erfgoedobject

Paleis Margareta van York

bouwkundig element
ID
3467
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/3467

Juridische gevolgen

Beschrijving

Op de plek van de Mechelse Stadsschouwburg stond in de middeleeuwen het Hof van Kamerijk. Dit pand werd vanaf 1477 door Margareta van York uitgebouwd tot haar stadspaleis. Het huidige gebouw in bak- en zandsteenstijl langs de Keizerstraat gaat terug tot een grote ontvangstzaal die omstreeks 1480-1482 onder leiding van Antoon I Keldermans en Jan de Vleeschouwer werd gebouwd. Het is slechts een klein restant van het oorspronkelijke, veel grootschaligere complex. Achter de straatvleugel is nog een kapel bewaard, die in 1633 werd gebouwd toen de site in handen was van de jezuïeten. Aan de straat bevindt zich ten westen een deel van een barokke omheiningsmuur met de vroegere toegang tot het jezuïetenklooster. In het laatste kwart van de 19de eeuw en vroege 20ste eeuw onderging het gebouw aanpassingswerken in functie van de Stadsschouwburg die er tot vandaag in gevestigd is.

Historiek

Een Bourgondisch-Habsburgs stadspaleis

Het Hof van Kamerijk verwijst in haar historische naam naar de eerste gekende eigenaar van het pand, Jan van Bourgondië (circa 1418-1479/80). Hij was een buitenechtelijke zoon van de Bourgondische hertog Jan zonder Vrees en was van 1440 tot aan zijn dood bisschop van Kamerijk. Mechelen maakte deel uit van het bisdom van Kamerijk, nu Cambrai in Noord-Frankrijk. In 1477 werd het pand gekocht door Margareta van York, zus van de Engelse koningen Edward IV en Richard III. Zij koos Mechelen als vaste residentie na het overlijden van haar echtgenoot Karel de Stoute. Behalve het hof zelf kocht ze acht aanpalende woningen. Met financiële middelen van de stad Mechelen werd een grootschalig stadspaleis gebouwd, deels in de bestaande gebouwen of op de grondvesten ervan. Aan de Keizerstraat werd een grote ontvangstzaal gebouwd tussen 1480-1482 onder leiding van Antoon I Keldermans en Jan de Vleeschouwer, en voorzien van glasramen door Wouter van Battele. Deze zaal stemt overeen met het huidige straatvolume vanaf het achthoekige traptorentje tot de oostelijke hoek van het gebouw. De zaal werd niet enkel gebruikt voor officiële, politieke plechtigheden, maar werd ook benut voor publieke en culturele evenementen. Zo was er ruimte voor muziek en voor opvoeringen van de Mechelse rederijkerskamers.

In 1486 kocht de stad Mechelen het hof van Margareta van York over om het te schenken aan Maximiliaan I van Oostenrijk en zijn zoon, de toen achtjarige Filips de Schone. Filips verbleef sinds 1485 aan het Mechelse hof onder de hoede van Margareta. Ook ontfermde ze zich vanaf 1493 over Filips’ zus, haar metekind Margareta van Oostenrijk. Toen Filips in 1496 huwde met Johanna van Castilië verbleven ze nog steeds aan het hof in Mechelen als ze niet in Spanje waren. Ze lieten vanaf 1501 drie van hun kinderen over aan de zorg van hun stiefovergrootmoeder, namelijk Eleonora, Karel (de latere Keizer Karel V) en Isabella; later kwam ook Maria naar Mechelen. Margareta van York woonde van 1497 tot aan haar dood in 1503 niet zelf in het hof, maar aan de overzijde van de straat. Margareta van Oostenrijk zou na haar overlijden en na de dood van haar broer Filips in 1506 de zorg over de kinderen overnemen. Ze verbleef ook nog enige tijd aan het hof totdat ze in 1509 verhuisde naar het afgewerkte deel van haar stadspaleis aan de overzijde van de straat, dat in kern teruggaat tot het huis waar Margareta van York verbleef. Het hofleven verspreidde zich zo over de twee stadspaleizen, waarbij het Paleis van Margareta van York werd bewoond door troonopvolgers, prinsen, prinsessen en jonge edellieden met een volledige huishouding. Hierdoor kreeg het gebouw soms de naam “Prinsenhof” of “Keizershof”.

Tussen 1486 en 1516 gebeurden volgens de stadsrekeningen verfraaiings- en vergrotingswerken aan het stadspaleis, onder andere door de familie Keldermans en Bouwen Van De Wyet bracht muurschilderingen aan. Van deze bouwfase zijn geen concrete elementen bewaard. Op basis van tekeningen en plannen, zoals van Jan Baptist De Noter (1530) en Jan Van Hanswijck (1576), is het mogelijk een beeld te vormen van het grootschalige, oorspronkelijke complex dat tot aan de Blokstraat reikte. Langs de Keizerstraat bevond zich rechts van het bewaarde 15de-eeuwse deel nog een uitgebreid gebouwenbestand, waaronder een volume met een hooggotische topgevel, en achterin gelegen een gotische toren.

Tot een jezuïetenklooster in de 17de eeuw

Toen Margareta van Oostenrijk overleed in 1530, werd Maria van Hongarije regentes van de Nederlanden. Zij verhuisde het hof van Mechelen naar Brussel, waardoor een einde kwam aan de glorierijke bloeiperiode van de twee tegenoverliggende stadspaleizen. Het Paleis van Margareta van York werd later in de 16de eeuw de verblijfplaats van jurist Charles de Mouchet. In het laatste kwart van die eeuw vestigden de begijnen zich tijdelijk in het pand.

Begin 17de eeuw was het hof eigendom van aartshertogen Albrecht en Isabella. Ze schonken het in 1611 aan de jezuïeten om er een klooster en college in onder te brengen. Al in 1618 bouwden de paters de ontvangstzaal van Margareta van York om tot een toneelzaal voor de leerlingen met een toneelpodium en balkon voor toeschouwers. De toenmalige zaal van zo’n 360 m2 komt quasi overeen met de huidige omvang van de toneelzaal. In 1633 bouwden de jezuïeten achteraan, parallel met de toneelzaal, een kapel gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen ter vervanging van een oudere kapel van het complex. Vanaf 1678 werd de kapel toevertrouwd aan de Latijnse Sodaliteit en is ze gekend als Sodaliteitskapel. Ten westen van het voormalige stadspaleis werd omstreeks 1670 een rij huisjes gesloopt voor de bouw van een kerk gewijd aan jezuïetenheilige Franciscus Xaverius, de latere parochiekerk Sint-Pieter en Sint-Paulus. Tussen het stadspaleis en de kerk werd een omheiningsmuur gebouwd van vier traveeën met toegangspoort in een barokke omlijsting. Een gravure in Sanderus' "Chorographia sacra Brabantiae" (1727) toont de omvang van de site, die zich dan uitstrekte van de Blokstraat tot de Zwartzustersvest.

Van een plek voor kunst en cultuur tot Stadsschouwburg

De site bleef in handen van de jezuïeten tot opheffing van de orde in 1773. De toneelzaal en de Sodaliteitskapel werden vanaf 1775-1777 ter beschikking gesteld van de nieuw opgericht Academie voor Beeldende Kunsten. Wegens de slechte staat van de toneelzaal gebeurden instandhoudingswerken door de stad Mechelen, waaronder een vernieuwing van het dak (1777). De hoge binnenruimte van de kapel werd in functie van de academie in 1785 horizontaal in twee gedeeld met een tussenvloer. Deze ruimtes zouden bij de theaterzaal worden betrokken, namelijk met een vestiaire beneden en een verbruikszaal of foyer boven. De toneelzaal werd als “théâtre de l’academie” gebruikt en verhuurd aan toneelgezelschappen als bron van inkomsten. De zaal kreeg een nieuwe decoratieve afwerking door de oprichter van de academie, Willem Herreyns. Het schilderwerk werd uitgevoerd door P.A. Verhulst. Na het vertrek van de academie in 1811 bleef de zaal in gebruik als schouwburg. In 1829 werden herstellingen en verbeteringen uitgevoerd aan de ingang en de theaterzaal. In 1859 volgden restauratie- en schilderwerken na schade door een gaslek.

De voormalige jezuïetensite werd in de vroege 19de eeuw grotendeels gesloopt, op de ingangspoort, toneelzaal, kapel en kerk na. Het primitief kadasterplan (1824) toont grotendeels onbebouwde gronden ten noorden en oosten van de kerk en de kern van het voormalige stadspaleis. Ten oosten langs de Keizerstraat bevond zich een herenhuis, dat vanaf het midden van de 19de eeuw plaatsmaakte voor de uitbouw van het Stedelijk Onze-Lieve-Vrouweziekenhuis.

Het voormalige stadspaleis werd in 1869 kosteloos ter beschikking gesteld voor het Nationaal Toneel en werd in 1876 definitief de Stadsschouwburg van Mechelen. Vanaf 1872 werden onder leiding van stadsarchitect Victor Louckx aanpassingen en verbouwingen doorgevoerd. De belangrijkste restauratiefase gebeurde onder Louckx omstreeks 1892-1893. Het pand werd historiserend, naar een vermeende oorspronkelijke staat teruggebracht: de voorgevel werd vervolledigd met kruiskozijnen en dakvensters en aan de rechtse zijgevel werden trapgevels toegevoegd. Ook het interieur kreeg een opknapbeurt.

De bouwfase die bepalend was voor het huidige exterieur en interieur gaat terug tot 1917-1919. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd een deel van de voorgevel en binneninrichting immers vernield door een bomexplosie. Het interieur werd opnieuw ingericht in neorégence en neorococo. In 1925 gebeurden aanpassingen aan het gedeelte ten westen van de toren in functie van circulatie. Hiervoor werden tal van ontwerpen gemaakt. Een deel van de barokke omheiningsmuur verdween in functie van een tweelaags volume onder een plat dak, met beneden een tudorvormige poort en een blinde bovenverdieping. In 1930 werden in de foyer door leerlingen van Gustave van de Woestijne (directeur van de Mechelse academie) vier muurschilderijen aangebracht. De schilderingen zijn gesigneerd door Karel van Vlasselaer, Gerard Reusens, Paul Van Horenbeeck en Jan Imberechts.

Door veiligheidsredenen sloot de schouwburg de deuren in 1981. Na jarenlange leegstand volgde tussen 1998 en 2000 de restauratie naar ontwerp van ingenieur-architect Gust Van Thillo. De schouwburg werd opnieuw ingehuldigd in april 2000. De buitengevels werden gereinigd en gerestaureerd. Ook de kenmerkende aankleding van de schouwburg en de indeling bleven bij deze werken bewaard. Er gebeurden wel enkele ingrepen, zoals een herziening van de circulatie en de bouw van een nieuwe inkomhal en accomodatieblok. De trekkenwand, verlichting en installatie van de toneelzaal werden toen helemaal vernieuwd. De historische decors verhuisden naar een depot. Er was ook een verbreding nodig van de toneelboog, die gepaard ging met een aanpassing door kunstenaar Jean-Paul Laenen. De stoelen in de zaal werden vernieuwd en later werden ook de vloeren van de scène en zijlokalen vervangen (2016). In 2015 vonden instandhoudingswerken plaats aan de marmermozaïekvloer van de vestibule en de foyer.

Beschrijving

De huidige Stadsschouwburg bestaat uit het voormalige stadspaleis van Margareta van York, een omheiningsmuur aan de straat met de oorspronkelijke toegang tot het jezuïetenklooster en achterliggend de kapel van de jezuïeten.

Voormalig stadspaleis van Margareta van York

De kern van het gebouw gaat terug tot de ontvangstzaal van Margareta van York, gebouwd in Brabantse gotiek omstreeks 1480-1482 onder leiding van Antoon I Keldermans en Jan de Vleeschouwer. Het betreft een volume van tien traveeën breed en twee bouwlagen hoog onder een zadeldak met natuurleien. Ten westen wordt het volume gemarkeerd door een traptoren onder een piramidale bekroning. Het verankerde parement is opgebouwd uit kalkzandsteen en wordt horizontaal geleed door middel van een puilijst. De straatgevel wordt geopend met kloosterkozijnen. Zowel de deuren in de vierde en negende travee, de kruisvensters als de vier getrapte dakvensters gaan terug tot de historiserende restauratie op het einde van de 19de eeuw. De toren bestaat uit drie geledingen, onderverdeeld door waterlijsten, en is geopend met kleine getraliede vensters. Eind 19de eeuw werd het rechthoekige toegangsdeurtje toegevoegd met daarboven een gevelsteen met wapenschilden: "Margareta van York. weduwe van Karel den Stoute. richtte in 1480 dit gebouw op. Philip de Schoone verbleef er 10 jaren. Keizer Karel en zijne zusters Eleonora, Isabella en Maria werden er opgevoed. 't Stadsbestuur herstelde het in 1893".

De westelijke zijgevel van het oorspronkelijke volume gaat vandaag schuil achter een 20ste-eeuwse aanbouw. Deze is voorzien van twee getrapte topgevels. Aan de oostzijde toont de zijgevel een samenstel van drie trapgevels in baksteen en natuursteen voor negblokken en speklagen. De gevel bewaart nog oudere bouwsporen, maar onderging grondige aanpassingen tijdens de restauratie in de late 19de eeuw, waaronder de twee linkse trapgevels. Ook het buitenschrijnwerk gaat hoofdzakelijk tot dan terug. Aan de noordoostzijde sluit een betonnen nieuwbouw aan uit 2000 (geen erfgoedwaarde).

Omheiningsmuur en toegang tot de stadsschouwburg

Ten westen van de traptoren werd in de 17de eeuw een omheiningsmuur gebouwd, die aansloot bij de kerk en de toegang tot het jezuïetenklooster bevatte. Deze zandstenen afsluitingsmuur van oorspronkelijk vier, nu twee traveeën is geritmeerd door vlakke pilasters. Het rechthoekige linkervenster is gedicht en gevat in een arduinen geriemde omlijsting met oren en neuten. De barokke korfboogpoort dateert uit de tweede helft van de 17de eeuw: geringde arduinen omlijsting op neuten, voorzien van sluitsteen en geprofileerde booglijst op voluten. Sinds 2000 is in de poortopening een metalen rooster geplaatst en werd de achterliggende open ruimte gekasseid. Daarachter bevindt zich een recent, beglaasd inkomvolume zonder erfgoedwaarde.

De twee rechtertraveeën werden omstreeks 1925 vervangen door een poorttravee als ingang tot de Stadsschouwburg en dus intern deel uitmakend van het voormalige stadspaleis. Dit betreft een volume van twee bouwlagen onder een plat dak. De brede travee aan de straatzijde is afgewerkt met natuursteen en voorzien van een tudorboogvormige ingangspoort op de begane grond. De bovenverdieping is blind. De bakstenen zijgevel is drie traveeën breed, bovenaan voorzien van getoogde vensters in een vlakke omlijsting en afgelijnd met getrapte druiplijsten.

Voormalige kapel Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen

Ten noorden van het voormalige stadspaleis werd omstreeks 1633 een kapel gebouwd ter ere van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen, later zogenaamd de Sodaliteitskapel. Sobere eenbeukige kapel in traditionele bak- en zandsteenstijl onder zadeldak (nok parallel aan de straat, leien). Aan de westzijde, voortuitgevel met aandak, twee traveeën en aangepaste getoogde vensters met gedeeltelijk behouden dagkanten, en een oculus in de top. De begane grond is voorzien van een rondboogdeur in vlakke beschilderde omlijsting, met kwarthol beloop, imposten en sluitsteen. Houten deur en bovenlicht met initialen, vermoedelijk MAR of MR, tussen gesculpteerd rankwerk onder kroon. De zichtbare, noordelijke zijgevel van de kapel omvat vijf traveeën, geritmeerd door steunberen waartussen getoogde vensters.

Interieur

In het interieur resten slechts weinig bouwsporen van de 15de-eeuwse kern van het stadspaleis. De natuurstenen spiltrap in de traptoren gaat wel tot die kern terug. Mogelijk is de dakconstructie ook nog gedeeltelijk origineel. In de kapel dateren nog enkel twee barokke deuromlijstingen in de vestiaire uit de tijd van de jezuïeten.

De huidige interieurafwerking van de stadsschouwburg gaat vooral terug tot de bouwfase van omstreeks 1917-1919. De schouwburgzaal, vestibule, vestiaire en foyer kregen toen een nieuwe aankleding in neorégence en neorococo. Dit ging van muren, plafonds, vloeren, inrichting, meubilair tot binnen- en buitenschrijnwerk. De schouwburgzaal heeft een rechthoekige plattegrond met beneden een parterre met omlopende wandelgang en een balkon met een middenpartij met rijen klimmende zitplaatsen en loges links en rechts. De balkonleuningen zijn verrijkt door sierlijk neorococostucwerk met schelp- en rocaillemotieven. Een gelijkaardige stucversiering is voorzien op het plafond. De vestibule, vestiaire en foyer bewaren waardevolle vloeren in marmermozaïek en granito, en wanden en plafonds afgewerkt met stucwerk. De houten kaartjesbalie en toonbank van de vestiaire bleven bewaard. Een marmeren trap met sierlijke ijzeren leuning verbindt de gelijkvloerse vestiaire met de foyer op de bovenverdieping van de voormalige kapel. De foyer toont het tongewelf van de kapel en heeft muurpanelen met rocaillestucversiering. Op de zuidelijke wand zijn in verdiepte nissen vier muurschilderingen uit 1930 bewaard. De schilderingen van Karel van Vlasselaer, Gerard Reusens, Paul Van Horenbeeck en Jan Imberechts beelden telkens een grote menselijke figuur uit in een theatrale, waardige pose met attributen die verwijzen naar het theater.

  • DE BELDER H. 2000: Het feest gaat door: de wedergeboorte van de stadsschouwburg in het Paleis van Margareta van York te Mechelen, Mechelen.
  • MAREEL S. (ed.) 2021: Kinderen van de renaissance: kunst en opvoeding aan het Habsburgse hof (1480-1530), Tielt.

Auteurs: Verhelst, Julie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties


Waarnemingen


Je kan deze pagina citeren als: INVENTARIS ONROEREND ERFGOED 2026: Paleis Margareta van York [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/3467 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.