is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Neufcour van Eizeringen
Deze vaststelling is geldig sinds
omvat de aanduiding als beschermd monument Kasteel de Neufcour van Eizeringen met wagenhuis
Deze bescherming is geldig sinds
is deel van de aanduiding als beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Kasteel de Neufcour van Eizeringen met omgeving
Deze bescherming is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Neufcour van Eizeringen
Deze vaststelling was geldig van tot
Neoclassicistisch kasteel met oudere kern en parallel ingeplante dienstvleugel met wagenhuis, ter vervanging van een strak-geometrische structuur uit het einde van de 18de eeuw omgeven door relicten van een landschappelijk park van oorspronkelijk 7 hectare, aangelegd circa 1820.
Over het eigenlijke ontstaan van dit dorpskasteel zijn geen gegevens bekend, alhoewel mag aangenomen worden dat de aanwezigheid van het kasteel bepalend was voor de ontwikkeling van dit gehucht. Midden 16de eeuw vormde Eizeringen een afzonderlijke heerlijkheid in het bezit van de familie d’Enghien-Kestergat. Door huwelijk en vererving was deze heerlijkheid achtereenvolgens in handen van Gaspar-Antoine d’Aubermont, heer van Grimbergen en Ribaucourt (+ 1657) en van Diego Gomez, graaf d’Espinosa (+1694). Het goed wordt nadien verworven door de familie Huysman. J. Huysman de Neufcourt, door wiens toedoen de kerk werd gebouwd, liet er een nieuw kasteel bouwen. In het tweede kwart van de 20ste eeuw eigendom van het plaatselijk klooster, dat er een tijdlang een kostschool inrichtte en het nadien als stapelplaats gebruikte.
De oudste vermelding van een kasteel ("belle maison de campagne") in het gehucht Eizeringen komt voor in een huwelijkscontract uit 1729, waarbij het door de heer van Ter Rijst (Heikruis), Jean-Pierre de Kempis, als bruidschat wordt geschonken ter gelegenheid van het huwelijk van zijn dochter Marie Anne Charlotte Thérèse met Sebastiaan Antoon Huysman (1703-1763), raadsman en meester bij het Rekenhof.
De "Cense Huysman" op de Ferrariskaart (1771-1775) bestaat uit een gesloten vierkanthoeve en, ten zuiden daarvan, een 'huis van plaisantie' dat uitkijkt over een siertuin met padenkruis binnen de contouren van een halve cirkel. De drie evenwijdig opgestelde gebouwen ten oosten van het landhuis zijn vermoedelijk de stallen, het koetshuis en de woning van de huisbewaarder-tuinier. Een 100 meter lang dreefje vanuit het zuiden (de enige noemenswaardige, rechtstreekse toegang) leidt naar de ruimte tussen de hoeve en het landhuis, die vermoedelijk als een soort ere-erf fungeerde – een ordening die beantwoordt aan een in de 18de eeuw populair concept ("vivre entre cour et jardin"). Op het cirkelvormig ereplein voor het kasteel sloten straalsgewijs diverse met hagen en bomen omzoomde wegen aan. De ruimten tussen de gebouwen werd benut als fruit- en moestuinen.
Op een eerste versie van de kadasterkaart (later zullen de percelen worden hernummerd), niet gedateerd maar waarschijnlijk vóór 1818, heeft de omgevingsaanleg rond het château d'Iseringen (in plaats van "cense") meer allure gekregen: de op de Ferrariskaart afgebeelde parterretuin wordt weergegeven als een rechthoek van ongeveer 70 are groot (nr. 319 op de kaart), gevat in de vertakking van de dubbele toegangsdreef (nr. 324), die bijna loodrecht op het kasteel naar de steenweg Asse toe loopt. De hoeve bevindt zich op het kruispunt met een tweede as, loodrecht op de eerste, gevormd door twee parallelle dreven die de hoeve, drie percelen én het kerkpleintje van Eizeringen omvatten. Eén van deze dreven is de openbare 'Capelle straet', die in de jaren 1850 zal worden opgeheven. Opzij van de as tussen de kerk en de hoeve worden opnieuw de kasteelaanhorigheden afgebeeld in de vorm van een groot gebouw met L-vormige plattegrond en een klein gebouw (tuiniers woning of portiersloge?). Bij deze kaart werd geen legger gevonden waarin de functie en het gebruik van de percelen gespecificeerd worden, maar de strakke geometrie en de (vanuit het landhuis gezien) axiale symmetrie suggereren een bescheiden voorbeeld van een klassieke aanleg, die op dat moment al uit de mode is.
Na het overlijden van de weduwe van Sebastiaan Huysman in 1771 was Eizeringen in onverdeeld bezit gebleven, tot het in 1818 werd toegewezen aan een van de kleinkinderen: Léonard François-de-Paule Ghislain Huysman de Neufcour (1742-1824). Het kasteel van Eizeringen wordt daarom ook soms het kasteel van Neufcour genoemd. Het was waarschijnlijk zijn zoon Joseph (1780-1848), ooit gemeenteraadslid en schepen van Brussel, burgemeester van het 10 kilometer verderop gelegen Herfelingen en eigenaar volgens het Primitief kadaster, die het axiaal-symmetrische aanlegpatroon liet opruimen, samen met de aanhorigheden ten oosten van het kasteel. Rondom het kasteel werd een perceel 'lustgrond' van zeven hectare gevormd, nummer 331 van het Primitief kadaster (1831), ongetwijfeld een informele, landschappelijke aanleg.
De huidige, neoclassicistische verschijningsvorm van het kasteel dateert vermoedelijk ook uit die periode, hoewel de eerste en enige wijziging – waarbij in de plattegrond het middenrisaliet in de zuidgevel verschijnt – pas in 1869 door het kadaster wordt geregistreerd. De wagenhuisvleugel (met vijf rondbogen) die het ereplein tussen de hoeve en het kasteel afsluit werd vermoedelijk ook onder Joseph Huysman gebouwd, ter vervanging van de verdwenen bijgebouwen ten oosten van het kasteel (hoewel hij op alle 19de-eeuwse kaarten ontbreekt en pas wordt ingetekend op de kadastrale opmetingsschets van 1957). Zijn ambities betroffen overigens het hele gehucht: hij financierde in 1840 de heropbouw van de bouwvallige Sint-Ursulakapel tot een echte parochiekerk en de bouw van een pastorie en onder zijn impuls werd Eizeringen in 1843 een onafhankelijke parochie.
De circa 1830 opgestelde Primitieve kadasterkaart noch de topografische kaart van Vander Maelen geven enige aanduiding over de structuur en het uitzicht van de door Huysman aangelegde landschappelijke tuin, maar een figuratief "Plan des biens vendus par Mr le Baron de Beeckman" door landmeter P. Weemaels van 1868 sluit vermoedelijk nog nauw aan bij de oorspronkelijke situatie. De beboomde oprijlaan vanaf de steenweg Asse-Edingen bleef behouden. Op het punt waar deze laan vóór 1818 na 200 meter vertakte en in perfecte symmetrie de parterretuin voor het kasteel omlijstte, begint het landschappelijk park met een grote, lichtjes oplopende, min of meer ovale rotonde, omsloten door de op- en afritten naar en van het kasteel, die zich vertakken naar de uithoeken van het park. Het gros van het park ligt ten oosten van deze rotonde. Hier bevindt zich het laagste gedeelte van het domein, deel van het diffuse brongebied van het sterk vertakte bekenstelsel dat na diverse naamsveranderingen (Klapscheutbeek, Kasteelbeek) bij Ternat in de Molenbeek-Bellebeek uitmondt. De twee kleine vijvers die Huysman hier liet uitgraven worden nog wel afgebeeld op een verkoopsaffiche uit 1921, maar niet meer op de stafkaart van 1930.
De rechtstreekse (zij het slingerende) verbinding tussen het kasteel en de nieuwe dorpskerk zou de paternalistische instelling van Joseph Huysman kunnen typeren. De octopusachtige structuur van het padenpatroon, de stoffering van het park (inclusief het ovalen bloemperk voor het kasteel) en ook de manier van voorstelling (combinatie van plattegrond en vogelperspectief voor de bomen) is kenmerkend voor het midden van de 19de eeuw. Zuilvormige bomen, hoogstwaarschijnlijk Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica'), vaak in groepjes van drie en dicht bij de paden, zorgen voor 'Italiaanse' ambiance. Italië was vanouds een belangrijke inspiratiebron voor de ontwerpers van landschappelijke parken. Enigszins archaïsch (of historiserend?) is de vierkante siertuin met padenkruis, centraal rond punt en snoeiboompjes links van de oprijlaan, buiten het landschappelijk park, in de kadastrale legger (perceel 194/4) als boomgaard en vanaf 1869 als "hof" vermeld – mogelijk een moestuin met sierelementen. Rechts van de oprijlaan ligt een onregelmatig-vierhoekig perceel met eveneens een padenkruis (perceel 328/2), volgens de legger "kwekerij" (boomkwekerij, pépinière). De stafkaart van 1879 geeft een beeld dat nagenoeg volledig overeenstemt met de kaart van Weemaels.
Na de dood in 1860 van Rosalie Huysman, de langst levende zuster van Joseph, werd Eizeringen toegewezen aan baron Albert de Beeckman de Vieusart, een neef van één van haar zusters. Hij verkocht het domein (zonder de hoeve) in 1868 aan de uit het Gentse afkomstige baron Joseph van Pottelsberghe de la Potterie, die het kasteel permanent ging bewonen (wellicht voor de eerste keer in de geschiedenis) en enthousiast de rol op zich nam van dorpsheer-weldoener (financiering van zangkoor en fanfare, bouw van een Lourdesgrot et cetera).
In 1921 werd het domein door zijn erfgenamen opnieuw te koop gesteld. Het plan op de verkoopsaffiche door landmeter Frans Van den Notelaer lijkt als twee druppels water op dat van Weemaels, een halve eeuw eerder. De gemeente kocht een perceel ten westen van de kerk aan waarop in 1929 het nieuwe kerkhof werd aangelegd. Het kasteel met een deel van de tuinen werd aangekocht door de toenmalige pastoor van Strijtem, Louis Van den Houte, die er een rusthuis wilde vestigen, maar al snel in geldnood geraakte en daarom de oudste parkbomen liet vellen. Een jaar later verkocht hij onder druk van het bisdom het domein aan de 'Kanunnikessen-Missionarissen van Sint-Augustinus', beter bekend als de 'Zusters van de Jacht', die het als noviciaat in gebruik namen tot ze in 1928 naar een nieuw klooster in Heverlee verhuisden. Het kasteeldomein werd verkocht aan de 'Zusters van Sint-Jozef' (in 1967 gefusioneerd met de franciscanessen van Strijtem), die in het kasteel een kostschool voor jongens onderbrachten.
Vanaf 1945 kwam het goed leeg te staan en raakte in verval. Ten tijde van de bescherming in 1993 was het kasteel, zijn bijgebouwen en omgeving reeds geruime tijd verlaten en takelde het geleidelijk verder af. De vroegere kasteelhoeve was top dat moment onbewoond en deed dienst als schapenstal. Bij het landhuis waren de monumentale trappartijen voor de ingangstraveeën grotendeels verdwenen. De oostgevel was eerder al in de jaren 1970 deels ingestort. Begin 21ste eeuw werd het goed echter door een particulier aangekocht en gerestaureerd.
Wat momenteel, na allerlei verkavelingen, nog rest van het oorspronkelijk ca. 24 hectare groot kasteeldomein is een nagenoeg driehoekig terrein ingesloten door de Luitenant Jacopsstraat (westen), de Frans Baetensstraat (noorden), de Kerkweg (oosten) en de veldweg Luitenant Jacopsstraat-Edingensesteenweg. De eigendomsgrens is duidelijk afgebakend met een manshoge betonafsluiting en een bakstenen muur langs de Frans Baetensstraat. Tegen de westgrens bevindt zich het kasteel met de voorgevel gericht op de steenweg Asse – Edingen. Achter het kasteel liggen de dienstgebouwen waaronder de paardenstallen met remise en de kasteelhoeve.
Het op een helling ingeplant kasteel werd ingrijpend verbouwd door Joseph Huysman de Neufcour (1780-1848), wellicht tijdens het eerste kwart van de 19de eeuw. Het uitzicht van het huidige kasteel dateert uit het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw met binnenin diverse sporen van een oudere kern, hoofdzakelijk terug te vinden in de westtraveeën.
Het kasteel vertoont een rechthoekige plattegrond met twee bouwlagen van negen traveeën en een souterrain afgedekt met een schilddak (leien).
De voorgevel (zuiden) wordt benadrukt door een middenrisaliet, drie traveeën breed en drie bouwlagen hoog, bekroond met een driehoekig fronton met de wapenreliëfs van de familie Huysman.
Het baksteenmetselwerk met sporen van okerkleurige beschildering rust op een met kwarthol profiel afgezette lage kalkzandstenen sokkel die vanaf de noordgevel trapsgewijs daalt en haast onzichtbaar wordt in de zuidgevel. De souterrrainverdieping is opengewerkt met steekboogvensters in een kalkzandstenen omlijsting met kwartholle neg en negblokken (18de eeuw). De bovenliggende bouwlagen vertonen hoge, rechthoekige vensters in licht uitspringende omlijstingen met smalle druiplijst. Deze vensters waren voorzien van luiken.
De ingangstraveeën werden extra benadrukt door monumentale trappartij.
De westgevel is bekleed met kunstleien, de oostgevel was – ten tijde van de bescherming – al geruime tijd grotendeels ingestort.
Het interieur bevat naast een typische 19de-eeuwse decoratie nog diverse elementen uit de 18de eeuw, echter uitsluitend in de westvleugel: op het gelijkvloers moerbalken op zes geprofileerde kraagstenen; op de verdieping een Louis XVI-stucplafond met schelp- en bladmotief, met behoud van de moerbalken en kraagstenen; in het souterrain een tongewelf en een 2,50 meter breder brede schouw met geprofileerde natuurstenen posten, de aanzet van kruisgewelf op kraagstenen, geprofileerde steekboogdeuren en mooie, originele tegelvloeren.
Uit het begin van de 19de eeuw dateert onder meer de majestueuze trappenhal. De wanden zijn beschilderd met imitatienatuursteen doorstreept met sierstroken met geometrische motieven. De trap zelf is een houten wenteltrap met houten boom en leuning en eenvoudige gietijzeren stijlen met knopmotief. De traphal wordt verlicht door een glazen koepel, gevormd door een houten bepleisterd skelet.
Ook de bewaarde inrichting van één van de vertrekken op de verdieping dateert vermoedelijk uit het eerste kwart van de 19de eeuw. De nagenoeg vierkante kamer bevat een eenvoudig stucplafond, een marmeren schouw met gecanneleerde stijlen en een houten beschilderde boezem met ingelijste spiegel en een gesculpteerd Louis XVI bloemstuk. Dubbele paneeldeuren bedienen het vertrek.
Ten noorden van het kasteel bevindt zich een rechthoekige dienstvleugel eveneens uit het begin van de 19de eeuw. De gevel van het middendeel, afgedekt met een zadeldak (mechanische pannen), wordt gestructureerd door vijf rondbogen in baksteen en geflankeerd door iets hogere hoekpaviljoenen onder tentdak. Een over de gehele gevellengte doorlopende lekdrempel scheidt de rechthoekige muuropeningen op het gelijkvloers van de halfronde vensters afgewisseld met oculi op de verdieping. Deze vleugel met blinde achtergevel sluit de binnenkoer van de voormalige kasteelhoeve langs de zuidzijde af.
Van deze oorspronkelijk gesloten vierkanthoeve, daterend uit de 17de en 18de eeuw resten momenteel enkel de oost- en noordvleugel en langs de westzijde een muurfragment met verankerde rondboogpoort met vlakke arduinen omlijstingen en negblokken. Aansluitend op deze inrijpoort bevond zich vroeger een langsschuur die de binnenkoer langs de westzijde afsloot. De schuur werd in 1940, na stormschade, gesloopt. De arduinen schuurpoort bleef overeind in de zijgevel van het eveneens grotendeels verdwenen poortgebouw.
De zuidvleugel omvat het woonhuis dat vermoedelijk dateert uit eind 17de, begin 18de eeuw: drie traveeën met één bouwlaag onder zadeldak (kunstleien) en twee traveeën met twee bouwlagen, muurvlechtingen en zadeldak (pannen). Langs de veldzijde bevat de gevel een zwart geschilderde, natuurstenen rondboogdeur met negblokken en rechthoekige vensters waarvan slechts één met kalkzandstenen omlijsting. Langs de erfzijde bevindt zich een eveneens zwart geschilderde rondboogdeur ditmaal met een geblokte omlijsting met regelmatige negblokken. Een zwart geschilderde rondboogdeur van zandsteen aan de erfzijde, voorzien van een omlijsting met uitstekende, regelmatige negblokken en sluitstenen; rechthoekige vensters met zandstenen omlijstingen met negblokken, in het hoger gedeelte dichtgemetseld en voorheen met kruiskozijn of tussenstijl.
De stalvleugel langs de oostzijde onder zadeldak (pannen) is voorzien van licht steekboogvormige deuren van arduin (18de eeuw) en bevat nog de originele grote arduinen voederbakken.
Het kasteel is grotendeels omringd met weiland (vroeger akkers) met aansluitend op de Luitenant Jacopsstraat een oude hoogstamboomgaard.
Van het park dat Joseph Huysman (1780-1848) begin 19de eeuw liet aanleggen bleven slechts enkele schaarse relicten bewaard. Afgezien van enkel solitairen verspreid in het landschap is vooral een bosje met vijf oude bruine beuken (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’) in de noordpunt van het domein ter hoogte van de Frans Baetensstraat belangrijk. Op een perceel van ongeveer 42 are bevinden zich waardevolle bomen zoals bruine beuk, winter- en zomereik (Quercus petraea, Quercus rubra), tamme kastanje (Castanea sativa), esdoorn (Acer) en linde (Tilia) als het enige restant van de 19de-eeuwse sierbeplanting. Een met sierstruiken (Aucuba japonica 'Variegata', Prunus laurocerasus, Rhododendron ponticum...) omgeven Heilig-Hartbeeld getuigt van de 'kerstening' van het domein na 1922. In de hoogspanningscabine langs de Frans Baetensstraat is het oorspronkelijke achthoekige tuinpaviljoen te herkennen.
Van het drevenpatroon dat het domein ontsloot zijn niet direct zichtbare sporen bewaard. De dreef tussen kasteelhoeve en kerk was reeds in 1856 gesupprimeerd. De grote toegangsdreef met dubbele beukenrij die vanaf de steenweg uitmondde op het voorplein van het kasteel is enkel nog herkenbaar in de kadasterpercelering en meer bepaald in het langgerekte perceel dat nog herkenbaar is op de kadasterkaart. Alleen van de lindendreef, tussen de huidige Luitenant Jacopsstraat en de Kerkweg bleef het tracé bewaard. Het gaat om een onverharde veldweg op de zuidgrens van het domein. Momenteel is het domein enkel toegankelijk via bescheiden toegangen langs de Frans Baetensstraat en de Luitenant Jacopsstraat. Van het ‘landschappelijk’ padennet is ook niets meer overgebleven.
Opname 29 mei 2001. Het cijfer in vet geeft de stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte.
Auteurs: Deneef, Roger; Wijnant, Jo; De Maegd, Christiane; Van Aerschot, Suzanne
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)