Kasteel en hoeve Dessener

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Kortessem
Deelgemeente Wintershoven
Straat Stationsstraat
Locatie Stationsstraat 47, Kortessem (Limburg)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Kortessem (adrescontroles: 12-05-2007 - 12-05-2007).
  • Inventarisatie Kortessem (geografische inventarisatie: 01-01-1999 - 31-12-1999).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Kasteel en hoeve Dessener

Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018.

is beschermd als monument Kasteel en hoeve Dessener

Deze bescherming is geldig sinds 24-12-2008.

is deel van de bescherming als stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Kasteel en hoeve Dessener en hoeve Schoenwinckel: omgeving met dreven, vijvers en toegangsweg

Deze bescherming is geldig sinds 24-12-2008.

Beschrijving

Kasteelcomplex uit 1640 met oudere kern, bestaande uit een groot kasteel met een langgerekt neerhof in traditionele Maasstijl.

Historiek

De oudst gekende heer was Willem van Desseneer, die in 1264 de oude burcht bouwde, waarvan slechts één enkele aanwijzing bewaard bleef: in de poortvleugel van het 17de-eeuws kasteel is aan de noordoostelijke zijde nog de ronding merkbaar van de vroegere woontoren. Het kasteel was een leen van Brusthem, achterleen van Loon en behoorde tot in het midden van de 15de eeuw aan de ridders van Desseneer. Het werd herhaalde malen belegerd en ingenomen. Vanaf 1557 kwam het in het bezit van de familie de Lamboy en behoorde het tot de heerlijkheid Wintershoven, waarvan de heren de gehele rechtspraak bezaten, het patronaatsrecht voor de castrale kapel en het er aan verbonden feodaal hof. In 1624 waren de relieken van de heiligen van Wintershoven Landoaldus, Landrada en Vinciana een week lang te gast in de kasteelkapel.

Wilhelm III de Lamboy, die als veldheer geschiedenis heeft gemaakt in de Dertigjarige Oorlog, herbouwde het slot circa 1640 tot een groots kasteel met een langgerekt neerhof. Een lid van dezelfde familie, Anne-Catherine de Lamboy (1653-1675), zorgde voor herstel en nieuwe bloei van de abdij van Herkenrode, na een periode van plunderingen.

Een gezicht op het kasteel van 1666, door een anoniem kunstenaar, bewaard in de pastorie van Zolder, toont de donjon met aangebouwd rechthoekig poortgebouw en de ruïnes van de vestingmuren. Een brede, nu volledig gedempte gracht beschermde deze burcht, waarvan nu elk uitwendig, materieel spoor verdwenen is. De toestand, zoals op het schilderij weergegeven, bestond toen al niet meer. Het werk zou gemaakt zijn als herinnering aan het oude kasteel.

Naar aanleiding van de oorlogen van Lodewijk XIV werd het kasteel belegerd en brandde een vleugel in 1674 af. Volgens de aankondiging die een verkoop van de heerlijkheid voor de maand maart 1686 in het vooruitzicht stelde, bedroeg het grondgebied toen 100 bunders akkerland, 60 bunders weide, hooiland en boomgaarden en wel 30 à 40 bunders met mooie en lange dreven doorsneden bos. Het door zes geheel nieuwe torens omringd kasteel bezat een neerhof met een overwelfde paardenstal voor wel 50 à 60 paarden, die, zoals de bij de heerlijkheid horende water- en windmolen, geheel nieuw was gebouwd. Het kasteel zelf had een donjon en een niet in een gracht opgetrokken kasteel met meerdere fraaie en ruime zalen, kamers en andere commoditeiten. Er lagen mooie en uitgestrekte tuinen rond bestemd voor nut en voor sier, uitgerust met fonteinen. De verkoop werd aangekondigd in naam van Anna Margaretha de Bocholt, weduwe van Georges Frederic de Renesse, baron van Elderen, aan wie Wintershoven was toegewezen na aanslepende gerechtelijke betwistingen en als deel van de aangeslagen goederen van wijlen graaf de Lamboy. Volgens de Saumery in 1744 was het nieuwe kasteel een gesloten complex, geflankeerd door vier torens en voorzien van een stenen portiek.

Het nieuwe kasteel uit de eerste helft van de 17de eeuw wordt op de Ferrariskaart (1771-1777) als ‘Château de Dessener’ aangeduid en bestaat daar uit een U-vormig neerhof en een omgracht kasteel met twee parallelle vleugels en een klein losstaand element ten noordoosten, de nu nog bestaande losstaande ronde toren, die een tijd lang fungeerde als kapel en als bakhuis.

Twee met bomen omzoomde lanen, die nu nog bestaan maar waarvan het bomenbestand thans is verjongd, leidden naar het goed. Ten zuiden van het neerhof bevonden zich de moestuinen, en omhaagde boomgaarden en akkers rondom het hele complex. Ten noorden, richting Vliermaalroot, kwamen daar nog bossen bij.

Tot in de 19de eeuw was de familie de Renesse eigenaar van het domein. In 1841 hoorde het goed toe aan een zekere d’Ysendo(o)rn de Blois, rentenier uit Gelderland. In de Atlas van de Buurtwegen (1844) wordt het kasteel ‘Château Desseneeren’ genoemd en voorgesteld als een geheel bestaande uit een U-vormige hoeve, aangevuld met een losstaand dienstgebouw ten zuidoosten, voor het neerhof, en een losstaand kleiner dienstgebouw op het erf, verder uit een omgracht kasteel met twee parallelle vleugels, beide aan de zuidwestkant voorzien van een ronde toren.

De legger van 1841, die verband houdt met het primitief kadasterplan, “opgemaekt in het jaer 1810 & overzien in het jaer 1841” door landmeter Goethals, geeft het toenmalige bodemgebruik weer van de diverse percelen. De poortvleugel van het kasteel wordt als huis opgegeven, een nog bestaande functie. De huidige portiek ten noordwesten wordt als gebouw vermeld en de huidige ronde toren ten noordoosten eveneens. Dit laatste element was op het primitief kadasterplan al losstaand, net als op de Ferrariskaart. Het losstaand kleiner dienstgebouw op het erf van het neerhof, ook voorkomend in de Atlas van de Buurtwegen, was een brouwerij, die in 1864 werd opgeheven, terwijl het huidige, in 2002 verbouwde dienstgebouw (eertijds stallingen) voor het neerhof in 1841 losstaand was. In 1841 was het kasteel volledig door een vijver omgeven, zoals reeds aangegeven op de Ferrariskaart (1771-1777). Ten westen, ten zuiden en ten noodoosten kwamen verdere vijvers en grachten voor. Twee bospercelen zijn ten noordwesten en ten noordoosten aangeduid op dit primitief kadasterplan. De moestuinen bevonden zich pal ten noordoosten van het kasteel en pal ten zuidoosten van het neerhof. De laan die van de huidige Bronstraat naar het complex voerde en thans nog bestaat, wordt in 1841 als weide genoteerd. De andere laan, die van zuidwest naar noordoost loopt en uitgeeft op de Weg van Cortessem naer Winters hoven, de huidige Stationsstraat, is als hooiland opgegeven. In het voorbereidend werk tot de schatting van 20 juni 1841 wordt de poortvleugel van het kasteel als volgt omschreven: “voor den landbouw, in steenen gebouwd en met schallingen gedekt samengesteld uit 3 beneden plaetsen en twee op de verdieping. De pachthoeve aan het neerhof had volgens dezelfde bron drie grote en drie kleine vertrekken. In 1845 bedroeg het totale bezit 155 hectare. In 1847 vond er een verdeling plaats tussen Fredericus Carolus d’Ysendo(o)rn de Blois en een zekere Vaesen, rentenier uit Gelderland. In 1851 werd de noordwestelijk gelegen vleugel van het kasteel aan de zuidwestelijke kant iets vergroot.

In 1871 vonden verdeling en verkoop plaats, waarbij het domein overging naar de familie Van der Gracht de Rommerswael. De mutatieschets van 1872 laat een verdeling zien van het kasteel in twee verblijven, waarvan de noordwestelijke vleugel een landbouwfunctie had en deels werd afgebroken. Op het neerhof werd de bakkerij gesloopt en werd de noordoostelijke vleugel vergroot.

Op de schets van 1884 wordt van de poortvleugel van het kasteel een deel afgebroken, waardoor de zuidwestelijk gelegen ronde toren losstaand werd. Bij verkoop in 1888 werd Hippolyte Arckens-de Bellefroid, nijveraar uit Tongeren, eigenaar.

In 1897 verdwijnen de waterpartijen bijna volledig. Door erfenis kwam het goed in 1907 in het bezit van de familie Claessens, eveneens uit Tongeren, die het goed thans nog in bezit heeft. Op de mutatieschets van 1914 wordt de in 2002 verbouwde open schob aangeduid, die een verbinding vormt tussen het neerhof en het dienstgebouw ervoor (eertijds stallingen) van circa 1800 en aangepast en opgevoegd in 2002, terwijl aan de erfzijde van het neerhof eveneens een element wordt aangebouwd aan de schuur en de linkerzijde van de achtergevel van de poortvleugel van het kasteel wordt doorgetrokken. Het gehele complex krijgt dan ongeveer zijn huidige vorm.

In 1918 omvatte het domein 148 hectare In 1938 verschijnt er aan de noordoostelijke zijde van de dienstgebouwen voor het neerhof een aanbouw. Tevens wordt de noordoostelijke hoek van het neerhof dichtgebouwd. In 1983 tenslotte verdwijnen de twee overgebleven vijvers, de percelen 233 en 234, en krijgt de schuur van het neerhof een aanbouw ten noordoosten, een open houten berging (mutatieschets 1983, 5). Ten tijde van de bescherming werd de kasteelhoeve nog steeds als landbouwbedrijf uitgebaat. Deze functie is al aanwezig op de kadastrale legger van 1841. In 2002 werd de open loods voor het neerhof, die gebruikt werd als berging voor machinerie en stro, verbouwd en vergroot tot een ruimte voor fruitsortering en fruitstockering, met een tweede kleinere ruimte voor berging van materiaal, haaks op het dienstgebouw van ca. 1800, dit alles naar ontwerp van de architecten Jo Segers en M.B. Moermans (Hoeselt). Voor deze tweede ruimte werd een deel van het gebint van de voormalige open loods hergebruikt, alsook de pannen. Terzelfder tijd werd de open houten berging van 1983 vervangen door een grotere en hogere moderne open loods.

Beschrijving

De gebouwen liggen buiten de dorpskern, tussen de deelgemeenten Wintershoven, Kortessem en Vliermaalroot in. Het huidige complex heeft losstaande bestanddelen, met name neerhofgebouwen ten zuidoosten en een kasteel ten noordwesten, deels opgetrokken in de traditionele Maasstijl, met gebruik van bak-, mergel- en kalksteen.

Het neerhof bestaat uit U-vormig opgestelde gebouwen rond een groot deels gekasseid binnenplein: een poortgebouw ten zuidoosten en L-vormig aansluitende zuidoostelijke en zuidwestelijke stallingen, beide daterend uit de eerste helft van de 17de eeuw, met aanpassingen aan de vensteropeningen van de stallingen uit de 19de eeuw. Daar de zuidwestelijke stallingen verlaagd werden, werden de kloosterkozijnen daar aangepast en bovenaan gedicht. De langsschuur ten noordoosten dateert in kern mogelijk uit het vierde kwart van de 18de eeuw, met aanpassingen aan de muuropeningen uit de 19de eeuw.

Het in het verlengde liggende dienstgebouw (eertijds stallingen) voor het neerhof dateert van circa 1800 en de verbindende, eertijds open schob uit het begin van de 20ste eeuw, doch verbouwd en uitgebreid tot een gesloten ruimte voor fruitsortering in 2002. De bakstenen gebouwen hebben een mergelstenen afwerking, met name bij het poortgebouw, voor banden, hoekbanden, wapenschild, steigergaten, geprofileerde waterlijst, kroonlijst op gesculpteerde consoles en vensters; bij de stallingen zijn er slechts sporen van dito afwerking. Kalksteen werd ook gebruikt, met name voor poorten en rondboogdeur van het poortgebouw en enkele rondboogdeuren van de stallingen. Bij de ankers zijn er exemplaren met krullen, S- en kruisvormige. Tenzij anders vermeld zijn er overal zadeldaken (Vlaamse en mechanische pannen), ten zuidwesten en ten noordwesten afgewolfd bij de stallingen.

Ten zuidoosten bevindt zich de poortvleugel van één bouwlaag, gemarkeerd door de oprijzende poorttoren van twee en een halve bouwlaag, met duiventil, met maskers en allerhande bloemmotieven versierde consoles van de daklijst en een tentdak (leien), met dakkapel en -ruiter onder een klokvormige bedaking met leien, daterend uit de eerste helft van de 17de eeuw. De buitenzijde van de toren vertoont een verankerde korfboogpoort met negblokken en een recente geprofileerde druiplijst; verder twee gedichte kloosterkozijnen op de tweede bouwlaag, waartussen de wapens van Willem de Lamboy en diens echtgenote Sybilla van Bemelberg, bekroond door de keizerlijke dubbele adelaar; voorts twee rechthoekige muuropeningen op de bovenste bouwlaag. De erfzijde van de toren heeft een gelijkaardig uitzicht, weliswaar met grotendeels gedichte muuropeningen boven de poort. De buitenzijde van de vleugel heeft een paar keldervensters onder houten latei en enkele getraliede en gedichte vensters met negblokken; verder een gedichte deuropening en uiterst links twee rechthoekige poorten. Rechts bevindt zich een deel van een hoekband. De erfzijde vertoont twee houten kozijnen aan weerszij van de poort en een rondboogdeur rechts ervan, welke laatste via een houten bordestrap toegang geeft tot de hooizolders boven de stallingen met bewaard gebint, doch betonnen vloer. Meer ten zuidwesten zijn er: bakstenen steunberen en een, gecementeerde plint; rondbogige staldeuren, waarboven twee laadvensters; rechthoekige stalvensters onder houten lateien uit de 19de eeuw; enkele gedichte muuropeningen alsook sporen van mergelstenen banden en voormalige dito vensters met negblokken.

Ten noordwesten is er een recenter aanbouwsel uit het begin van de 20ste eeuw. Ten noordoosten van het binnenplein is er een langsschuur onder mank wolfsdak (Vlaamse pannen aan erfzijde, golfplaten achteraan), in kern mogelijk daterend uit het vierde kwart van de 18de eeuw; er zijn sporen van vakwerk met bakstenen vullingen in de zuidoostelijke zijgevel; de rechthoekige poort en deur onder houten lateien stammen uit de 19de eeuw. Aan de erfzijde sluit parallel aan deze schuur een aanbouwsel met dakschild ten noordwesten aan, dat van 1914 dateert. In het verlengde van de langsschuur ten zuidoosten was er tot voor kort een open schob uit het begin van de 20ste eeuw, verbouwd en uitgebreid tot een ruimte voor fruitsortering en –stockering in 2002. In het verlengde is er een klein dienstgebouw (eertijds stallingen) van circa 1800 en in 2002 aangepast en opgevoegd, met ten noordoosten een dwarse berging voor materiaal eveneens van 2002. Het klein dienstgebouw (eertijds stallingen) heeft een rond uilengat ten noordwesten, sporen van een mergelstenen hoekband en een zuidoostelijke zijpuntgevel in vakwerk.

Het kasteel is een complex van losstaande bestanddelen, gegroepeerd rondom een binnenplein: een tweede poortvleugel ten zuidoosten, geflankeerd door twee losstaande ronde torens, en een parallel klein gebouw ten noordwesten. Ten zuidoosten bevindt zich de poortvleugel van het kasteel, van twee bouwlagen, daterend uit de eerste helft van de 17de eeuw, volgens literatuurbronnen en confer de jaarsteen 1639. De baksteenbouw heeft een mergelstenen afwerking, met name voor banden, hoekbanden, wapensteenomlijsting, steigergaten, geprofileerde waterlijst en kroonlijst op gesculpteerde, deels decoratieve, deels figuratieve consoles, en verder een kalkstenen afwerking, met name voor korfboogpoorten en wapensteen. Er zijn krulankers. De voorzijde vertoont een verdiepte korfboogpoort, gevat in een rechthoekige omlijsting met negblokken, de bovenste met leeuwenkoppen in laagreliëf, en diamantkoppen onder een geprofileerde druiplijst. Op de tweede bouwlaag is een omlijste wapensteen van de familie de Lamboy-Bemelberg, onder meer omgeven door voluten, siervazen, engelenhoofdjes en een driehoekig fronton. Aan de achterzijde is er eveneens een korfboogpoort met negblokken; hier is een gelijkaardige afwerking als aan de voorzijde; één centraal kloosterkozijn werd vergroot tot een rechthoekig kruiskozijn (confer de bovendorpel) en er zijn twee flankerende gedichte kloosterkozijnen, met sluit- en aanzetsteen in de getoogde bovendorpel, op de tweede bouwlaag.

Ten noordoosten sluiten acht (voorgevel) en zes traveeën (achtergevel) van twee bouwlagen aan, samen met het poortgebouw onder een zadeldak (kunstleien), met dakschild ten zuidwesten, daterend uit de eerste helft van de 17de eeuw, met aanpassingen uit de tweede helft van de 17de eeuw (?) en uit de tweede helft van de 19de of het begin van de 20ste eeuw. De baksteenbouw heeft een mergelstenen afwerking, gelijkaardig aan die van het poortgebouw. Er is ook een kalkstenen afwerking, met name voor de keldergaten en de later ingevoegde kruiskozijnen (tweede helft van de 17de eeuw?) op de eerste bouwlaag van de voorgevel, voor de plint en de rondboogdeur met negblokken van de achtergevel. Krulankers komen voor. De zuidwestelijke zijgevel wordt gestut door bakstenen steunberen.

Er bevinden zich kloosterkozijnen met sluit- en aanzetsteen in de getoogde bovendorpel op de bovenverdieping, waarvan een aantal gedicht zijn en andere vergroot tot rechthoekige kruiskozijnen (confer de bovendorpels). Gezien de bouwnaad en de bakstenen kloosterkozijnen met mergelstenen tussendorpel op hardstenen lekdrempel, zijn de twee eerste traveeën van de achtergevel een aanpassing in vereenvoudigde stijl uit de tweede helft van de 19de of het begin van de 20ste eeuw.

Ten noordoosten sluit een bakstenen aanbouwsel van één bouwlaag aan, onder zadeldak (mechanische pannen), waarschijnlijk uit de tweede helft van de 19de eeuw met doorgetrokken achtergevel uit het begin van de 20ste eeuw, met voor- en achteraan een rechte muizentand met dropmotief. Hier bevindt zich tevens een kruiskozijn aan de voorzijde; een rondboogdeur en een getoogd venster aan de achterzijde. Ten zuidwesten van het poortgebouw zijn er schaarse resten van de linkervleugel, die op de mutatieschets van 1884 verdween.

De ronde bakstenen toren van één bouwlaag, onder achtzijdige spitse bedaking (kunstleien) bekroond met een smeedijzeren kruis, is het uiterste gedeelte van de verdwenen linkervleugel. Hij vertoont een kloosterkozijn met kalkstenen negblokken en sponningbeloop onderaan. Hij wordt verstevigd door metalen banden en heeft een recente metalen poort. Er is een gelijkaardige losstaande toren ten noordoosten, in het verlengde van de rechtervleugel, een tijd lang in gebruik als kapel en bakhuis (sporen van bakoven). Deze toren heeft een deels mergelstenen basement, een latere deur in een houten kozijn, S-vormige ankers, geprofileerde daklijstbalkjes, een peervormige bekroning met smeedijzeren kruis boven het zeszijdige dak en een stergewelf met ribben.

Beide torens vertonen bovendien mergel- en kalkstenen schietgaten of lichtgleuven. De voormalige hardstenen altaartafel, voorzien van kruisjes, ligt thans voor de achterdeur van de poortvleugel van het kasteel.

Interieur van de poortvleugel

Ten noordoosten bevindt zich in een kleine zitkamer van de poortvleugel een gedeelte van de ronde muur van de donjon van de oude burcht van 1264; bewaarde houten binnendeuren uit diverse perioden, onder andere uit de 18de eeuw met oren; eiken bordestrap met geprofileerde spijlen en balusters bovenaan; op de bovenverdieping een dito eenvoudiger trap naar de zolder met bewaard gebint; in de kamer rechts van de inkomhal: schouw van Maaslandse kalksteen met wildeman, wildevrouw, twee mensenhoofden onder Ionisch kapiteel als wangen en twee cartouches op de schouwbalk. De steentjes in de vloer van de stookplaats zijn gerecupereerd van elders in deze vleugel. De gewelfde kelder, met bak- en mergelstenen korfbogen waartussen sterk gedrukte bakstenen tongewelven, is te bereiken via de lagere noordoostelijke aanbouw, eertijds via de inkomhal.

Ten noordwesten bevindt zich, parallel met de poortvleugel en aan de overzijde van het binnenplein, een restant van het kasteel, heden bestaande uit vijf traveeën, met aangepast volume en bedaking (Vlaamse pannen), in kern daterend uit de eerste helft van de 17de eeuw. Op de Ferrariskaart (1771-77), op het primitief kadasterplan van 1841 en in de Atlas van de Buurtwegen (1844) is het gebouw alleszins langer aan beide zijden. Het betreft een baksteenbouw met mergelstenen afwerking, met name voor de rondbogen van de galerij op de begane grond, voor banden, bovenaan gedichte kruiskozijnen en een beeld van Sint-Pieter in hoogreliëf op de tweede bouwlaag. Kalksteen is aangewend voor de Toscaanse zuilen van de portiek. Er zijn deels meer uitgewerkte krulankers. De rondboogdeuren hebben 19de-eeuws houtwerk. Het volume is achteraan later uitgebouwd, voor voormalige varkensstal, thans schapenstal, met sporen van vakwerk.

Interieur van dit kasteelrestant: in de centrale ruimte, thans garage, bovenste deel van een geprofileerde korfboogvormige deuromlijsting, met flankerende consoles en cherubijntjes in de zwikken, architraaf en bekronend centraal wapenschild met vleugelstukken; in de ruimte links hiervan (tweede rondboog), bepleisterde schouwboezem met rococoversiering.

  • Archief van het Kadaster Hasselt, Mutatieschetsen 1851, 10; 1872, 3; 1884, 2; 1897, 2; 1914, 4; 1938, 3.
  • BOGAERTS D. e.a. 1986: Kortessem. 50 historische getuigen, Tongeren, 88-89, 93, ill.
  • BRUYNEEL P. 1986: Dorpsmonografie Guigoven-Wintershoven, onuitg. verhandeling, Hasselt, 8, 14, 26-27, 42-46 (afbn), 54, 55, 58.
  • CLAASEN A. 1970: Van mottoren tot kasteel, Tongeren, 78-79.
  • DIJN G. DE, Kunst en oudheden in Limburg. Monumentenroutes 1975, Hasselt, 1975, p. 46.
  • DIRIKEN P. 1984: Het Kortessems landschap in geografisch-historisch perspektief, Groenkontakt 10, s.l., 177, 179, afb. 2.
  • DIRIKEN P. 1997: Met het oog op Wintershoven, Georeto’s Cultuur-Toeristische Monografieën 1, Kortessem, 33-36.
  • DUSAR A. 1965: Het land van Loon. Het Kunstpatrimonium, De Tijdspiegel 20, s.l., 55.
  • EIJKHOUT P. 1982-1984-1987: Het Limburgs geslacht Lamboy, Nijmegen, 1982, p. 3; 2, Nijmegen, 1984, p. 9, 12, 22-24, 26, 59-62, 64-75, 78, 79, 82, 84, 88, 89, 97, 98, 106-109, 111, 114-116, 118-122, 132, 133, 142, 143, 145-148, 151, 154, ill. tegenover. p. 118; 3, Nijmegen, 1987, p. 4, 5, 7, 29, 33.
  • GENICOT L.F. (ed.) 1976: Het groot kastelenboek van België. Burchten en hoevekastelen, Brussel, 273.
  • GILISSEN J. 1994: Kortessem in oude prentkaarten 2. Zaltbommel, prentkaart nr. 11.
  • GOOSSENS E. s.d.: Postkaarten: Guigoven, Wintershoven, Gors-Opleeuw, onuitg. verhandeling, Hasselt, 13, 14, 17-20 (afb.), 22, 23.
  • MACHIELS L. 1985: Het gehucht Mersenhoven, Guigoven-Kortessem, 1, 7, 8, 22, 26, 28, 31, 32, 77, 88, 101.
  • PAQUAY J. 1932: Wintershoven. Geschiedkundige schets, Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundigen Studiekring te Hasselt 8, s.l., 62, 63, 64, 65-66.
  • PAUWELS D. & SCHLUSMANS F. 1999: Bouwen door de eeuwen heen. Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Deel 14n 4. Provincie Limburg. Arrondissement Tongeren. Kanton Borgloon, Turnhout, 445-448, Pl. VIII en fign 274-275.
  • RASKIN L. 1971: Inventaris van de Limburgse kastelen, De tijdspiegel 26.3, s.l., 46, afb.
  • REYDAMS A. 1902: Une curieuse publication de vente en 1686. Baronnie de Cortessem - Seigneurie de Wintershoven - Château de Desseneer, L'ancien Pays de Looz 6, s.l., 54.
  • S.N. 1901: Desseneer, Bulletin de la Société scientifique et littéraire du Limbourg 19, s.l., 170.
  • S.N. 1951: Limburgs Haspengouw. Bundel studiën uitgegeven bij gelegenheid van de honderdste verjaring der stichting van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap te Tongeren, Hasselt, 310.
  • S.N. 1960: Bondige inventaris der kunstvoorwerpen van het arrondissement Tongeren, Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen 11, 1960, 306.
  • SAUMERY P.L. 1744: Les délices du païs de Liège ou description géographique, topographique et chorographique des monuments sacrés et profanes de cet évêché-principauté et de ses limites 4, Luik, 284.
  • TIMMERS J.J.M. 1987: Kruisvensters en cymbalen. Renaissance in het Maasland, Heerlen, 40-43, afbn.
  • VANAUDENAERDE J. 1997: Kortessem, historisch perspectief, 3. Wintershoven-dorp, Kortessem, 40, 41, 45, 46-47.

Bron: Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier DL002517, Kortessem (Wintershoven): Kasteel en hoeve Dessener, Hoeve Schoenwinckel

Datum tekst: 2008

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Stationsstraat

Stationsstraat (Kortessem)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.