Brouwerswoning met tuin ()

Brouwerswoning gevormd door een herenhuis dat zijn huidige vorm kreeg in de 19de-eeuw - op basis van een oudere 17de-eeuwse kern -, toen het deel uitmaakte van een groter complex, waaraan ook bedrijfsgebouwen gekoppeld waren.

Historiek

De oudst bekende kadastrale toestand (1829-1845) toont het pand als een blokvormige constructie rond een binnenhof, bestaande uit een hoofdgebouw op de straathoek Ridderstraat-Repenstraat en twee bijgebouwen, waarvan er eentje in de Repenstraat uitkwam en een afzonderlijke entiteit vormde. De verschillende eenheden stonden door middel van smalle constructies met elkaar in verbinding. Achter het geheel strekte zich een grote tuin uit.

De eerst geciteerde eigenaar van dit imposante geheel was brouwer Pieter Ludovicus Arkens, wiens brouwerij zich in de Repenstraat bevond, en wel in de geciteerde noordoostelijke bijbouw.

In 1857 brandde het hoofdgebouw af, waardoor een heropbouw zich opdrong. Hierbij werd wellicht gewerkt aan de hand van de nog rechtstaande gedeelten van het huis. Het hoofdgebouw bleef sindsdien quasi ongewijzigd, op een absidiale uitbouw na, die in 1891 in het westelijk gedeelte van het huis werd gerealiseerd en in 1916 werd uitgebreid. De westelijke achterbouw werd nog uitgebreid in 1867 en 1904. In 1891 werd hij wel losgekoppeld van het hoofdgebouw om de uitbouw mogelijk te maken.

De brouwerij werd progressief groter (1861) en besloeg uiteindelijk bijna de ganse breedte van het tuinperceel (1867). In 1923 werd ze losgekoppeld van het hoofdgebouw.

De privé-woonst van de eigenaar was te situeren langsheen een straat die zich in de loop der jaren ontwikkelde tot een as waarlangs steeds meer notabelen en gegoede middenstanders gingen wonen. Deze stedenbouwkundige fase kan bijna worden omschreven als de voorbode van de 19de-eeuwse stadsontwikkeling aan de ring, waar de verdwijnende stadsomwalling plaats ruimde voor brede lanen met een enorm bouwkundig potentieel. De huizen in de as Piepelpoel-Ridderstraat werden bijna allemaal in de tweede helft van de 19de eeuw grondig verbouwd of geheel heropgebouwd. Het fabrieksgedeelte van het huis is te situeren in een oorspronkelijk eerder pover bebouwd gebied tussen de stadskern en het begijnhof. In de 19de eeuw werden hier verschillende bedrijfjes, waaronder meerdere brouwerijen, opgezet.

Beschrijving

Dubbelhuis van zes traveeën en twee bouwlagen onder een zadeldak met een ordonnantie uit de tweede helft van de 19de eeuw, maar een oudere kern uit de 17de eeuw (zie muurankers in de zijgevel).

Het is een gecementeerd bakstenen gebouw met een lijstgevel, die voorzien is van schijnvoegen op de benedenverdieping en rechthoekige muuropeningen.

Plattegrond

Er is een duidelijke tweeledigheid in de ruimteverdeling van het gelijkvloers: in het westen vormen de vestibule en de belendende ruimten een typisch 19de-eeuws geheel van aaneengesloten doch individueel functionerende ruimten.

De vestibule fungeert als doorstromingskanaal van de straat naar de tuin en verleent toegang tot twee salons (vroeger wellicht pronksalon en eetkamer), die op zich met elkaar in verbinding staan en gefixeerd zijn op een - later toegevoegde - wintertuin die tegenwoordig in gebruik is als eetkamer. Er is sprake van een duidelijke gerichtheid van straat- naar tuinzijde.

Het 19de-eeuwse schema houdt hier echter op, aangezien de traphal niet rechtstreeks aansluit op de vestibule, maar deel uitmaakt van een haaks gericht systeem, waardoor de doorstroming enigszins wordt afgebroken. De trapzaal, met eenvoudige houten bordestrap, is immers te situeren aan het uiteinde van een nogal lange hal, dwars op de vestibule, die de oostelijk gelegen vertrekken scheidt en een afzonderlijk ensemble van ruimten lijkt te vormen. Aan de straatzijde kunnen achtereenvolgens een antichambre en een bureau worden geciteerd, in onderlinge verbinding, maar ook afzonderlijk toegankelijk. Dit ensemble staat via de antichambre ook in verbinding met de vestibule. De ruimten aan de tuinzijde (toilet, keuken, achterkeuken) zijn een beetje geïsoleerd, wellicht omdat zij vanouds als dienstvertrekken fungeerden, hetgeen dan weer erg 19de-eeuws aandoet.

De eerste verdieping wordt doorsneden door een hal parallel met de voorgevel, ter hoogte van de dwarse hal op het gelijkvloers. Aan weerszijden zijn telkens vier kamers toegankelijk. Het trappenhuis loopt verder tot op zolderniveau.

De zolder kent geen gerichte onderverdeling.

Interieur

De meest authentieke historische ruimten zijn te situeren in het zogenaamde 19de-eeuwse deel van het huis op het gelijkvloers (het ensemble van vestibule, salons en eetkamer, ut supra). Hier is dan ook sprake - ondanks aanpassingen - van een zekere samenhang.

De vestibule lijkt in de loop der jaren slachtoffer te zijn geweest van verschillende verbouwingen. Door toevoeging van een smalle houten glasdeur met flankerende ramen en bovenlicht in martelé-glas wordt er aan de hoofdingang een soort inkom gecreëerd. Eenmaal voorbij dit obstakel wordt de eigenlijke vestibule bereikt, die zoals aangehaald, T-vormig is door de aansluiting op de haakse de hal met trapzaal. De overgangen ter hoogte van de zo gevormde driesprong zijn verzacht door drie boogconstructies, die rusten op consoles. De ruimte tussen de inkom en de eerste boog moet nogal donker zijn uitgevallen, waardoor een glazen lichtkoepel werd ingebracht, in hetzelfde martelé-glas als de geciteerde glasdeur. De rest van de vestibule wordt verlicht door de dubbele glasdeur met bovenlicht die toegang verschaft tot de tuin. Er is een interessante vroeg-20ste-eeuwse mozaïekvloer met geometrisch patroon aanwezig. Hierin tekenen zicht tegen een witte fond grote vierkante blokken af van massief lijstwerk en meanders met een centrale stervorm, dit alles in bruine en zwarte tinten. De zoldering vanaf de driesprong tot de achterdeur is over de gehele lengte van de dwarse hal gestuct en voorzien van hoeklijstwerk dat wordt onderbroken door de bogen. Een centraal rozet markeert het kruispunt.

Het eerste salon is afgewerkt in een sobere combinatie van régence en neoklassieke elementen. Een dubbele paneeldeur verschaft toegang tot deze ruimte. Het betreft een typisch 19de-eeuws drieledig exemplaar, met een strakke vormgeving, die enigszins wordt verlevendigd door panelen met afgeschuinde hoeken. De schoorsteen valt een beetje uit de toon door de uitvoering in rood en wit geaderde marmer in 18de-eeuwse stijl. De boezem is afgewerkt met dito krulwerk. Een plankenvloer in koud langsverband en muren afgewerkt met een plint en eenvoudig lijstwerk zijn ook aanwezig. Het plafond is opvallend rijk afgewerkt met een kooflijst en een florale lijst, waarbinnen een enorm ovaal is afgetekend. Zowel de ovaal als de vier zwikken worden afgeboord met een vergulde kraallijst. Raakpunten tussen de rechthoekige omkadering en de ovaal worden geaccentueerd met bloemknoppen.

Het tweede salon is afgewerkt in een sober, typisch 19de-eeuws amalgaam van neoklassieke elementen. Het voornaamste decoratieve element is de eclectische schoorsteen in wit-geel-zwart geaderde marmer. De boezem is afgewerkt met een spiegel bekroond met een stucwerktafereel. Het geheel is omgeven met een florale lijst en voorzien van een kroonlijst waarop een corbeille met guirlandes rust. De wanden zijn afgewerkt met lage plinten in stuc en grote rechthoekige lijsten, waarvan de uitsparingen in de hoeken opgevuld zijn met vierkante rozetjes. De zoldering wordt ingeleid door een kooflijst en florale lijst. Het zware lichtrozet (een opengeplooid baldakijn met cartouches, balustrades, bloemmotieven en lauwerenkransen) valt een beetje uit de toon. Het salon staat in verbinding met de eetkamer door middel van een rondboogopening, waarvan de zwikken aan de zijde van het salon zijn getooid met eenvoudige gestucte guirlandes, die zijn opgehangen aan vergulde knoppen.

De eetkamer moet oorspronkelijk als wintertuin gefungeerd hebben. Licht valt binnen door het glazen dak via een ronde opening in het plafond. De vloer is afgewerkt in mozaïek, waarvan het kleurenschema aansluit bij deze in de vestibule. Hier werd echter gewerkt op basis van een ovaalvorm, waarin sobere florale motieven werd verwerkt. De opening in de zoldering is afgesloten met een glas-in-loodraam waarin een eenvoudig patroon is uitgewerkt van blauwe, groene en gele bloemen, driehoeken, vierkanten, meanders en golven. Voor zover er bij deze elementen nog sprake is van enige uniformiteit, kan dit niet meer worden gezegd wanneer de wandafwerking erbij in aanmerking wordt genomen. Hier werd namelijk gekozen voor een sober Louis-XVI-stucdecor. De afgeschuinde hoeken van de kamer zijn afgewerkt met een combinatie van ovale, met guirlandes bekroonde medaillons waarin de vier seizoenen worden voorgesteld. De muurvlakken worden verder afgeboord met pilasters. Het is mogelijk dat de dualiteit in de stijlkeuze te wijten is aan de verbouwing van deze ruimte in 1916 (zie historiek).

De rest van het pand is niet zo overdadig gedecoreerd. Vermeldenswaardig zijn nog de mergelstenen muren en tongewelf in de kelder. Het betreft hier wellicht een restant van een oudere bouwfase, die in de 19de eeuw of later werd uitgebreid met bakstenen elementen. De trapzaal wordt ter hoogte van de bordessen verlicht door rondboogvensters waarin glasramen zijn aangebracht. Op het gelijkvloers bleef een 19de-eeuws, historiserend exemplaar bewaard, waarin een blazoen verwerkt zit, op de verdieping werd geopteerd voor art nouveau, met een leliemotief. De schoorsteen van het bureau is een eenvoudige 19de- of zelfs vroeg-20ste-eeuwse consoleschouw met haardplaat in biedermeier, de zuidoostelijke slaapkamer bevat een strak 20ste-eeuws exemplaar en de noordoostelijke slaapkamer een neogotische schouw in stuc.

De tuin is langs de Repenstraat afgeboord met een eenvoudige bakstenen muur en een door hardstenen kolommen geflankeerde poort die historisch tot het geheel behoort.

  • Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.01/73083/198.1, Brouwerswoning met tuinmuur (S.N., 2001).

Auteurs:  Gijselinck, Jozef
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Gijselinck J. 2001: Brouwerswoning met tuin [online], https://id.erfgoed.net/teksten/452422 (geraadpleegd op ).


Burgerhuis ()

Dubbelhuis van zes traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak, met huidig uitzicht uit de tweede helft van de 19de eeuw, doch oudere kern uit de 17de eeuw (muurankers in de zijgevel). Gecementeerd bakstenen gebouw, met lijstgevel voorzien van schijnvoegen op de benedenverdieping en rechthoekige muuropeningen.

Bron: SCHLUSMANS F. met medewerking van VANTHILLO C. 1990: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kantons Riemst - Tongeren, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14n1, Brussel - Turnhout.
Auteurs:  Schlusmans, Frieda
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Schlusmans F. 1990: Burgerhuis [online], https://id.erfgoed.net/teksten/37352 (geraadpleegd op ).