Parochiekerk Sint-Martinus met kerkhof

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Galmaarden
Deelgemeente Tollembeek
Straat Plaats
Locatie Plaats 14, Galmaarden (Vlaams-Brabant)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Galmaarden (actualisaties: 29-05-2006 - 29-05-2006).
  • Adrescontrole Galmaarden (adrescontroles: 01-07-2007 - 01-07-2007).
  • Inventarisatie Galmaarden (geografische inventarisatie: 01-01-1975 - 31-12-1975).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Parochiekerk Sint-Martinus

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als monument Parochiekerk Sint-Martinus: kerk, kerkhofmuur en dodenhuisje

Deze bescherming is geldig sinds 15-05-2000.

is beschermd als stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Parochiekerk Sint-Martinus: kerkhof

Deze bescherming is geldig sinds 15-05-2000.

omvat de bescherming als monument Parochiekerk Sint-Martinus: orgel
gelegen te Plaats 14 (Galmaarden)

Deze bescherming is geldig sinds 11-09-1979.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Bak- en natuurstenen basilicale kruiskerk met westtoren, verlaagd transept en door ronde hoektorentjes geflankeerde rechthoekig gesloten koorpartij.

Historiek

De oorsprong van de Sint-Martinuskerk gaat terug tot een 12de-eeuwse kapel die afhankelijk was van de Sint-Pieterskerk van Herne. In de loop van de 13de eeuw, ergens tussen 1233 en 1266 werd Tollembeek een zelfstandige parochie met de abdij van Kamerijk als tiendenheffer.

De primitieve parochiekerk bevond zich tot in 1870 op de Plaats, het ruim bemeten plein vlak voor de huidige kerk. Aanleiding tot de verplaatsing van de kerk was de sluiting van het omliggende kerkhof, waartoe de gemeente om hygiënische redenen door de hogere instanties was verplicht. Voor het nieuwe kerkhof viel de keuze op een perceel van 16 are 36 centiare, dat deel uitmaakte van de boomgaard Carlier. Het werd volledig door een bakstenen muur omringd en in maart 1870 plechtig ingewijd.

Sinds 1858 was er reeds sprake van een nieuwe kerk omdat de oude bouwvallig en te klein was geworden. Met de verplaatsing van het kerkhof kwam het probleem opnieuw aan de orde. Uiteindelijk werd beslist om de nieuwe kerk vlakbij en aansluitend op het nieuwe kerkhof in te planten. Hiertoe werd de andere helft van de boomgaard Carlier, een perceel van 21 are 20 centiare, aangekocht.

Twee reeksen plannen, een ontwerp van provinciaal architect L. Spaak en een ontwerp van E. Carpentier, werden aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ter advies voorgelegd. De voorkeur van de Commissie ging uit naar het ontwerp van Eugène Carpentier omdat het "au point de vue de l’art" getuigde van "le plus de caractère et le cachet le plus pittoresque". De uitvoering werd toevertrouwd aan aannemer Léopold Devreux uit Waterloo, waarna de eerstesteenlegging plaatsvond op 6 juli 1870. Na enige vertraging als gevolg van de Frans-Duitse oorlog waardoor de levering van de witte steen uit Caen werd bemoeilijkt, kon de nieuwe kerk op 19 augustus 1873 plechtig worden ingewijd. Wegens gebrek aan geldmiddelen zou de binnenafwerking pas worden voltooid in 1923.

Afgezien van herstellingswerken onderging de Sint-Martinuskerk ogenschijnlijk geen noemenswaardige wijzigingen. In 1974-1975 werden de leien daken vernieuwd door de Ninoofse aannemer Petrus Devos onder leiding van de architecten Roger Cassiman en Leo Donckerwolcke. In dezelfde periode werden de glasramen gereinigd en van nieuw lood en koperen windroeden voorzien. Ten slotte werd in 1976 het interieur volledig herschilderd en werd in het hoofdkoor in functie van de nieuwe liturgie een nieuwe vloer gelegd.

Beschrijving

De Sint-Martinuskerk is uitgewerkt als een basilicale, driebeukige kruiskerk met een schip van vijf traveeën, een vierkante westtoren met aanleunende bijgebouwen en aan de oostzijde een lager, weinig uitspringend transept waarop een door polygonale traptorentjes geflankeerde, rechthoekig gesloten koorpartij aansluit.

Typerend voor het materiaalgebruik is de bijzonder expressieve polychromie die aan de Vlaamse neorenaissance appelleert: een rood bakstenen parement, natuurleien daken, een gebouchardeerde, hardstenen plint en een rijkelijke toepassing van witte natuursteen van Caen voor venster- en deuromlijstingen, dekstenen, afzaten en de typerende speklagen die boogaanzetten en onderdorpels met elkaar verbinden. Of de natuurleien bedaking oorspronkelijk was versierd met een sierstrook van geometrische figuren, zoals voorgesteld op het in 1883 in de Revue de l’architecture en Belgique gepubliceerde plan kon niet worden uitgemaakt.

De algemene compositie en de krachtige volumewerking, bepaald door duidelijk afgelijnde geometrische vormen, verwijst naar de Maaslandse romaanse architectuur. Frappant in dit verband zijn niet alleen de rechthoekige koorpartij en de lagere transeptarmen, maar ook de als een westtransept uitgewerkte bijgebouwtjes die de forse, drieledige klokkentoren flankeren. De krachtige vormgeving wordt versterkt door kloeke steunberen die het traveeritme bepalen en de onderscheiden volumes extra benadrukken. Spitsboogvensters met eenvoudig gotisch maaswerk wisselen af met kleinere twee- en drielichtvensters, telkens gevat in een natuurstenen boogomlijsting rustend op bakstenen colonetten.

Inwendig zorgt een arcade van spitsbogen op gedrongen zuilen met blad- en knopkapiteel en hardstenen sokkel voor een driebeukige ruimte-indeling. Smalle tweelichtvensters en bredere spitsboogvensters met een niet-figuratieve, kleurloze beglazing zorgen voor een homogene lichtinval in respectievelijk midden- en zijbeuken. Middenbeuk, koor en transept worden overkapt met een houten spitstongewelf - een sporenkap waarvan de trekbalken rusten op ronde schalken. De zijbeuken daarentegen zijn afgedekt met een deels vlakke en deels naar buiten toe lichthellende houten zoldering. De homogeen wit geschilderde wandbepleistering in combinatie met een hardstenen bevloering resulteert in een sobere eenvoud. De rechtstreeks verlichte viering wordt geaccentueerd door diafragmabogen en door bundelpijlers bezet met colonetten.

Welke stoffering door Carpentier was voorzien is niet bekend aangezien de binnenafwerking bij gebrek aan geldmiddelen op de lange baan was geschoven. Pas in 1913 was door architect Van Leuven een dossier opgesteld dat naast herstellingswerken ook voorzag in de afwerking van het interieur. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen verwierp echter het voorstel omdat het niet strookte met het algemeen karakter van het gebouw en met de opvattingen van Carpentier. Zij was voorstander van een "décoration discrète révelant fort probablement les dessins originaux", die wellicht nog waren terug te vinden in het parochiearchief. Uiteindelijk zou de kerk pas in 1923 worden geschilderd en dit op initiatief en volgens de aanwijzingen van pastoor Félix Vandevelde die tezelfdertijd de altaarbeelden wit liet schilderen. De huidige wit-monochrome afwerking gaat vermoedelijk terug tot de grondige opfrisbeurt van 1976 toen ook de natuurstenen altaren en kruisweg werden gezandstraald.

Carpentier was ook verantwoordelijk voor het ontwerp van het meubilair voor zover dit niet werd gerecupereerd uit de oude kerk. Hoofd- en zijaltaren alsook de nu verdwenen smeedijzeren communiebank werden naar zijn plannen uitgevoerd Als veelzijdig ontwerper tekende Carpentier eveneens voor het veelkleurige, naar middeleeuwse traditie uitgevoerde brandglasraam in het koor. Het is opgedeeld in drie registers met bovenaan de Heilige Drievuldigheid, in het midden van links naar rechts de Heilige Eligius, de Heilige Catharina,de Heilige Martinus van Tours, de Heilige Barbara en de Heilige Nicolaas en onderaan telkens een fragment uit het leven van de betreffende heilige. Van het 40-tal glasramen die Carpentier ontwierp wordt dit als zijn meest geslaagde beschouwd.

Meubilair:
  • hoofdaltaar in witte steen, in 1873 uitgevoerd door Pierre Peeters, Borgerhout, naar ontwerp van E. Carpentier. Boven door vier zuiltjes geschraagde en met draperingen versierde altaartafel een bas-reliëf met voorstelling van het Laatste Avondmaal. Tabernakel in verguld koper met geëmailleerd deurtje, Lambert Van Rijswijck, 1878, Antwerpen.
  • zijaltaar (noord) in witte steen met taferelen uit het leven van Maria rond een centrale nis met gepolychromeerd Mariabeeld.
  • zijaltaar (zuid) in witte steen met centraal een gepolychromeerde Sint-Jozef geflankeerd door de Heilige Hubertus, de Heilige Leonardus, de Heilige Nicolaas en de Heilige Rochus.
  • Kruisweg in witte steen, waarvan de bas-reliëfs werden uitgevoerd door F. De Vriendt, Antwerpen.
  • neogotische zitbanken in het koor, afkomstig van de oude kerk.
  • in de zijbeuken twee eiken biechtstoelen met Louis XV-motieven, midden 18de eeuw.
  • in de zijbeuken twee eiken biechtstoelen, circa 1700, met onder een boogfronton respectievelijk de voorstelling van de Boetvaardige Petrus met de symbolen van Geloof en Liefde en de voorstelling van de Boetvaardige Maria Magdalena met de symbolen van Berouw en Hoop.
  • eiken preekstoel, Louis XV, midden 18de eeuw, met op de kuip medaillons met buste van de Westerse kerkvaders en de symbolen van de Evangelisten. Vernieuwde voet en naar verluidt vroeger beschilderd.
  • hardstenen doopvont met koperen deksel, 17de eeuw.
  • orgel, Joseph Cappuyns uit Mechelen, 1849 later uitgebreid door Ch. Anneessens of Reygaerts uit Geraardsbergen. Beschermd monument bij koninklijk besluit van 11 september 1979.
  • sculpturen: houten kruisbeeld, 18de eeuw; de Heilige Anna met Maria, gepolychromeerd; de Heilige Martinus van Tours, gepolychromeerd hout, 18de eeuw; Onze-Lieve-Vrouw met Kind met wereldbol en scepter, hout, circa 1580.

Een bakstenen muur met hardstenen dekplaten omarmt het oude kerkhof met dodenhuisje, dat gelet op de typisch verzorgde architectuur wellicht eveneens aan Carpentier dient toegeschreven. Deze bak- en hardstenen constructie met uitzicht van een kapel omvat een hoofdvolume onder zadeldak, voorafgegaan door een lagere voorbouw met schilddak. Een driedelig boogvenster en een register van gekoppelde, rechthoekige vensters onder metalen latei verlichten de binnenruimte. Het gevelfront is volwaardig uitgewerkt als een puntgevel met aandak, muurvlechtingen, schouderstukken en een overhoeks topstuk, bekroond met een smeedijzeren kruis. De nok is voorzien van een opengewerkte, houten pseudo-klokkenruiter die als verluchtingskanaal functioneert.

  • DE GENS G. & MARTINY V.-G. 1992: Académie Royale des Beaux-Arts de Bruxelles, Brussel, 25.
  • DE MAEYER J. (ed.) 1988: De Sint-Lucasscholen en de neo-gotiek 1862-1914, Kadoc-studies 5, Leuven.
  • PEREMANS M. 1926: Thollembeek, Brussel.
  • ROEYKENS A. (1976): Tollembeek. Oude en nieuwe kerk, (Sint-Pieters-Kapellen).
  • ROUSSEAU H. 1893: Eugène Carpentier, l’ Emulation, 1893, col. 73-77.
  • S.N. 1883: Revue de l’architecture en Belgique, s.l., 51-55 & pl. 10 en 12.
  • S.N. 1989: Académie de Bruxelles. Deux siècles d’architecture, Brussel, 228-233.

Bron: Beschermingsdossier DB002112, Parochiekerk Sint-Martinus met kerkhofmuur en dodenhuisje (digitaal dossier)

Auteurs: Paesmans, Greta

Datum tekst: 1999

Alle teksten

Aanvullende informatie

Groot achterliggend kerkhof opgebouwd volgens dambordpatroon. Op het kerkhof bleef een collectie graftekens bewaard die het volledige overzicht toont van de stichting van de site tot vandaag.

Mertens, Joeri (02-10-2015 )

Relaties

maakt deel uit van Tollembeek

Tollembeek (Galmaarden)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.