erfgoedobject

Hof te Boelake

bouwkundig element
ID: 38359   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/38359

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als beschermd monument Hof te Boelake
    Deze bescherming is geldig sinds 23-04-2019

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Hof te Boelake, hoeve
    Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009

  • is aangeduid als beschermd monument Hof te Boelake
    Deze bescherming was geldig van 18-09-2018 tot 23-04-2019

Beschrijving

Het actuele Hof te Boelake gelegen in de Leievallei wordt getypeerd als een eertijds omgrachte hoevesite met losse bestanddelen met in kern 17de- en 18de-eeuwse gebouwen. De site bezit een ruim erf met achterin gelegen woonhuis ten noorden, dwarsschuur met stal en wagenhuis ten zuiden, recente stallen rondom een ingebouwd bakhuis ten oosten.

Het erf is toegankelijk via een schuin geplaatst ijzeren toegangshek aan lage gewitte bakstenen hekpijlers, op de splitsing tussen de Boelakendreef en de onverharde losweg.

Historiek

De huidige Hof te Boelake gaat volgens historische literatuur terug op een nog oudere site gekend als het Goed ter Sluizen (Sluyzen), waarvan in de renterollen van Zulte van 1404 voor het eerst sprake is. Het Goed ter Sluizen was zowel een kleine heerlijkheid of een achterleen, genaamd ‘ter Sluizen’, als een boerderij van aanzienlijke grootte. De naam zou ontleend zijn aan het Middelnederlandse woord ‘Sluse’, wat sluis betekent, en in relatie is te brengen met de waterrijke omgeving van de Leievallei.

Volgens de overlevering werd het boerenhuis, dat nog steeds het voorkomen heeft van een 17de–eeuwse baksteenbouw van één bouwlaag, in 1648 opgetrokken. Wellicht gebeurde dit ter vervanging van een andere en oudere constructie, aangezien de ontstaansgeschiedenis van de site tot de 15de eeuw opklimt. De relatieve rust onder het bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella in het begin van de 17de eeuw creëerde naar alle waarschijnlijkheid het juiste kader om de 'nieuwbouw' te realiseren. In het landboek van Zulte, opgesteld in 1657 door Albertus de Bersaques, wordt het Goed ter Sluizen vermeld als een omwalde hofstede met land, meers, bos en heide die toebehoorde aan advocaat Maesschalck. In 1657 was het goed één van de drie omwalde hofsteden en één van de elf grote hoeven op het grondgebied van Zulte.

In de eerste helft van de 18de eeuw behoorden de heerlijkheid (met baljuw) en de gebouwen toe aan Pieter Damman. Volgens De Potter en Broeckaert verkocht deze op 21 november 1722 alles aan de dorpsheer van Zulte voor 1566 gulden. Dit betrof toen Jeroom Sebastiaan Limnander, heer van de heerlijkheid ter Werft in Zulte, die slechts een zevental jaar eerder in 1715 de heerlijkheid en het nabijgelegen gelijknamige Kasteel te Lake had verworven. J. S. Limnander bezat op het grondgebied Zulte reeds de heerlijkheid ten Heede die grensde aan het Goed ter Sluizen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de grootgrondbezitter het Goed ter Sluizen dat ten zuiden en zuidwesten van zijn domein lag, eveneens wilde verwerven. Het Goed zou tot en met het einde van het Ancien Régime met het Kasteel te Lake verbonden blijven.

Op de Villaretkaart (1745-1748) en de Kabinetskaart van de Ferraris van 1771-1778 wordt het Goed ter Sluizen (thans het Hof te Boelake) gesitueerd aan het eindpunt van de doodlopende Boelakendreef. Het hof heeft een vierkante aanleg samengesteld uit vier losse bestanddelen en wordt omgeven door velden, weiden en akkers. Een omgrachting is niet weergegeven. Dit is echter niet ongebruikelijk omdat beide kaarten vanuit militair oogpunt waren opgemaakt.

Het Landboek van Zulte van 1782-1783 geeft het Goed ter Sluizen wel gedetailleerd en met walgracht weer. De hoevesite wordt gekenmerkt door een U-vormige walgracht rondom het boerenhuis met rechthoekig grondplan, een open erf met ten zuiden de dwarsschuur en stal en ten zuidoosten het vrijstaande bakhuis en een aangrenzende boomgaard. Het Primitief Plan opgemaakt door landmeter Minnens in de periode 1830-1833, illustreert dat niettegenstaande het einde van het Ancien Régime met de beëindiging van het heerlijk stelsel, de 18de-eeuwse configuratie van de site in de eerste helft van de 19de eeuw quasi ongewijzigd was gebleven. De eigendomstoestand was wel veranderd en vanaf deze periode werd ook de huisnaam Hof te Boelake gebruikt. Niet de familie Limnander van het Kasteel van Lake, maar de Zultse rentenier Louis Hellebaut bezat omstreeks 1834 het Hof te Boelake alsook de omliggende gronden met akkers en meersen die grensden aan de bezittingen van de familie Limnander. Circa 1860 was de welstellende Gentse handelaar Edward Van Rullen eigenaar van de site (zie de Poppkaart van circa 1860).

Door de ligging van het Hof te Boelake in de open Leievallei, maakte de hoevesite honderd jaar geleden ongewild deel uit van het tiendaagse eindoffensief van de Eerste Wereldoorlog. In de laatste dagen van de oorlog hadden Duitse artillerietroepen zich verschanst in de boerderijen op de rechteroever van de Leie om zich zo te beschermen tegen de oprukkende geallieerde Franse troepen. Het Hof te Boelake lag mee in het schootsveld en deelde in de klappen.

Na de Eerste Wereldoorlog werd het Hof te Boelake bewoond door de familie Bothuyne die er een eigen roterij uitbaatte. Het Leieroten was voor Zulte een belangrijke industriële activiteit die vanwege een algemeen verbod in 1943 werd stopgezet. In de tweede helft van de 20ste eeuw was Het Hof te Boelake een kleinschalig landbouwbedrijf met onder meer melkvee, dat in het begin van de 21ste eeuw werd stopgezet.

Beschrijving

Boerenhuis
Exterieur

Het voormalige boerenhuis is achterin op het erf ingeplant en naar oude gewoonte zuidelijk georiënteerd. Het woonhuis werd naar verluidt gebouwd in 1648, naar alle waarschijnlijkheid ter vervanging van een nog ouder gebouw aangezien de ontstaansgeschiedenis van de hoevesite opklimt tot het begin van de 15de eeuw. Het huidige boerenhuis staat afgebeeld op de Villaretkaart van 1745-1748, de Kabinetskaart van de Ferraris (1771-1778), het Landboek van Zulte (1782/1783), het Primitief Plan (1830-1833), de Atlas der Buurtwegen (circa 1845), de Vandermaelenkaart (circa 1854) en de Poppkaart (circa 1850-1860).

Het vroegere boerenhuis heeft het voorkomen van een 17de–eeuws gebouw. Het traditioneel éénkamerdiepe woonhuis telt vier traveeën en één hoge bouwlaag onder een mank pannen zadeldak, gevat tussen zijtrapgevels met schouderstukken, telkens van zeven treden met topstuk en afgedekt met een natuurstenen dekplaat. De dakconstructie, de dakoverstek en de steile helling zijn een indicatie dat het dak vroeger met riet of stro bedekt was. De dakbedekking is een combinatie tussen oudere S-pannen (noordkant) en mechanische pannen (zuidkant) uit het begin van de 20ste eeuw. Deze laatste werden naar alle waarschijnlijkheid gelegd in het begin van de 20ste eeuw als herstelling na de beschadigingen tijdens het eindoffensief van de Eerste Wereldoorlog.

De woning wordt gekenmerkt door verankerde, nu geel, geschilderde en gekalkte gevels op een gepikte plint. De erfgevel is bijkomend voorzien van een na 1985 toegevoegde huisnaam 'Boelaken'. De huidige beluikte vensters in de zuidelijke georiënteerde voorgevel met tegeldorpels ogen begin 20ste-eeuws. Oorspronkelijk waren het kruiskozijnen met hoge ontlastingsbogen waarvan de sporen – en zelfs een gedichte deur – nog duidelijk zichtbaar zijn. De centrale rondboogdeur, met 20ste–eeuws schrijnwerk en beglaasd bovenlicht, aan een massieve hardstenen drempel, is gevat in een zwart gesinterde bakstenen omlijsting onder gebogen waterlijst. Na visuele controle blijkt dat deze deuromlijsting toegevoegd werd. Zeer waarschijnlijk gebeurde dit gelijktijdig met de wijziging van de vensteropeningen in het begin van de 20ste eeuw. Dergelijk type van deuromlijsting is ontleend aan de traditionele hoevebouw.

De oostelijke of rechter zijtrapgevel behield in de topgevel een merkwaardig deels gedicht zandstenen kruiskozijn. Dit architecturaal element is, evenals de zware steunberen tegen de rechter- en linkerzijgevel én de zware smeedijzeren ankers, een duidelijke bevestiging van de hoge ouderdom van het vroegere boerenhuis. De luiken en het raamwerk met kleinhouten in het kruisvenster, werden eveneens op een later tijdstip vernieuwd. Ze sluiten stilistisch aan bij de rest van het nog aanwezige schrijnwerk. Zoals hoger aangehaald telt de zijtrapgevel zeven treden en een topstuk. Ter hoogte van de aanzet van de treden zijn de muurvlechtingen ter ondersteuning van het uitgelengde zadeldak duidelijk zichtbaar. Onder deze muurvlechtingen is nog een beluikt venstertje en een opgeklampte deur (die uitkomt in de lage achteruitbouw) aan drie gemetste treden aanwezig.

Aan de achterzijde (noordzijde) is het boerenhuis uitgebouwd met een laag volume afgedekt door het uitgelengde pannen zadeldak dat eveneens gestut wordt door zware steunberen. Volgens de bouwsporen behoort de lage uitbouw tot dezelfde bouwfase als het boerenhuis. Typologisch is dit ook zeer kenmerkend voor de historische hoevebouw. Traditioneel was in deze uitbouw een bijkeuken of melkhuis ondergebracht. Twee beluikte vensters verlichten de vroegere keuken.

De tongewelfde kelder situeert zich in de noordwesthoek van de lage achterbouw, herkenbaar aan het lage getraliede venstertje. Het beluikte venster boven de steunbeer duidt de nog aanwezige opkamer aan.

Het boerenhuis grenst ten noorden aan de lagergelegen poel die naar alle waarschijnlijkheid een restant is van de vroegere U-vormige omwalling.

De opbouw en het voorkomen van de westelijke of linker zijtrapgevel is quasi gelijk aan de oostelijke. De hoge verankerde zijtrapgevel wordt gestut door massieve steunberen. Sommige muurankers vertonen nog een typische krulvormige veer, dat als ornament ook tot de 17de eeuw opklimt. Het uitgelengde zadeldak wordt ook gemarkeerd door afgeschuind metselwerk. Het rechthoekige venstertje verlicht de noordelijk gelegen opkamer; het venster in de topgevel verlicht de zolder.

Interieur

De historische structuur van het Hof te Boelake met dragende moerbalken en ruimteverdeling bleef behouden en sluit aan bij de 17de-eeuwse rurale architectuur. De eenvoudige plattegrond is kenmerkend voor de bouwperiode en betreft een éénlaags hoofdvolume, opgedeeld in twee ruimtes, met ten noorden de lage keukenuitbouw met opkamer en tongewelfde kelder in de noordwesthoek.

De erfdeur verschaft toegang tot een eerste ruimte (westen), die een samenvoeging is van twee kleinere kamers. De gehele ruimte is overkluisd door deels vrijgelegde en deels ingebouwde moerbalken die dateren uit de periode van opbouw van het boerenhuis in de 17de eeuw. De zichtbare balken worden gekenmerkt door afgeschuinde profielen. Een met zwaar smeedwerk verankerde balksleutel is versierd met een typisch 17de-eeuws gordijnboogvormig motief. Een gelijkaardig motief werd onder meer ook tijdens restauratiewerken aan het in kern tot de late middeleeuwen opklimmende Kasteel Ter Donckt in Kluisbergen aangetroffen. Een tweede kamer (oosten) behield eveneens de oorspronkelijke binnenstructuur. De deels ingekapselde 17de-eeuwse moerbalken steunen hier op natuurstenen geprofileerde consooltjes.

De lagere uitbouw achteraan beneemt de gehele breedte van het boerenhuis. Onder een laag plafond met ingekapselde oorspronkelijke dragende balken was de keuken ingericht. In de noordwestelijke helft van de uitbouw situeert zich de kelder en de opkamer. Beide ruimtes worden afgesloten door een tweedeurengeheel. De zuidelijkste opgeklampte deur geeft uit op de 17de-eeuwse brede tongewelfde kelder, toegankelijk via een trap van vier treden afgedekt met hardstenen tegels. In de kelder zijn nog de karakteristieke rode tegelvloer en een steekbogig getralied keldervenster aanwezig.

Via de noordelijke deur, waarachter een tweedelig klein steektrapje, bereikt men de vroegere voute of opkamer. De smalle kamer met afgeschuind plafond, heeft nog een genagelde deur met krukje en hefslot.

De zolder is bereikbaar via een houten steektrap tegen de oostelijke buitenmuur. De zolderruimte is van de gang afgeschermd door een houten opgeklampte wand met opgeklampte deur met oud hang- en sluitwerk. Het dak wordt gedragen door een gordingenkap met smalle spanten deels met kromstijlen en deels samengesteld uit recuperatiemateriaal, en niet door een zware eiken balkenconstructies zoals de steile dakhelling en de oorspronkelijke zeer hoge gemetste en wit gekalkte borstwering doet verwachten. Dit is een sterke indicatie dat de dakconstructie in het begin van de 20ste eeuw diende hersteld en deels vervangen te worden, naar alle waarschijnlijkheid ten gevolge van de beschadigingen tijdens het eindoffensief van de Eerste Wereldoorlog. Dit gebeurde wellicht gelijktijdig met de plaatsing van de jongere mechanische dakpannen aan de erfzijde (zuidzijde).

Aanhorigheden

Ten zuiden van het boerenhuis nabij de Pontstraat en de toegangspoort, situeert zich de vroegere dwarsschuur met centrale doorrit. Deze wordt begrensd door lagere volumes onder pannen zadeldaken. Ten westen (rechts) wordt de dwarsschuur begrensd door twee stallen waarvan één onder een pannen lessenaarsdak. Tegen de oostgevel (links) van de dwarsschuur is een wagenhuis aangebouwd. Het geheel is uniform afgewerkt met gewitte gevels en gepikte plinten.

Dwarsschuur

De dwarsschuur klimt volgens de literatuur en de typologie op tot de 18de eeuw. Hetzelfde volume is met zekerheid afgebeeld op het Landboek van Zulte (1782/1783), het Primitief Plan (1830-1833), de Atlas der Buurtwegen (circa 1845), de Vandermaelenkaart (circa 1854) en de Poppkaart (circa 1860).

De verankerde dwarsschuur van vier traveeën, aan weerszijden gestut door afgeschuinde steunberen, wordt gekenmerkt door een pannen zadeldak met vlechtingen en een topstuk in de oostgevel. In deze oostelijke zijpuntgevel is ook een gevelsteen in natuursteen aangebracht met verweerd motief en aan de binnenzijde een haast onleesbare inscriptie met cijfers. De dwarsschuur is aan de zuid- en noordgevel voorzien van een groen geschilderde brede, hoge, opgeklampte, dubbele houten poort met stijl- en regelwerk, waarlangs de schuur betreden kan worden.

De ruimte binnenin is opgedeeld door middel van een centrale verharde doorrit, met aan weerszijden een open en gesloten stal met tas. De gordingenkap en het gebint is samengesteld uit jonger houtwerk.

Stal

De dwarsschuur wordt ten westen begrensd door een éénlaags stalvolume van drie traveeën dat aan de zuidzijde drie typische stalvenstertjes onder een houten latei heeft, twee aan de erfzijde, met bijkomend een aantal ronde verluchtingsgaten. De westelijke topgevel van dit stalvolume vertoont geen vlechtingen, maar wel sporen van een kleine verhoging. Naar alle waarschijnlijkheid gebeurde dit bij het verwijderen van het vroegere aandak en de nodige herstellingswerken. Tegen de stalvleugel staat nog een klein volume met vierkant venstertje en deur, afgedekt door een pannen lessenaarsdak, en rondom gestut door steunberen. De scheiding tussen beide gebouwen wordt gemarkeerd door een uitstekende steunbeer met schouderstukken, die sterk lijkt op de vormgeving van de thans verdwenen 18de-eeuwse stal.

De eenlaagse stal heeft binnenin een zeer karakteristieke bakstenen vloer met typische massieve voederbakken voor koeien.

In het laatste kwart van de 20ste eeuw werden de dwarsschuur en de eenlaagse stal aan de erfzijde uitgebreid met een jongere stal annex hangar. Deze constructies hebben geen erfgoedwaarde.

Wagenhuis

Het voormalige wagenhuis is aangebouwd tegen de oostelijke buitengevel van de dwarsschuur. Het betreft een lager witgeschilderd bakstenen volume onder zeer steil pannen zadeldak met dakoverstek. De zuid- en oostgevel van het wagenhuis zijn nagenoeg blind op een klein rechthoekig venstertje in de zuidgevel en in de oostelijke toppuntgevel na. Een bakstenen afgeschuinde steunbeer verstevigt de oostgevel. De erf- of noordzijde is over de gehele breedte opengewerkt. De opening is overkluisd door een dragende moerbalk, op bakstenen pilaren.

De rechthoekige binnenruimte vertoont een verharde vloer. De vlakke zoldering is samengesteld uit drie ruw gekapte en weinig gekantrechte moerbalken met daarboven een houten balkenlaag van kriskras geplaatste kinderbalken en planken.

Bakhuis

Ten zuidoosten op het erf is er een bakhuis aanwezig dat volgens cartografische bronnen minstens opklimt tot het laatste kwart van de 18de eeuw. Het werd duidelijk als afzonderlijk gebouw opgetekend op het Landboek van Zulte van 1782/1783 en het Primitief Plan van 1830-1833.

Dit witgekalkte bakstenen rechthoekige volume onder pannen zadeldak (S-pannen) is zoals gebruikelijk ver van het woonhuis verwijderd. Heden is het deels door jongere constructies zonder erfgoedwaarde ingebouwd. Dit relatief groot bakhuis is herkenbaar aan het rechthoekig volume met centraal geplaatste schouw. De vrijstaande straatgevel (gericht naar de Pontstraat) vertoont sporen van een gedichte rondboogvormige opening (boven het maaiveld), waarvan de functie niet geheel duidelijk is. Het lijkt op de ovenkelder, een kleine gewelfde ruimte onder of nabij de oven dat dienst kon doen om natte takkenbossen te drogen, als vuurvrij 'assenkot', als opslagplaats voor aardappelen of zelfs als kippenhok. De heden ingebouwde voorpuntgevel van het bakhuis heeft muurvlechtingen boven de rechthoekige deuropening met houten opgeklampte deur, wat een sterke indicatie is voor de hoge ouderdom van deze constructie.

De rechthoekige binnenruimte afgedekt door een eenvoudig houten spant, heeft centraal een zeer brede bakstenen schoorsteen met duidelijke brandsporen. De karakteristieke schoorsteen wordt gekenmerkt door twee bakstenen pilaren die de houten schouwbalk van de rookvang dragen. De constructie versmalt trapsgewijs naar boven toe zodat de trechtervormige rookvang overgaat in de eigenlijke schouw die boven het dak uitsteekt. De in het midden van de schoorsteen geplaatste ovenmond met een ovendeur in plaatijzer is nog aanwezig. Het ovengewelf aan de achterzijde van de schoorsteen is verdwenen. Voortgaande op onder meer de resten van het gewelf, de sporen van het halfronde vuurvaste metselwerk en het geometrisch geplaatst ijzerwerk op de vloer (de basis van de ovenvloer), moet het een groot ovengewelf geweest zijn.

Verdwenen stal

Bij de opmaak van de Inventaris van het Bouwkundig Erfgoed in 1985 werd ten westen, nabij de erftoegang, nog een gewit stalvolume onder pannen zadeldak tussen zijaandaken met vlechtingen, schouder- en topstukken en met afgeschuinde hoeksteunberen uit de 18de eeuw geïnventariseerd. Dit volume was ook opgetekend op het Landboek van Zulte (1782/1783), het Primitief Plan (1830-1833), de Atlas der Buurtwegen (circa 1845), de Vandermaelenkaart (circa 1854) en de Poppkaart (circa 1860). Dit gebouw is inmiddels afgebroken.

Een aantal jongere stallen in snelbouwsteen staan verspreid op het domein. Deze volumes hebben geen erfgoedwaarde. Het voorliggende waterzuiveringsstation, dat destijds door een nabijgelegen bedrijf was opgericht, is heden niet meer in gebruik en heeft evenmin erfgoedwaarde.

Erf, poel en losweg

Het Hof te Boelake bewaart een traditioneel begraasd erf. Het erf wordt doorkruist door een verharde weg die van de toegangspoort, met schuin geplaatste gewitte bakstenen hekpijlers en een hek in siersmeedwerk, naar het boerenhuis loopt. Een volwaardige erfafsluitingshaag is niet meer aanwezig. Langs de perceelsgrenzen komen wel enkele traditionele knotbomen voor en wat fragmentaire houtige opslag.

Een lagergelegen grote, ovaalvormige veedrinkpoel, ten noordoosten van het boerenhuis, is naar alle waarschijnlijkheid een restant van de vroegere walgracht. Volgens historische kaarten situeerde deze ruime walgracht zich U-vormig rond het boerenhuis. De opening was aan de zuidgerichte erfzijde. De poel staat in verbinding met de Boelakenbeek die onder meer leidt naar de Pontstraat.

De vroegere losweg vormt de westelijke grens van de hoevesite. De losweg die reeds op 18de-eeuwse historische kaarten werd afgebeeld, ligt in het verlengde van de verharde Boelakendreef en gaat ter hoogte van het Hof te Boelake over in een aarden weg afgezoomd door opgaande populieren. De weg loopt dood op de velden.

  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Register 223 Zulte, 1830-1833.
  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Primitief Plan Zulte, circa 1830-1833, door landmeter Minnens.
  • Kadasterarchief Oost-Vlaanderen, Register 208 Zulte, Oorspronkelijke aanwijzende tafel der grond-eigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, benevens van derzelver inhouds-grootte, klassering en belastbaar inkomen, volgens het kadaster (18 augustus 1834).
  • Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen, Inventaris- en fotoarchief, Hof te Boelake (BOGAERT C. & LANCLUS K. 1985).
  • BOGAERT C. & LANCLUS K. 1991: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Gent, Kantons Deinze - Nazareth, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 12N3, Brussel – Turnhout, XXXIV-XXXVII, 191-192, figuur 133.
  • BOMBEKE W., GILBERT G. & GOESSAERT R. 1976: Bijdrage tot de geschiedenis van Zulte.
  • BRAL P. 2014-2015: Hof te Boelake: monument of een vage herinnering?, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 25, 335-340.
  • DE CLERCQ R., GOEMINNE L. & VANDEPUTTE M. 2002-2003: Bevolking en grondbezit te Zulte in de 17de eeuw, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 19, 117-139.
  • DE CLERCQ R. & GOEMINNE L. 2006-2007: Bevolking en grondbezit te Zulte in de 19de eeuw, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 21, 126-154.
  • DE MEESTER L. & GOEMINNE A. 2012-2013: Oktober 1918, de gevechten aan de Leie, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 24, 302-311.
  • DE MULDER G. 2000-2001: Relicten uit het verleden: een eerste verkennend onderzoek naar sites met walgracht te Zulte, Olsene en Machelen, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 18, 227-238.
  • DE MULDER G. 2004-2005: Sites met walgracht te Machelen, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 20, 74-85.
  • DEMUYNCK G. 2006: De Kadastrale Popp-kaarten van Machelen, Olsene en Zulte (1858), Deinze.
  • DE POTTER F. & BROECKAERT J. 1864-1870: Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen. 1, Arrondissement Gent. Deel 8 Zevergem, Zeveneeken, Zeveren, Zomergem, Zulte, Zwijnaarde, Heruitgave (1993), Handzame, 2-16.
  • GOEMINNE L. 1980: Het dorpscentrum van Zulte in 1629, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 1, 81-83.
  • GOEMINNE L. 2016-2017: Sites met walgracht te Machelen, Olsene en Zulte, Bijdragen tot de geschiedenis en folklore van Zulte 26, 210-247.
  • GOEMINNE L., VANDEPUTTE H. & WILLEMIJNS F. 1999: Toponymie van Zulte: oude en nieuwe plaatsnamen te Zulte, Kring voor geschiedenis en kunst van Deinze en Leiestreek.
  • NACHTERGAELE W. 2014-2015: De oorlogsjaren 14-18 in Zulte: verslag in het Liber Memorialis van pastoor Noterman, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 25, 391-398.
  • S.N. 1981: Zulte aan de Leie: vlasstreek van weleer, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 2, 3-133.
  • VANDEPUTTE M. 1990: De bezitters van de heerlijkheid Zulte in de late middeleeuwen (1250-1795), Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 11, 41-53.
  • VAN QUICKELBERGE D. & VOET L. 2012-2013: De verwoestingen te Machelen, Olsene en Zulte in beeld, Bijdragen tot de geschiedenis en de folklore van Zulte 24, 312-338.

Bron     : -
Auteurs :  Duchêne, Helena
Datum  : 2018


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Hof te Boelake [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/38359 (Geraadpleegd op 05-12-2020)