is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteeldomein van Beervelde
Deze vaststelling is geldig sinds
is aangeduid als beschermd monument Kasteeldomein van Beervelde
Deze bescherming is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteeldomein van Beervelde
Deze vaststelling was geldig van tot
In de buurt van Lochristi ligt het kasteeldomein van Beervelde. Het domein wordt in het noorden door de spoorlijn begrensd, in het zuiden door het dorp Beervelde, in het oosten door de Beerveldse Baan en in het westen grenst het domein aan akkers.
Onder het Ancien Regime was Beervelde een wijk in de heerlijkheid Destelbergen. De Gentse Sint-Pietersabdij was eigenaar van de heerlijkheid en de abt wereldlijke heer van Destelbergen. De abdij had bepaalde rechten op de gronden die ze niet in volledige eigendom had. In de boekhouding van de abdij kan zo de eigendomsgeschiedenis van het domein gereconstrueerd worden vanaf 1500. Een deel van het huidige park beslaat het ‘Goed bij de Kapel’. Volgens oude geschriften lag het ‘Goed bij de Kapel’ ongeveer rond de omwalde motte met opperhof en neerhof met een eikendreef. Het domein werd toen begrensd door de Lede in het noorden en het dorp Beervelde in het zuiden. Als oostgrens van het goed wordt in 1799 de inmiddels verdwenen abelendreef genoemd die nagenoeg evenwijdig met, maar een 130 meter meer naar het oosten liep van de huidige Beerveldse Baan. Op de figuratieve kaart van Lochristi, Overmere en Destelbergen uit 1583 wordt een omwalde herenwoning, eigendom van Philips de Gruutere, aan het einde van de dreef afgebeeld. De in de 17de en 18de eeuw met eiken beplante dreef in het verlengde van de Kasteelstraat is dan ook het oudst bewaard landschappelijk element van het domein. In 1650 werd beslag gelegd op het goed, de omwalde motte met opperhof, neerhof en dreef, en alle bijhorende, meest verpachte gronden omdat de heer zijn leningen niet betaalde. Het domein veranderde verschillende malen van eigenaar en lag er steeds bouwvalliger bij.
Op de Ferrariskaart (ca. 1775) wordt het omwalde landhuis bij de kapel van Beervelde ‘Chateau Hooghof’ genoemd. Mogelijks heeft de karteerder de naam van het opperhof aan het domein gegeven en is dit dus een foute benaming. In geen enkel ander document van die tijd komt die naam terug. Het domein werd gewoonlijk als ‘het Goed bij de Kapel’ of later als ‘Oud Beirvelde’ en ‘Kasteel Oud-Beirvelde’ aangeduid.
In de 19de eeuw beschreven als een vervallen en onbewoonde buitenplaats waar de Gentse familie de Loose een oranjerie bezat die een kostbare verzameling planten bevatte. Door huwelijk ging het kasteelgoed eerst van de Loose over in handen van de familie de Limon en nadien, eveneens door huwelijk, werd het goed eigendom van de adellijke familie de Kerchove de Denterghem.
De opeenvolgende generaties van deze familie lieten zich opmerken door hun politieke loopbaan onder meer als burgemeester van Gent en door hun hofbouwkundige belangstelling, kennis en initiatieven. Charles de Kerchove was voorzitter van de Koninklijke vereniging voor land- en tuinbouwkunde van Gent en organisator van de Gentse Floraliën en zijn zoon Oswald (1844-1906) schreef verschillende boeken en artikels over planten. De grote hoeveelheid serres, de bouw van een orangerie voor de niet-winterharde planten zoals citrusbomen, laurierbomen en een collectie azalea-indica’s en de organisatie van plantententoonstellingen in deze ruimte , doen vermoeden dat de familie het domein ook als visitekaartje voor de toen nog prille Gentse tuinbouw gebruikte.
De topografische kaart van 1869 geeft nog de situatie kort voor heraanleg en uitbreiding van het park weer. Het goed was bereikbaar via de dreef vanuit het dorpscentrum. De gebouwen op het omgrachte neerhof zijn gesloopt en vervangen door een tuin. Het omwalde opperhof, bestaande uit twee vrijstaande gebouwen, was nog wel aanwezig. Aansluitend ten noorden lagen twee grote omgrachte rechthoekige percelen bos. De nieuwe Beerveldse baan vormt op dat moment al de oostgrens van het kasteeldomein.
Graaf Charles de Kerchove de Denterghem liet in 1870-1873 naar ontwerp van architect Théophile Bureau het oude kasteel slopen, de walgrachten dempen en ten westen ervan een nieuw kasteel bouwen. Het groots opgevatte bak- en natuurstenen kasteel was opgetrokken in eclectische stijl met gotische inslag en bezat vorstelijke allures onder meer door de torens en het terras met toegangstrappen. Bureau ontwierp ook de belvédère met pergola, de ijskelder, de ommuurde moestuinen met bijbehorende serres en de vijf tuinbruggen in het park. De zorgvuldige vormgeving van deze utilitaire bijgebouwen maakt duidelijk dat zij naast hun nutsfunctie ook een belangrijke rol als folly binnen het parkontwerp vervulden. Deze pastorale idylle werd nog versterkt door de rondom het meer grazende koeien begeleid door een herder.
De opdracht voor het parkontwerp werd aan de Brusselse landschapsarchitect van Duitse origine Louis Fuchs gegund. Fuchs' parkontwerp uit 1873 is een voorbeeld van een 19de-eeuwse park in gemengde stijl, de onmiddellijke omgeving van het kasteel kreeg een aanleg in formele stijl, de rest van het park werd in landschappelijke stijl uitgevoerd. Hierbij werden de grachten tot een "rivier" vergraven en werd een uitgebreid bochtend padennetwerk aangelegd.
In de jaren 1930 werd de binnenkoer bij het koetshuis heringericht met een vijver, naar ontwerp van de Brusselse landschapsarchitect Jules Buyssens.
Omwille van de oorlogsschade en het te grote bouwvolume werd het kasteel circa 1946 gesloopt gevolgd door de bouw circa 1950 van een gewitte villa naar ontwerp van architect Pierre Agie de Selsaeten. De villa werd opgetrokken op de grondvesten van het kasteel met behoud van het oude souterrain, de toegangstrappen en de terrassen.
In 1966 vatte graaf Charles de Kerchove de Denterghem het plan op om de oude keldergangen van het kasteel in te richten als recreatieruimte voor zijn zonen en gaf hij aan kunstschilder Roger Raveel de opdracht voornoemde ruimte met muurschilderingen te decoreren. Raveel deed een beroep op de medewerking van drie jongere maar schilderkunstig aan hem verwante kunstenaars, namelijk de Vlamingen Raoul De Keyser en Etienne Elias en de Nederlander Reinier Lucassen. De keldergangen omvatten een inkomhal, een tussenkamertje, een trapruimte, twee korte smalle gangen en een langere en bredere gang of de doodlopende hoofdgang. Enerzijds werd de bestaande ruimte door het invoegen van enkele nieuwe wanden getransformeerd maar anderzijds werd besloten aanwezige elementen zoals deuren, stopcontacten, buizen en zelfs schaduwen te integreren in het project. Picturale middelen eigen aan Raveels "Nieuwe Visie" zoals het aanbrengen van reële voorwerpen, spiegels, het schilderen van trompe-l'oeil effecten, abstracties en zijn voorkeur voor de alledaagse werkelijkheid vinden hier volop toepassing. Dit internationaal befaamd collectief kunstwerk wordt beschouwd als een unieke realisatie wet betreft samenwerking van diverse hedendaagse kunstenaars. De meest vermeldenswaardige grote onderdelen van de schilderingen zijn: de inkomhal met het levensgroot portret van de grafelijke familie; de trapruimte met onder de trap een badruimte geschilderd door Elias verwijzend naar het vele sanitair in het kasteel; het tussenkamertje met de zelfportretten van de vier kunstenaars en het opschrift "In september-oktober 1966 en in het voorjaar 1967 werden in opdracht van graaf Charles de Kerchove de Denterghem deze gangen tot kunstwerk gemaakt door Roger Raveel met medewerking van Raoul De Keyser, Elias, Lucassen."; de hoofdgang met een moderne versie van "Het Lam Gods".
Gewitte villa naar ontwerp van architect Pierre Agie de Selsaeten op de grondvesten van het kasteel met behoud van het oude souterrain, de toegangstrappen en de terrassen. Soutterain voorzien van muurschilderingen van Roger Raveel, Raoul De Keyser, Etienne Elias en Reinier Lucassen.
De twee aan de straat gebouwde voormalige portierswoningen zijn ingeplant aan weerszijden van het gebogen gekasseid voorpleintje dat de toegangsdreef voorafgaat. Een gebogen ijzeren hek met centrale toegang tussen gekoppelde bak- en natuurstenen hekpijlers sluit het pleintje deels af. De twee verschillend uitgewerkte bak- en natuurstenen hoekhuizen met eclectische inslag, werden tegelijkertijd met het kasteel van Charles de Kerchove de Denterghem in 1870-1873 gebouwd. Nummer 71 van twee bouwlagen met links aansluitende gekanteelde gevelpoort. Twee puntgevels onder dakoverstek met decoratief uitgesneden houten windborden en ijzeren topbekroning. Voorts opvallende ronde uitkragende hoektoren en verzorgde rechthoekige houten erker op houten schoren. Nummer 77 met één bouwlaag en eveneens met puntgevels. Donjonachtige aansluitende torengeleding met uitkragende consolenrij onder de daklijst, voorheen met leien torenspits, heden plat dak. Gesculpteerde gevelsteen met wapenschild van de familie de Limon en de Kerchove de Denterghem boven de deur. Erkervormig uitgebouwd benedenvenster aan de straatkant.
Het aan de westrand van het kasteelpark, op het eind van de Toverstraat ingeplante U-vormig complex bevat een voormalige modelhoeve met personeelswoning, paardenstallen, koestallen, koetshuizen, zogenaamd "Le Taudis". Architecturaal zeer verzorgd en opvallend ensemble in bak- en natuursteen met monumentale allure, in neotraditionele stijl met gotische inslag en refererend aan de middeleeuwse stadsversterkingen. L-vormig woongedeelte van twee bouwlagen, gedateerd 1873 op een gevelsteen in een muurdam onder een schoorsteen van de noordkant. Leien zadeldaken tussen deels getrapte puntgevels met topbekroning. Puntvormige houten dakkapellen met overstekende uitgesneden top met drielobmotief. Gebogen en rechthoekige vensters evenals de dakkapellen voorzien van glas-in-loodramen. Eveneens verzorgd smeedijzeren beslagwerk en hengsels voor de geel en bruin gestreepte deuren en poorten. Centraal poortgebouw in de oostvleugel met overwelfde gebogen doorrit (twee kruisribgewelven op zes halfzuilen met gesculpteerd knoppenkapiteel). Gekanteelde daklijst met uitkragende ronde hoektorentjes en een conisch versmallende spits bekroond door een ijzeren vorsthek. Voorts een portiek met terras onder loggia met houten leuning in de voorgevel. Noordvleugel gemarkeerd door een achtkantige traptoren met spits voorzien van lantaarn. Paardenstallen met bewaarde hooischelven en houten hokindeling. Troggewelven in de koestallen met ijzeren liggers op ijzeren zuilen voorzien van decoratief uitgewerkte kapitelen. Westelijke erfzijde afgesloten door ijzeren hek tussen begroeide muren.
Ten westen van het koetshuis bevindt zich de langs drie zijden ommuurde moestuin met ijzeren toegangshek aan bak- en natuurstenen hekpijlers. Deels bewaarde serres tegen de moestuinmuur evenals een bakstenen stookhuisje onder flauw hellend zinken zadeldak met ronde bakstenen schoorsteenpijp. Voorgevel in vakwerkbouw met centrale vleugeldeur geflankeerd door twee spievensters.
In de noordwest-hoek van het kasteelpark op een heuveltje achter de grote vijver staat een achthoekig bak- en natuurstenen tuinpaviljoen van circa 1873 met aansluitend terras midden op een lange gebogen pergola. Vroeger aan de vijveroever voorzien van een aanlegsteiger. Neoclassicistisch paviljoentje met pilastergeleding en omlopend gekornist hoofdgestel met attieklijstje. Twee rondboogdeuren en -vensters met booglijsten en groengeverfd houtwerk. Leien koepeldak met verhoogde top rondom versierd met guirlandes en rozetten. Twee voormalige kippenstallen en een bijenhal dateren vermoedelijk eveneens uit 1873.
Ongeveer halverwege het oostelijke deel van het park bewaarde ijskelder met gedeeltelijk uitgegraven eivormig gewelf, verdwenen sluisdeuren in de gang. Grotvormig uitgewerkte toegang verstevigd door boomstammen met imitatierotsstructuur tegen de bakstenen voorgevel.
Bij de vijver zijn over de aansluitende grachten vijf bruggen voorzien. Deze tuinbruggen zijn opgebouwd uit gemetste bruggenhoofden en ijzeren brugbogen en -leuningen met verschillende decoratieve motieven. Eén brug heeft eveneens een ijzeren brugdek. De door Fuchs ontworpen padenstructuur bleef bewaard.
Het park van Beervelde vertegenwoordigt in het omvangrijke en kwalitatief hoogstaand oeuvre van Louis Fuchs een hoogtepunt. Het circa 20 hectare grote park van Beervelde is aangelegd in landschappelijke stijl met enkele sublieme vergezichten. Vanuit de villa en het koetshuis vertrekken de belangrijkste zichtassen, vanaf de brug, de pergola en belvédère vertrekken secundaire zichtassen die bepaalde elementen in het landschap extra accentueren. Deze perspectiefwerking in combinatie met strategisch geplaatste bomengroepen en solitairen geeft de bezoeker de indruk dat het park groter is dan in werkelijkheid. Ook de tot een onregelmatig kronkelende “eindeloze” rivier getransformeerde grachten dragen bij aan deze illusie.
De door bruine beuken omzoomde toegangsdreef leidt de bezoeker het park in. Bij de nieuwe aanleg in 1873 behield Fuchs de toen aanwezige olmen van de dreef, die rond 1930 door de huidige bruine beuken vervangen werden. Van de vroegere formele parterretuin ten zuiden van het kasteel rest nog de algemene vorm met klassieke halfcirkelvormige beëindiging, afgeboord met jonge leilinden.
In de keuze van de beplanting volgde Fuchs het model van de gebroeders Bühler uit de Elzas. Beeldbepalende boomgroepen zijn samengesteld uit één soort, voor de schermbomen is een gemengde en qua bladkleur gevarieerde selectie toegepast en voor de positiebomen viel de keuze op naaldhoutsoorten. Naast de Libanonceder bleven nog enkele zilveresdoorns (Acer saccharinum) uit de aanlegperiode van Fuchs bewaard. In het park komt ook nog wortelopslag van iep voor. Bewaarde boomgaard.
Auteurs: Michiels, Marijke
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)