alle regenwaterafvoerbuizen en ontvangers van de kerk. Schilderen van ijzeren elementen (onder andere het torenkruis en windhaan, ankers in de toren, doken galmborden). Plaatsen van een nieuw voetpad om de kerk met betonnen boordstenen. De werken weden uitgevoerd van maart 1974 tot februari 1975 door de firma Marcel Richet. Enkele bijkomende werken worden uitgevoerd zoals onder meer het halfsteens afkappen van slecht metselwerk en hermetselen, het vervangen van buiten- en binnengoten. Vermoedelijk werd het Michiels uurwerk van 1887 uit de toren verwijderd.

Tussen februari en juli 1975 worden herstellingswerken in het interieur van de kerk uitgevoerd.

Tijdens deze werken werd het volledige pleisterwerk van de muren verwijderd. Op vele plaatsen werd het metselwerk halfsteens afgekapt en hergemetseld en het metselwerk van de ronde kolommen hernomen. Het moluurwerk van de kolommen in het hoogkoor en in de doopkapel worden hernomen. Er werden ook nog bijkomende werken uitgevoerd: uitkappen van het voegwerk, zandstralen van bakstenen en reinigen met water onder hoge druk; voegwerk in schelpkalk, ruw afgeborsteld; plaatselijk herstel van de vloeren, wegbreken van het breukstenen calvariekruis; schilderen van het houten plafond; schilderen geplafonneerde oppervlaktes (gewelven hoogkoor); het reinigen en hervernissen van het inkomportaal en de inkompoort.

Naar aanleiding van de hierboven beschreven interieurwerken of kort erna werd ook het neogotisch kerkmeubilair uit de kerk verwijderd. Diverse elementen werden behouden als losse delen of in sterk verbouwde vorm. De volgende onderdelen werden hergebruikt: figuratieve delen van de preekstoelkuip in het nieuwe liturgische altaar, de koorbanken inclusief de rug, exclusief de hemels en de fronten, twee panelen van de fronten van de koorbanken in het liturgisch tabernakel, zes heiligenbeelden en vier engelenbeelden van het hoogaltaar, de twee biechtstoelen, evenwel ontdaan van hun bekroning, de figuratieve voorstellingen en de timpanen van de biechtstoelen, een van de twee communiebanken, het timpaan van de zitbank van burgemeester en schepenen boven het nieuwe inkomportaal, delen van het O.L.Vrouwaltaar in de voet van het liturgisch tabernakel.

Het orgel werd verwijderd. In 2001 wordt een nieuwe stookinstallatie op warme lucht gebouwd in het zuidelijk nevenkoor.

BESCHRIJVING

De Sint-Victorkerk is een georiënteerde bedehuis met omringend kerkhof, gelegen aan het Alexisplein. De kerk is ingeplant middenin een omhaagd kerkhof met omlopend gekasseid pad. Toegankelijk aan de westzijde via een kerkpad afgezoomd met linden.

Plattegrond. De kerk is opgevat als een driebeukige hallenkerk met een imposante vieringtoren, een schip van vier traveeën. De eerste twee traveeën zijn door de latere inplanting van de doopkapel en de H. Grafkapel, één travee geworden. Het zuidelijk zijkoor is voorzien van een rechte koorafsluiting, het hoofdkoor heeft een driezijdige koorafsluiting en het noordelijke zijkoor een tweezijdige koorafsluiting.

Materiaal. De kerk is voornamelijk opgetrokken uit metselwerk van gele baksteen. In het hoogkoor uit 1859-1862 zijn ook belangrijke delen in rode baksteen gemetseld. IJzerzandsteen van de romaanse kerk o.m. in de centrale westgevel, de onderbouw van het noordelijk koor, sporadisch in de onderbouw, in de torenvoet. De voetmuren zijn gemetseld in ijzerhoudende zandsteen met verwerking van natuursteenelementen. In het noordelijk nevenkoor werd bij de reconstructie in 1922 veel ijzerhoudende kalkzandsteen hergebruikt. Een bleke zandige kalksteen van Creil werd aangewend voor de venstermonelen en het maaswerk van het hoogkoor. Voor de vensteromlijsting van het in 1900 nieuw gemaakte venster in de westgevel van de middenbeuk werd Euvillesteen gebruikt. Voor het overige werd baksteen aangewend voor de venstermonelen, maaswerk, vensteromlijstingen e.d.m.

Alle daken zijn met leien bedekt en hebben geglazuurde nokpannen. De aandaken zijn afgedekt met boomse tegels.

Exterieur. De drie westelijke tuitgevels, met schouder en topstuk, zijn gemarkeerd door steunberen met versnijdingen. De gevels zijn opengewerkt met een spitsboogvormig drielicht in de centrale en rechtertravee en een korfboogvormig drielicht in de linkertravee, telkens met een afzaat en een geprofileerde omlijsting bijkomend een druiplijst in de linker- en de rechtertravee. Centraal tudorboogportaal in geprofileerde bakstenen omlijsting.

Imposante vierkante vieringtoren van drie geledingen onder een peperbusvormige bekroning. Horizontale geleding door middel van de waterlijsten. De hoeken zijn bovendaks voorzien van steunberen met versnijdingen, uitlopend op hoekpinakels ter hoogte van de derde geleding. Nog sporen van de vroegere muuropeningen van de vroegere romaanse toren, dichtgemetselde spitsboogvensters onder een druiplijstje op de tweede geleding. Erboven spitsboogvormige galmgaten met geprofileerde omlijsting, daarboven een fries met korfboogblindnis. De torenspits is tweeledig opgebouwd en bestaat uit een koepel waarboven een klokkentorentje met ingesnoerde naaldspits.

De noord- en de zuidgevel zijn geritmeerd door spitsboogvensters (twee- of drielichten) in geprofileerde omlijsting op afzaat. De gevels worden vertikaal geritmeerd door steunberen afwisselend met en zonder versnijdingen. De gevels zijn voorzien van een aflijnende tandlijst. Ter hoogte van de eerste travee aanwezigheid van een zij- en doopkapel, vijfzijdig uitgewerkt. Het koor is driezijdig uitgewerkt. De traveeën zijn onderling gescheiden door steunberen met versnijdingen, geajoureerd door spitsboogvensters (tweelichten) in een geprofileerde omlijsting op doorlopende afzaat. Noordelijk zijkoor met aflijnend tandlijstje.

Zuidelijke sacristie van drie traveeën en één bouwlaag onder een leien schilddak. Gebouwd in aansluitende bouwtrant met rechthoekige plattegrond. De gevels worden vertikaal geritmeerd door steunberen met versnijdingen. De gevels zijn opengewerkt met spitsboogvormige tweelichten met een geprofileerde omlijsting en afzaten.

Interieur. Alle muren van het kerkinterieur werden ontpleisterd in 1975. Toen werd ook het neogotisch kerkmeubilair verwijderd met uitzondering van enkele die geïntegreerd werden in nieuw meubilair. De vele gepolychromeerde gipsen beelden, gepolychromeerde houten sokkels werden verwijderd.

Het ontpleisterd bakstenen interieur vertoont de sporen van de verschillende bouwfasen. Rondboognissen in de noordelijke gevel van transept en zijkoor. Brede spitsbogige scheibogen op bakstenen zuilen met achtzijdige sokkel, en eenvoudig kapiteel. Smallere spitsbogige scheibogen op bakstenen pijlers wijzen op de gotische torenonderbouw. Houten tongewelven met gordelbogen en ijzeren trekbalken. Vlak overzolderd transept; bepleisterde kruisribgewelven in het hoofdkoor.

De glas-in-betonramen zijn van de hand van Lionel Holvoet uit Wevelgem.

Kerkomgeving

Vanouds is het kerkhof, een grosso modo vierkant perceel afgezoomd met hagen en met gekandelaarde of geleide linden. Het kerkhof wordt reeds weergegeven op de kaart van Ferraris (1770-1778). In de oude rekeningen wordt melding gemaakt van herstellingen aan de doornhagen, nieuwe lindes of het snoeien van de lindes. In de tweede helft van de 19de eeuw is er gekozen voor coniferen, daarna ging de voorkeur naar doornhagen.

Nu is het kerkhof volledig omzoomd met gesnoeide linden (twee gekandelaarde linden ter hoogte van de westelijke inkom) en lage hagen. De hagen bestaan uit haagbeuk aan de zuidwestzijde en de noordwestzijde van het kerkhof. Aan de zuidoostzijde is nog een meidoornhaag aanwezig. De haag aan de noordoostzijde van het kerkhof is een gemengde haag van meidoorn en haagbeuk.

Op het kerkhof zijn er drie treurbeuken aanwezig. Er staat ook een opgesnoeide taxus en enkele acaciabomen. Het kerkhof kan ingedeeld worden in verschillende zones. In de grafzone ten westen van het portaal, links en rechts van het toegangspad, bevinden zich de oudste graftekens. Zij staan in de schaduw van een treurbeuk. Langs het toegangspad bevinden zich imposante grafmonumenten onder andere van de familie d’Udekem d’Acoz. Tegen de oostgevel van de kerk bevindt zich een grafmonument van de familie Mazeman de Couthove.

Een duidelijke concentratie en onderlinge samenhang van blauwhardstenen graftekens is te merken op het westelijk deel, de meest prestigieuze locatie, van het kerkhof. Veel van deze graftekens in blauwe hardsteen zijn vervaardigd door de familie Caesteker uit Poperinge.

De percelen met eeuwigdurende concessies langs de hoofd- en omlopende paden waren vaak afgeboord, afgepaald of volledig met een grafteken bedekt. Omheiningen worden uitgevoerd in smeedijzer, gietijzer zoals bijvoorbeeld bij het grafmonument van de familie Mazeman de Couthove. Vaak zijn hoekpalen of aanhechtingspunten voor metalen kettingen in de stèle nog aanwezig. Indien er geen vlakke zerk op het graf werd geplaatst, koos men vaak voor de aanleg van een graftuin op de concessie.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag Proven een heel eind ten westen van het front en diende het dorp als kantonnement voor de geallieerde militairen. Voor de burgerlijke doden van de Eerste en Tweede Wereldoorlog werd een gedenkteken opgericht naar ontwerp L. Tanghe uit Brugge. Het is een hardstenen gedenkteken met een breed rechthoekig podium waarop een geprofileerd voetstuk staat, onderaan met concave zijden overgaand in een recht gedeelte. Hierop staat het beeld van een engel in een lang gewaad, met gespreide vleugels. Hij heeft de ene hand op het hart, met de andere houdt hij een kruis vast. Het gelaat is sterk gewelfd en expressief. Het beeld is geplaatst tegen een onafgewerkte hardstenen plaat, die gedeeltelijk ruw behouwen is. Op de hardstenen plaat: "Het Kruis is Onze Hoop". Op de sokkel: op de voorkant bovenaan "1914 1918", een klimmende leeuw in een cartouche tussen een gekruiste palm- en eikentak, onderaan "Aan onze Helden, Omdat ge uw jeugd en levenskracht voor 't Vaderland ten offer bracht zoo wordt ge by 't nageslacht met dank door de eeuwen heen herdacht", "De dankbare Provenaren"; op de linker- en rechterkant onderaan de namen van de doden, met hun plaats en datum van overlijden, niet alfabetisch gerangschikt; op de rechterkant bovenaan "1940-1945" en de naam. Uitgevoerd in goudkleurig beschilderde letters. Uitvoering: L. Tanghe, Brugge (steenhouwer), (gesigneerd). Hoogte: 319 centimeter, breedte: 204 centimeter, diepte: 115 centimeter.

Op het kerkhof bleven niet alleen de graven bewaard van personen die hun stempel drukten op het politiek en sociale leven van Proven maar biedt ook een doorsnede van de sociaal-culturele midden- en bovenlaag van 19de en 20ste-eeuws Proven.

De graftekens zijn opgetrokken conform rang, stand en financiële vermogens van de overledenen of de familie. De gebruikte graftekens en grafsymboliek schrijven zich in de internationale traditie van grafkunst. Alle vaak voorkomende graftypes komen te Proven voor: van de traditionele muurplaten tot de klassiek geïnspireerde modellen als sarcofaag, obelisk, zuil en cippus en verschillende praalgraven. De meest voorkomende vormen van graftekens zijn de stèles al dan niet met graftuin of zerk, kruisbeelden, driedimensionaal uitgewerkte kalvariebergen, zerken, portiek, siertoren of pinakel, zuil, ...

Opmerkelijk te Proven is het voorkomen van betonnen kruisen. Het ene is meer uitgewerkt dan het andere gaande van eenvoudige met enkel vermelding van de naam De meer uitgewerkte zijn voorzien van porseleinfoto en/of een gestileerde klimop.

De meeste begravenen bleken katholiek te zijn en de meest gebruikte grafsymboliek is christelijk geïnspireerd. Lijden en sterven van Christus en het geloof in de heropstanding komen in verschillende vormen voor: Christusfiguur van enkel het hoofd tot genageld op het kruis, kruis al dan niet gecombineerd met een lijkdoek , palmtak, korenaren met druiven en eventueel een kelk voor het priesterschap.

Dood, eindigheid, vergankelijkheid en afscheid worden verbeeld door de pleurante, de omgekeerde fakkel, urnen in alle mogelijke vormen, verschillende bloemen en planten maar heel vaak rozen, ranken en klimop, al dan niet gecombineerd. Een te kort leven wordt in de grafcultuur aangeduid met een geknakte boom of zuil.

Eén figuur bleek overtuigd flamingant. Op het graf van Jeroom De Caestecker is de meeuw of blauwvoet terug te vinden. In de zone D zijn graven te situeren van oudstrijders. Militairen krijgen al eens een leeuw, harnas en bijl, zwaard ‘Belgische genietroepen’ op het graf.

De graftekens werden opgericht in de meest voorkomende stijlen als neogotiek , neoclassicisme, art deco, modernisme...

Voor de tekens zelf werden de traditionele materialen gebruikt als blauwe hardsteen (grootste deel van de graven op het kerkhof van Proven), witte marmer voor tekstplaten, ... (kalk)zandsteen wordt zeer uitzonderlijk gebruikt. Minder voorkomend is breuksteen, graniet. Gezien de moeilijke bewerkbaarheid en de noodzaak tot import zal het tot in de jaren ’80 van de 20ste eeuw duren voordat graniet in grote hoeveelheid zal gebruikt worden.
De middenklasse zal dan weer kiezen voor het betonnen kruis dat in Proven veel voorkomt en bewaard is gebleven.

Binnen dezelfde groep aan graftekens is de productie van enkele gekende steenkappers terug te vinden die ook in omringende steden werkten. De grafstenen getuigen bijgevolg van een meer dan locale productie van funeraire kunst. Poperingse steenkappers, zoals de familie Caestecker, zijn goed vertegenwoordigd.

Vanhove Dries, Motivatienota beschermingsaanvraag voor de Sint-Victorkerk Alexisplein z.nr. te 8978 Proven, juli 2005 – geactualiseerd februari 2012 (onuitgegeven studie).

Bron: Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/33021/103.1, Sint-Victorkerk (GILTE S. & MERTENS J., 2014)
Auteurs:  Gilté, Stefanie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Gilté S. 2026: Parochiekerk Sint-Victor [online], https://id.erfgoed.net/teksten/453644 (geraadpleegd op ).


Parochiekerk Sint-Victor ()

Georiënteerde kerk in het midden van een omhaagd kerkhof met een omlopend gekasseid pad. Langs het westelijk kerkpad bevinden zich linden.

Historiek

Gotische hallenkerk ter vervanging van het romaans bedehuis. De kerk brandde volledig af in 1802, enkel de torenvoet bleef overeind. In 1806 werd de kerk gedeeltelijk herbouwd in de vorige staat. In 1867 werd het hoofdkoor aangebouwd. Verstevigingswerken en aanbouw van de zuidelijke sacristie gebeurden in 1898 naar ontwerp van architect J. Soete (Roeselare).

Plattegrond

De plattegrond ontvouwt: één midden- en twee zijbeuken van twee brede traveeën; een transept met armen van één travee en een kruisingstoren; een hoger opgetrokken middenkoor van een brede rechte travee en een smalle travee en een halve travee en een driezijdige sluiting; een noordelijk en zuidelijk zijkoor van een brede travee met respectievelijk een driezijdige en een rechte sluiting; een zuidelijke sacristie; een driezijdige doop- en zijkapel ter hoogte van de eerste travee van respectievelijk de zuidelijke en noordelijke beuk; een rond traptorentje ter hoogte van het noordelijk transept.

Gele baksteenbouw; hergebruikte ijzerzandsteen van de romaanse kerk onder meer in de centrale westelijke gevel, de onderbouw van het noordelijk koor, sporadisch in de onderbouw, in de torenvoet. Afdekking door middel van leien zadeldaken.

Drie westelijke tuitgevels gemarkeerd door steunberen met versnijdingen, en geprofileerde spitsbogige drielichten op afzaat, korfbogig in de travee links, onder een druiplijstje in de linker en rechter travee. Centraal tudorportaal in een geprofileerde bakstenen omlijsting.

De noordelijke en zuidelijke gevel worden geritmeerd door spitsboogvensters (twee- of drielichten) in een geprofileerde omlijsting op afzaat; steunberen afwisselend met en zonder versnijdingen; aflijnende tandlijst. Gedicht korfboogvenster verdiept in een rechthoekige omlijsting onder dito druiplijstje. Noordelijke en zuidelijke zijkapellen, onder tentdak, geajoureerd door middel van spitsbogige tweelichten. Rond traptorentje versierd met overkragend spitsboogfries, onder een licht ingesnoerde (leien) spits.

Koorpartij: traveeën onderling gescheiden door steunberen met versnijdingen, geajoureerd door spitsboogvensters (tweelichten) in een geprofileerde omlijsting op doorlopende afzaat. Het noordelijk zijkoor heeft een aflijnend tandlijstje.

Vierkante kruisingstoren van drie geledingen onder een peperbusvormige bekroning (leien); gestut door middel van tegenover elkaar gestelde hoeksteunberen met versnijdingen, uitlopend op hoekpinakels ter hoogte van de derde geleding. Dichtgemetste spitsboogvensters onder druiplijstje op de tweede geleding. Korfboognisje op de borstwering. Spitsbogige galmgaten op doorgetrokken afzaten op de hoogste geleding.

Zuidelijke sacristie in een aansluitende bouwtrant.

Hallenkerk. Ontpleisterd, bakstenen interieur vertoont de sporen van de verscheidene verbouwingsfasen. Rondboognissen in de noordelijke gevel van transept en zijkoor. Brede spitsbogige scheibogen op bakstenen zuilen met achtzijdige sokkel, en eenvoudig kapiteel. Smallere spitsbogige scheibogen op bakstenen pijlers wijzen op de gotische torenonderbouw. Houten tongewelven met gordelbogen en ijzeren trekbalken. Vlak overzolderd transept; bepleisterde kruisribgewelven in het hoofdkoor.

Mobilair

Neogotisch houtwerk uit het laatste kwart van de 19de eeuw, zie biechtstoelen, communiebank, binnendeur, kerkmeesterbank, koorgestoelte, preekstoel. In de noordelijke doopkapel bevindt zich een marmeren doopvont uit het laatste kwart van de 18de eeuw. In de zuidelijke zijbeuk: 'Heilige Catharina van Alexandrië' (verguld hout) door Maecage, van 1620; 'Heilige Sebastiaan' (gepolychromeerd hout), uit het tweede-derde kwart van de 18de eeuw. In de zuidelijke zijkapel: 'Christus op de Koude Steen' (gepolychromeerd en verguld hout), uit het midden van de 18de eeuw; 'Heilige Barbara'. In het noordelijk zijkoor: 'Piëta' (gepolychromeerd hout), van circa 1600. Moderne glasramen naar ontwerp van Holvoet-Yserbijt (Wevelgem).

  • Archief Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, 707.
  • DEBERGH A. 1976: De geschiedenis van de parochiekerk St.-Victor te Proven, De Gidsenkring VI.1.
  • BLONNDEAU R. A. 1978: De kerk en 28 huizen gingen in de vlammen op, De grote brand van Proven op Hemelvaartdag 1802. Het verhaal van een ooggetuige, De IJzerbode VIII.1, 1-2.
  • ROOSE-MEIER B. & VERSCHRAEGEN H. 1977: Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, Provincie West-Vlaanderen, Kanton Poperinge, Brussel, 41.

Bron: DELEPIERE A.-M. & HUYS M. 1989: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie West-Vlaanderen, Arrondissement Ieper, Kanton Poperinge, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 11n2, Brussel - Turnhout.
Auteurs:  Delepiere, Anne Marie; Huys, Martine
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Delepiere A. & Huys M. 1989: Parochiekerk Sint-Victor [online], https://id.erfgoed.net/teksten/31302 (geraadpleegd op ).