Kasteel van Horne met kasteelhoeve en park

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Heers
Deelgemeente Vechmaal
Straat Heurnestraat
Locatie Heurnestraat 37, Heers (Limburg)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Heers (adrescontroles: 12-04-2007 - 12-04-2007).
  • Inventarisatie Heers (geografische inventarisatie: 01-01-1999 - 31-12-1999).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).

Juridische gevolgen

is beschermd als monument Kasteel van Heurne met kasteelhoeve en park

Deze bescherming is geldig sinds 12-07-2005.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Kasteel van Horne met kasteelhoeve en park

Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018.

is deel van de vaststelling als bouwkundig erfgoed Kern van het gehucht Sint-Pieters-Heurne

Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018.

Beschrijving

Het 18de-eeuwse kasteel van Heurne bestaat uit een kasteelhoeve en een kasteel met moestuin en park.

Historiek

Het kasteel van Heurne was in oorsprong waarschijnlijk een versterkte hoeve, die in oorsprong toebehoorde aan de graven van Loon, in 1364 in handen was van Herman Vandenborch, in 1616 in het bezit kwam van Denis van Hinnisdael en via een huwelijk uiteindelijk eigendom werd van Jean Bosch (overleden in 1693). In 1743 werd de huidige kasteelhoeve gebouwd, waarschijnlijk door Mathias Bosch, zoon van Jean. Mogelijk recupereerde hij het bouwmateriaal van een oudere hoeve: verschillende 17de-eeuwse, S-vormige muurankers bleven bewaard, en in de schuur schijnt ooit een gevelsteen verwerkt te zijn geweest, met datering 1690.

Begin 19de eeuw werd Joseph Gerard Hubert Hermans eigenaar van het goed. Hij stond waarschijnlijk in voor de bouw van de kasteelvleugel en de aanleg van het park. De primitieve kadastrale legger (1840-1845) duidt baron Ludovicus-Desiré-Johannes Favereau aan als eigenaar; Leopoldina-Antoinetta-Albertina de Favereau en baron Eugenius de Calwaert worden eigenaar door een partage in 1867; Lambert-Emile Montalet-Ruyters koopt het goed in 1900 en de familie Montalet blijft doorheen de 20ste eeuw eigenaar.

Na leegstand en verwaarlozing sedert 1948, werd het kasteel de laatste jaren van de 20ste eeuw door verkoop van de hoeve gescheiden en werd het kasteel verworven door de huidige bewoners die het op langzame en voorzichtige wijze herstellen.

De bouwgeschiedenis van het kasteel is vanaf de 18de eeuw goed gedocumenteerd. De Ferrariskaart (1771-1778) geeft de kasteelhoeve al weer, als grote vierkantshoeve, omgeven door uitgestrekte akker-, weiland- en boomgaardpercelen. De hoeve is bereikbaar via een oprit, die aan straatzijde door een poortwerk is afgebakend. Op de hoek tussen oprit en straat, aan het tegenwoordige westelijke erf, wordt reeds een klein bouwvolume afgebeeld; in het verlengde van de oprit loopt een wegel in de richting van de Sint-Pieterskapel. Een interessant element is het drassige terrein ten noordoosten van de hoeve, waarop in de richting van de Mombeek een rechtlijnig aangeplante rij bomen wordt afgebeeld, grosso modo parallel met de straat, op de plaats waar later kaartmateriaal een waterstrook markeert; de Ferraris tekende wel een waterloopje op langsheen de straat, uitmondend in de Mombeek; later schijnt dit waterloopje verdwenen te zijn.

Het voorprimitief kadasterplan (1828) toont de hoeve met oprit en een door de Ferraris niet geregistreerde uitbouw ter hoogte van de oostelijke hoek; ten noordoosten van de oprit, langsheen de Heurnestraat, strekken zich achtereenvolgens een moestuin en een strook akkerland uit, tot op de hoek met de Brugstraat; deze percelen worden ten zuidoosten afgeboord door een smalle strook water (de door de Ferraris gemarkeerde bomenrij), die grosso modo vertrekt vanaf de noordelijke hoek van de hoeve en in noordoostelijke richting verder loopt tot aan de Brugstraat; ten zuidoosten van deze waterstrook strekt zich bouwland uit tot aan de Tongersestraat, achter de hoeve door en slechts onderbroken door een smalle moestuinstrook, in de buurt van geciteerde uitbouw op de oostelijke hoek van het hoevecomplex.

Ondertussen is ook de huidige kasteelvleugel al toegevoegd ten westen, met een van een erker voorziene zuidwestgevel; het gebouw op de hoek tussen de Heurnestraat en de oprit naar de hoeve is een L-vormige constructie geworden, met een korte vleugel langsheen de straat en een lange vleugel langsheen de oprit, die samen met het nieuwe kasteel een secundair, westelijk erf afboorden; een secundaire oprit loopt vanaf de straat langsheen de zuidwestflank van dit nieuwe erf, het nieuwe kasteel en het restant van de rechtse hoevevleugel; ten zuidwesten van de secundaire oprit is tot slot een park aangelegd, functioneel opgesplitst in moestuin, vijver en lustbos.

Aan de hand van kadastrale mutaties wordt de verdere evolutie van het complex duidelijk: in 1845 (mutatieschets 1845/4) wordt het dienstgebouw aan het westelijke erf verbouwd; de vleugel langsheen de oude oprit naar de hoeve wordt ingekort, waardoor de doorgang tussen dienstgebouw en hoeve verbreedt, de vleugel langsheen de Heurnestraat wordt verlengd in de richting van de secundaire oprit; in 1861 (mutatieschets 1861/3) wordt de hoeve uitgebreid met een uitbouw ter hoogte van de noordelijke hoek, tegen de veldzijdegevel van de linkervleugel; de uitbouw ter hoogte van de oostelijke hoek wordt gedeeltelijk ingekort; vermoedelijk werden de sloopmaterialen van de ene uitbouw gerecupereerd voor de bouw van de andere (de legger spreekt van een reconstruction d’un bâtiment rural); in 1879 (mutatieschets 1879/15) verschijnt een kleine uitbouw tegen de straatvleugel van de hoeve, links van de oude oprit, en wordt de gehele noordoostelijke flank van deze oprit, langsheen het oude tuinperceel, volledig door een muur afgeboord; in 1909 (mutatieschets 1909/6) volgen een verdere uitbreiding van het dienstgebouw aan het westelijke nevenerf door verlenging van de straatvleugel in de richting van de secundaire oprit en wordt het parkperceel langsheen de Heurnestraat van een muur voorzien.

Het primitieve plan van het Dépôt de la Guerre (opgetekend in 1871) geeft een mooi tussentijds beeld van het goed: de kasteelhoeve wordt afgebeeld in zijn toenmalige constellatie, met uitbouw in het oosten en kasteelvleugel in het westen, een westelijk nevenerf met L-vormig dienstgebouw, ten noordoosten de waterstrook langsheen de straat, ten zuidwesten de parkvijver, min of meer in het verlengde van de waterstrook. Het park wordt als een grotendeels beboste strook afgebeeld.

Een vermoedelijk vroeg-20ste-eeuwse prentbriefkaart toont het kasteel aan parkzijde, in volle belle-époque-glorie, met een monumentale, art-nouveaugetinte marquise (vermoedelijk ijzer en glas) boven het bordes en een afdakje boven de ingang naar het souterrain.

Beschrijving

Exterieur

Het kasteel van Heurne bestaat uit een kasteelhoeve, via een oprit vanaf de straat bereikbaar, een kasteel, dat de westelijke hoek van de hoeve uitmaakt en gelegen is aan een klein nevenerf, dat zich langsheen de oprit naar de hoeve tot aan de Heurnestraat uitstrekt en aldaar door middel van een L-vormig dienstgebouw wordt afgesloten.

De hoeve is een complex van witgekalkte bakstenen gebouwen onder zadeldaken met Vlaamse pannen, rondom een rechthoekig, gekasseid en gedeeltelijk geasfalteerd erf. De straatvleugel omvat een centraal poortgebouw met woning links, de linkervleugel omvat een dwarsschuur en varkensstallen, de achtervleugel een dwarsschuur, runder- en varkensstallen, de rechtervleugel omvat stallingen, waaronder de voormalige paardenstallen. Linker- en achtervleugel sluiten niet meer aan, maar zijn van elkaar gescheiden door een doorgang, die aan veldzijde met een poort is afgesloten. Dit is het resultaat van een verbouwing.

Het poortgebouw, drie bouwlagen hoog onder een wolfsdak tussen zijgevels met aandak en vlechtingen, omvat aan veldzijde een rondboogpoort in een rechthoekige, kalkstenen omlijsting met schijnvoegen en sluitsteen, geflankeerd door kalkstenen pilasters met lijstkapiteel, die een entablement dragen; de bouwlagen boven het entablement worden afgeboord door bakstenen lisenen, tussen de tweede en derde bouwlaag door een brede, geprofileerde bakstenen cordonlijst en bekroond door een baksteenfries met dropmotief; de tweede bouwlaag omvat twee voorheen beluikte, vierkante vensters in een vlakke kalkstenen omlijsting, met ertussen een kalkstenen gevelsteen met het wapenschild van de familie Bosch en datering ANNO 1743; de bovenverdieping omvat twee kleine vensters. Aan erfzijde is de gevel volledig uitgewerkt in baksteen; de rondbogige poort rust op hardstenen imposten, de bovenliggende vensters hebben een 19de-eeuwse verschijningsvorm.

De pachterswoning, vier traveeën en anderhalve bouwlaag, omvat aan erfzijde een rechthoekige deur en dito venster in een vlakke kalkstenen omlijsting, in de noordelijke hoek twee gekoppelde rondboogdeuren in een omlijsting van kalksteenblokken, alsook een veelheid aan eenvoudige getoogde vensters. Aan veldzijde is de woning uitgebreid met een eenvoudige uitbouw onder lessenaarsdak, drie traveeën breed en één bouwlaag hoog, met een getoogde deur en dito vensters. Van het oorspronkelijke buitenparement bleef één travee zichtbaar, links naast de poort, gevormd door twee bouwlagen, een klein venster in vlakke kalkstenen omlijsting en een klein getoogd raam erboven; de gevel omvat ook een baksteenfries met dropmotief, op enige afstand van de dakrand, wat zou kunnen wijzen op een latere verhoging.

De linkervleugel omvat aan erfzijde een oorspronkelijke, rondbogige schuurpoort in een kalkstenen omlijsting met negblokken in een regelmatig verband; links naast de schuur zijn de deurtjes te situeren van de varkensstallen, twee sets gekoppelde deurtjes, de linkse deurtjes beide rondbogig, de rechtse respectievelijk getoogd en rondbogig; de rondboogdeurtjes zijn gevat in een waarschijnlijk gerecupereerde, kalkstenen omlijsting; verder naar rechts is een recentere poort te situeren, onder metalen I-balk, alsook een deur, een venster en twee laadvensters.

De achtervleugel omvat een centrale, rondbogige schuurpoort in een kalkstenen omlijsting met negblokken in een regelmatig verband; links van de schuurpoort is een poort toegevoegd voor een runderstal, rechts van de schuurpoort is een set gekoppelde, rondbogige varkensstaldeurtjes te situeren, zoals de reeds geciteerde in een vermoedelijk gerecupereerde, kalkstenen omlijsting; hoger in het parement is een rondbogig hooizoldervenster ingebracht.

De rechtervleugel omvat twee rondboogdeuren in een omlijsting van kalksteenblokken, een gewone rondboogdeur en een aantal rondbogige hooizoldervensters.

Het kasteel incorporeert de westelijke hoek van de hoeve, met het gedeelte van de straatvleugel tot aan het poortgebouw en een gedeelte van de linkervleugel, in het verlengde waarvan het gros van het kasteel als een nieuw aangebouwd gedeelte is toegevoegd. De kasteelvleugel is een baksteenbouw onder leien en kunstleien zadeldaken. Het gebouw omvat een monumentale parkgevel, acht traveeën breed, waarvan de vijf linkse de breedte markeren van de toegevoegde kasteelvleugel, en de drie linkse behoren tot de oorspronkelijke hoeve. De vijf linkse traveeën omvatten twee bouwlagen en worden gedomineerd door een driezijdige erker over de breedte van de drie centrale traveeën. De centrale erkertravee omvat een deur, toegankelijk via een trap en bordes. De drie rechtse traveeën omvatten tweeënhalve bouwlaag, met een souterrainniveau, voorzien van een deur en twee vensters, en twee bovenliggende niveaus, in het verlengde van de vijf linkse bouwlagen. Afgezien van de deuren en de keldervensters is het parement regelmatig voorzien van vensters, rechthoekig op bel-etageniveau, vierkant ter hoogte van de verdieping. Alle muuropeningen zijn gevat in vlakke kalkstenen lijsten en een aantal vensters behield nog de oorspronkelijke vensterluiken die oorspronkelijk overal waren voorzien; de drie bel-etagevensters boven het souterrain beschikken bovendien over balustrades.

De drie traveeën brede en twee bouwlagen hoge achtergevel (zijde kasteelerf) van de toegevoegde kasteelvleugel, omvat keldergaten, rechthoekige vensters op bel-etageniveau en vierkante op de verdieping, alle gevat in vlakke kalkstenen lijsten.

Van het L-vormige dienstgebouw dat het westelijke (kasteel)erf aan straatzijde afboordt vormt de vleugel langsheen de oude oprit naar de hoeve een oude kern (zie gebouw op de Ferrariskaart), wat bevestigd wordt door een mergelstenen gevelsteen met datering 1760. Verschillende verbouwingen vanaf 1845 gaven het pand zijn huidige uitzicht.

De oude vleugel, parallel met de oprit naar de hoeve, telt drie traveeën en twee bouwlagen onder zadel¬dak met Vlaamse pannen; de gevel aan de zijde van de oprit omvat een tweetal getoogde muuropeningen, een houten kozijn op de verdieping en de door een gevelsteen bekroonde, reeds geciteerde gevelsteen; aan erfzijde bleven rechthoekige vensters bewaard in een vlakke kalkstenen omlijsting; de vrije linker-zijgevel heeft een aandak met vlechtingen.

De nieuwe vleugel, parallel met de straat, onder laag pannen zadeldak, heeft een straatgevel met vijf blinde rondboogvensters met doorlopende hardstenen onderdorpels en parallelle hardstenen lijsten op impostniveau; de erfzijdegevel telt drie traveeën en twee bouwlagen, met een rechthoekige deur onder houten latei, rondbogige vensters met hardstenen onderdorpels; de middentravee wordt bekroond door een driehoekig frontonnetje, waarin een halvemaanvormig venster met hardstenen onderdorpel; de linker-zijgevel, aan de zijde van de oprit naar de hoeve, omvat een poort onder houten latei, daarboven een rondboogvenster met hardstenen onderdorpel en een halvemaanvormig venstertje in de geveltop; de rechterzijgevel is blind.

Grondplan

Grondplannen en doorsnedes tonen een duidelijke discrepantie tussen de gerecupereerde hoevegedeelten en de nieuwe kasteelvleugel. Op kelderniveau blijken reeds een aantal verschillen: van de gerecupereerde delen van de hoevevleugels is de straatvleugel niet onderkelderd, de rechtervleugel is daarentegen uitgerust met een heus souterrain, met een rechtstreekse uitgang naar het park, waarop een halletje aansluit, parallel met de straatvleugel, dat ook over een uitgang beschikt aan erfzijde en geflankeerd wordt door twee ruimten, een grote aan parkzijde, een kleine aan erfzijde. De toegevoegde kasteelvleugel is volledig onderkelderd, waarbij de kelderruimten toegankelijk zijn via het halletje in het souterrain, en ten aanzien daarvan twee treden lager blijken te liggen; één van de kelderruimten onder het kasteel, met name de ruimte die de hoek vormt tussen de oude hoevevleugels, is voorzien van een tongewelf.

Op gelijkvloers niveau wordt één en ander nog duidelijker: enkel het gerecupereerde deel van de straatvleugel heeft een gelijkvloers, dat vanuit de kelders onder de kasteelvleugel kan worden bereikt, via een keldertrap onder de grote staatsietrap in de vestibule, alsook via het halletje in het souterrain, via twee treden die eveneens naar de vestibule leiden. De vestibule is het centrale verbindingspunt van het kasteel: hij beschikt over een ingang aan het westelijke nevenerf, een doorgang naar het boerenerf, leidt naar de twee bij het kasteel horende vertrekken in de kasteelvleugel, en via de staatsietrap naar de bel-etage en de overige verdiepingen.

De bel-etage bestaat in wezen slechts in de nieuwe kasteelvleugel: vanuit de traphal wordt een kleine doorstromingsruimte bereikt, waarop een U-vormige enfilade van drie vertrekken uitmondt: een centrale, achthoekige erkerruimte, die enkel over het park uitkijkt, en aan weerszijden hiervan twee rechthoekige ruimten over de volle diepte van de nieuwe vleugel, de ene aan het uiteinde van de kasteelvleugel en aldus met ramen aan de zijde van het park en aan de zijde van het kasteelerf, de andere ter hoogte van de hoek tussen de vroegere hoevevleugels, met een venster aan parkzijde en een blinde muur die de scheidingswand vormt met de traphal. Deze laatste ruimte staat via enkele trapjes in verbinding met een vertrek in rechter-hoevevleugel, met ramen aan de zijde van het park en het boerenerf.

De eerste verdieping heeft een lager gelegen deel boven de straatvleugel van de hoeve, en een hoger gelegen deel, boven de nieuwe kasteelvleugel. Het lagere deel omvat een hal langsheen de voorgevel, die verschillende ruimten aan de zijde van het boerenerf ontsluit; de hal loopt via een trapje verder tot de verdieping boven de hoevepoort, waar zich nog een vertrek bevindt. Ook in het hogere deel loopt een hal langsheen de voorgevel (zijde kasteelerf), waarop verschillende vertrekken aansluiten; de erkerruimte is in twee verdeeld door de uitbouw van twee alkoven met aansluitende dienstruimten.

Interieur

Het kasteel behield een gave interieurafwerking, grotendeels neoklassiek en parallel met de bouw gerealiseerd, deels laat-19de-eeuws.

De vestibule behield een mooie vloer in cementtegeltjes, met ruit-, ster- en bloempatronen in oranje en lichtblauwe tinten, de wanden afgewerkt met een lage natuurstenen plint, door stucwerklijsten afgeboorde lambriseringen en daarboven een wandafwerking in eenvoudige faux-marbre, deels bijgewerkt door de huidige eigenaars.

Een monumentale kwartslag-bordestrap leidt naar de bel-etage en de eerste verdieping, en vervolgt zijn weg als gewone bordestrap naar de tweede; de trap, met een bloktrede in grijs-roze marmer, is afgewerkt in hout, maar met een ijzeren balustrade, waarvan de paal sierlijk is afgewerkt met een vierkante voluut, schijfmotieven en een guirlande; eenvoudige balusters, in een wijde spreiding, alterneren met X-motieven; een eenvoudige houten handgreep met gekruld kopstuk op de paal werkt het geheel af. De traphal is goed verlicht door strategisch gepositioneerde vensters met origineel schrijnwerk; de meeste ramen behielden de originele pompen.

Vanuit de traphal kunnen de doorstromingsruimte op de bel-etage en de nachthallen op de verdiepingen worden bereikt. De doorgangen zijn gevat in houten kozijnen, waaraan scharnieren nog herinneren aan vroegere deurvleugels. Monumentale deuren bleven enkel bewaard op het gelijkvloers en markeren de doorgangen naar de keldertrap en de ruimtes in de oude hoevevleugels; voor zover het geen dubbeldeuren betreft, suggereren ze steeds de structuur van een dubbeldeur, bestaande uit twee vleugels; de hogere deuren hebben drie panelen, een vierkant onder- en bovenaan, een rechthoek in het midden, telkens afgewerkt met een ruitmotief; het bovenste paneel heeft bij de deur naar de linker-hoevevleugel het karakter van een niet-scharnierend bovenlicht, bij de lagere kelderdeur ontbreekt het volledig.

Op de overloop van het bordes van de trap tussen de eerste en de tweede verdieping bleven vaste kasten bewaard, een eenvoudige hoekkast en het monumentale, dressoirvormige onderstel van een eertijds van een eertijds hogere wandkast, sierlijk getooid met pilasters. Rechts van dit dressoir is een doorgang voorzien naar de linker-hoevevleugel, met een deur van het meer eenvoudige type dat ook op de verdiepingen is aangewend, simpelweg afgewerkt met twee panelen (laag onderaan, hoog bovenaan).

Op gelijkvloers niveau is naast de vestibule enkel de daarbij aansluitende, tegenwoordig als keuken ingerichte ruimte in de aansluitende straatvleugel van de hoeve vermeldenswaardig, met een mooie vloer in cementtegels. De oude keuken is vermoedelijk te situeren in de grote ruimte van het souterrain, waar een barokke schoorsteen bewaard bleef, met hoge stenen rechtstanden, gevormd door een voluut, bekroond door een leeuw met blinde cartouche, en een houten latei in de vorm van een klassiek hoofdgestel met kroonlijst, fries en tandlijst. Rechts naast de schoorsteen bleef een bakoven bewaard.

Op de bel-etage van de kasteelvleugel ligt de nadruk in eerste instantie op het grote achthoekige salon, weldadig verlicht door de vele ramen aan parkzijde, en aan drie zijden door monumentale deuren in verbinding staande met de belendende ruimten links en rechts en de doorstromingshal aan de zijde van het kasteelerf. Het legpatroon van de vloerplanken, grotendeels koud langsverband, is ter hoogte van het centrum van de ruimte aangepast om een tapijt te suggereren (dit gebeurde ook in de belendende salons). De schuine wanden aan erfzijde zijn afgewerkt met een hoekschouw in natuursteen, en een spiegelende imitatie ervan in hout. De vormgeving is sober: (imitatie-)tegelvloertje met ruitmotief, rechtstanden met halfzuilen die consoles ondersteunen waarop de schoorsteenbalk rust. De boezems zijn voorzien van hoge spiegels, bekroond door een decoratief stucwerkpaneel. De blinde muurvlakken zijn voorzien van gestucte panelen met een gekarteld oppervlak. Deze panelen onderbreken de friezen boven deuren, vensters en schoorstenen, die alzo telkens met een ander motief konden worden versierd: kruisende lambrekijnmotieven boven de schoorstenen, ruit- en eikenbladmotieven boven de vensters, aesculaapmotieven boven de deuren. De deuren zelf zijn afgewerkt als op het gelijkvloers, met panelen waarin een ruitmotief is verwerkt. De zoldering wordt ingeleid door een zware kroonlijst, en is verder volledig vlak, op een rond lichtrozet met eikenbladeren na.

De rechthoekige ruimte die aan erfzijde bij het achthoekige salon aansluit heeft een soberder vormgeving: plankenvloer, waarbij het legpatroon van de planken opnieuw een tapijt suggereert, lage houten plint en dito lambrisering, voor het overige vlak gestucte wanden met lage kroonlijst, schoorsteen in witte, grijze en zwarte natuursteen, de rechtstanden en balk aan de voorzijde met ruit-, vierkant- en bolmotieven getooid, zoldering met omstucte moerbalken.

De rechthoekige ruimte die aan hoevezijde bij het achthoekige salon aansluit heeft geen bijzondere aankleding, op de plankenvloer na, weerom met een legpatroon waarmee de aanwezigheid van een tapijt wordt gesuggereerd. Het bij deze laatste ruimte aansluitende vertrek in de rechter-hoevevleugel is eveneens sober afgewerkt, maar vertoont aan de zijde van de vestibule een alkoof-achtige uitbouw, verlicht met een venster aan erfzijde. De doorgang naar de ruimte is omkaderd met sierlijke houten transition-lijstwerk waarin een spiegelboog is uitgespaard. De achterste wand van de alkoof is afgewerkt in stuc, met een hoge lambrisering, afgeboord door blinde pilasters en voorzien van een kroonlijst.

De ruimten op de verdieping van de kasteelvleugel beschikken over tweeledige paneeldeuren van het type zoals op het bordes van de trap tussen eerste en tweede verdieping. De interieurafwerking is zeer sober, in één alkoofkamer behield de alkoof een omkadering met gecanneleerde pilasters, in de andere bleef een hoekkast bewaard, spiegelend met de schuine wand van de erker.

Park

Bij het complex sluit ten noordwesten, tussen pachterswoning en straat, de tot siertuin getransformeerde hoevemoestuin aan, ten zuidwesten een park, over de breedte van de kasteelvleugel en rechter-hoevevleugel gezamenlijk, zicht uitstrekkend tot aan de Tongersestraat. De wijdere omgeving, tussen Heurnestraat, Brugstraat, Tongersestraat en Onze-Lieve-Vrouwstraat, is in gebruik als landbouwland, voor het merendeel weiland. Het perceel ten noordoosten van de hoeve wordt nog door het vanaf de Ferrariskaart weergegeven beekje doorsneden. Deze zone, op de hoek tussen Heurnestraat en Brugstraat, is beplant met populieren (recent werden oudere bomen omgehakt en vervangen door nieuwe aanplantingen). Het landbouwland is simpelweg omhaagd, waar de functioneel bij het kasteel horende percelen door muren worden afgebakend.

Het tot siertuin getransformeerde oude moestuinperceel voor de pachterswoning, afgeboord door de oprit naar het poortgebouw en zich uitstrekkend tot aan de Heurnestraat, is aan de oprit- en straatzijde afgebakend door hoge bakstenen muren, gewit boven een gepikte plint; op de hoek tussen de oprit en de Heurnestraat blijkt de tuin over een klein dienstgebouw te beschikken. Dit dienstgebouw werd samen met de muur langsheen de straat pas omstreeks 1909 opgetrokken. Voorheen reikte de muur vanaf de straat langsheen de oprit tot bijna aan de woning, waar een blijkbaar smalle doorgang was voorzien, alleszins aan woningzijde afgebakend door een hardstenen pijler; tegenwoordig is de muur aan hoevezijde voor een stuk gesloopt, waardoor een open doorgang bestaat; de smalle doorgang is een heuse poort geworden, nu aan twee zijden door hardstenen pijlers afgebakend, bekroond met dekplaten waarop gestileerde stenen pijnappels zijn gedeponeerd.

Ook het westelijk nevenerf van het kasteel, voor zover niet door het L-vormige dienstgebouw afgebakend, is aan de straat- en opritzijde door bakstenen muren afgebakend; het is daarentegen open naar het park toe. De muur langsheen de oprit is hoog en loopt tot bijna aan het kasteel, waar in het verlengde van de poort naar het moestuinperceel een monumentale inrijpoort is voorzien, afgebakend door bakstenen pijlers met hardstenen dekplaten, waarop hardstenen sierpotten zijn gedeponeerd. Van het hek dat deze doorgang oorspronkelijk afsloot bleven slechts de smeedijzeren duimen bewaard.

Het park, aangelegd in vroeg-landschappelijke stijl, is vrij verwilderd en stond op moment van bescherming eerder onder bewust gekozen nul-beheer. De zwaar verlande parkvijver werd echter over een lengte van 25 meter tot 1,70 meter uitgediept; vermoedelijk staat hij ondergronds in verbinding met de noordoostelijke waterstrook en de bronnen van de Herkebeek. Het licht concave reliëf van het park met hogere oostelijke en westelijke randen, de erg vochtige zone ten zuiden van de vijver, de vorm van het perceel en tenslotte het grondgebruik in 1844 (drie aangrenzende percelen lustbos) laten vermoeden dat perceel nr. 303 bij de terreinmeting in 1828 wel eens een grotere vijver kan zijn geweest, gevolg van het opstuwen van de beek, die in 1844, toen de kadastrale legger het grondgebruik noteerde, al erg verland was en dus als lustbos onderscheiden kon worden van de twee aangrenzende percelen lustbos. Een terreinverkenning vandaag bevestigt trouwens nog steeds dit onderscheid en men ervaart dat er een open perspectief werd nagestreefd vanuit het huis over de vijver (en een gazon?) tot de dichter begroeide, verste grens van het parkje. Vanuit het parkje licht het witte volume van het huis dan ook van ver op. Als begeleiding van dit perspectief werden aan weerszijde van de vijver enkele parkbomen op rij geplant, die vandaag als hoogste en oudste bomen van het park herkenbaar zijn. Dankzij de jarenlange verwaarlozing en de optie voor nul-beheer bezit het parkje ook een interessante fauna. De keuze voor dit soort beheer dat de natuur en de fauna alle kansen laat, zou evenwel de oudste parkbomen moeten respecteren. Dat het ooit anders werd gebruikt illustreert de reeds vermelde, vroeg-20ste-eeuwse postkaart: de strook tussen de voet van het kasteel en het park is als tuin aangelegd, met jonge bomen en bloemperken, onder meer een corbeille gevuld met éénjarigen. De voormalige kasteelmoestuin tussen de vijver en de straat wordt nu voorbestemd als bos en kreeg een aanplanting van jonge eiken.

Het parkperceel is gedeeltelijk door een lage muur omgeven, die naast het westelijk nevenerf aan straatzijde wordt onderbroken door een monumentaal inrijhek, de hoofdingang tot het kasteel, afgeboord met blauwe hardstenen pijlers, opgetrokken uit blokken met ingediepte voegen, afgedekt met sterk geprofileerde dekplaten en bekroond met tolvormige siervazen; het smeedijzeren hek heeft vierkante stijlen, dubbele onder-, tussen- en bovenregels met ronde onderspijltjes en spijlen met lanspunten. Ernaast is een recenter voetgangerspoortje voorzien, samengesteld uit genagelde platte banden; mogelijk zijn de pijlers en poortwerk afkomstig van het oude kasteel de Bellefroid; oude foto’s tonen immers een gelijkaardig inrijhek aan het afgebrande kasteel.

In het park, met een rijke onderbegroeiing van aronskelk, bosanemoon, klimop, sneeuwklokje, speenkruid en sneeuwbes, komen volgende bomen voor:

  • veel opslag van gewone es (Fraxinus excelsior), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum) en ruwe berk (Betula pendula); dit zijn dan ook de soorten die in meer volwassen vorm voorkomen of voorkwamen;
  • naast de ruïne van een tweestammige bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’) noteerden we ook gezondere exemplaren van deze soort;
  • gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus);
  • een sterk overhellende en dus onmeetbare gewone haagbeuk (Carpinus betulus);
  • Hollandse linde (Tilia x europaea);
  • een aangetaste tamme kastanje (Castanea sativa);
  • een mooie meerstammige Taxus aan het einde van de vijver;
  • treurwilg (Salix alba ‘Tristis’)

Opgemeten exemplaren:

  • bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’, 335 en 381 centimeter, inclusief de klimop);
  • gewone beuk (Fagus sylvatica, 472 centimeter);
  • een wel 20 à 25 meter hoog geschatte gewone plataan (Platanus x hispanica, 587 centimeter);
  • grootbladige linde/zomerlinde (Tilia platyphyllos, 296, 400 centimeter);
  • witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum, 255 centimeter);
  • een oude taxus (Taxus bacata, 195 centimeter)
  • DE MAEGD C. & VAN DEN BROECK M. 2007: Historische tuinen en parken van Vlaanderen. Inventaris Limburg. Deel 3: Alken, Borgloon, Heers, Kortessem, Wellen, Brussel.
  • DEWELF A. e.a. 1978: Het dorpsverleden van Vechmaal, Vechmaal, 119-124.
  • PAUWELS D., SCHLUSMANS F. met medewerking van Muyldermans E. & Rombouts J. 1999: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kanton Borgloon, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N4, Brussel - Turnhout.

Bron: Beschermingsdossier DL002353, Vechmaal: aspecten van Sint-Pieters-Heurne (digitaal dossier)

Auteurs: Wuyts, Vicky

Datum tekst: 2005

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Kern van het gehucht Sint-Pieters-Heurne

Brugstraat, Heurnestraat, O.L.Vrouwstraat, Peuskensstraat, Tongersestraat (Heers)

omvat Parkje van het Kasteel van Heurne

Heurnestraat 37 (Heers)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.