Hoeve Hof ten Steene

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Alternatieve naam Hof te Oppem
Provincie Vlaams-Brabant
Gemeente Meise
Deelgemeente Meise
Straat Oppemstraat
Locatie Oppemstraat 153-161, Meise (Vlaams-Brabant)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Meise (actualisaties: 22-08-2006 - 22-08-2006).
  • Adrescontrole Meise (adrescontroles: 17-07-2007 - 17-07-2007).
  • Herinventarisatie Meise (geografische herinventarisatie: 04-02-2015 - 31-03-2016).
  • Inventarisatie Meise (geografische inventarisatie: 01-01-1975 - 31-12-1975).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Hoeve Hof ten Steene

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als monument Hoeve Hof ten Steene

Deze bescherming is geldig sinds 21-08-2003.

is beschermd als stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Hoeve Hof ten Steene: omgeving

Deze bescherming is geldig sinds 21-08-2003.

Beschrijving

Het Hof ten Steene is een middelgrote vierkantshoeve met een typerende donjon, mogelijk teruggaand tot 12de of 13de eeuw. Na verwoestingen aan het eind van de 16de eeuw werd de hoeve heropgebouwd. De hoeve domineert het zicht van de gehuchtskern.

Historiek

Volgens de recentste bronnen lag het nu verdwenen hof van Ophem dat zich ten westen van de Sint-Stefanuskerk bevond aan de basis van de ontwikkeling van dit op een heuvel uitgebouwde gehucht van Brussegem. Dit leengoed van Groot-Bijgaarden was in het bezit van het oude riddergeslacht van Ophem waarvan reeds vertegenwoordigers worden vermeld in het cartularium van de abdij van Grimbergen (1132-1243). Later werd het hof van Ophem opgesplitst in verschillende hoven waaronder het hof achter de kerk, het latere Sterckxhof, en het hof ten Steen dat in de 14de eeuw in het bezit was van Gielis van Ophem. De oudste beschrijving van het hof ten Steen dateert van 1413 toen Walraven van Berghe, die het hof had aangekocht van de kinderen van Gielis van Ophem, zijn goederen overmaakt aan de familie van der Balct die gedurende twee eeuwen eigenaar bleef. Het testament vermeldt een "…steenhuysen ende bogaerden, d’ water daer achter gelegen ende de wyngaert daer vore …".

Uit 1532 dateert een meer gedetailleerde omschrijving als "een winhof met huizen, schuren, stallen edificien te Ophem geheten t’Hoff te Steene" met een areaal bestaande uit 24 bunder land, 4 bunder weiden, een wijngaard van 3 dagwand en een vijver van 1 bunder.

Tijdens de godsdienstoorlogen werden de hoevegebouwen vernield zoals blijkt uit een akte van verdeling uit 1582, opgemaakt na het overlijden van Willem Matens en Ursula van der Balckt. De toren en de stenen waterput op het erf waren enkel beschadigd.

Opmerkelijk is de vermelding als "speelhuys … geheeten de Steen: 2 schouwen" in een telling van 1621, wat wijst op een omvorming tot landhuis.

In 1622 werd ten Steen bij openbare verkoop aangekocht door Peeter van der Schueren, pachter afkomstig van het hof van Amelgem. De koop omvatte "een steenen hof mette messie, huysen, schueren, stallen, coolhove, metten gebruycke van de steenen borreputte daerachter aen gelegen – 95 roeden groot … palende oigstwaerts aen de straete, suytwaerts aen het steenuyssel aldaer, westwaerts aen de vijverdam oft gracht aldaer en noordwaerts aen den boomgaert gemeenlijk geheeten den steenen boomgaert".

Begin 19de eeuw kwam het hof met 30 bunder land en weide in het bezit van Marie Madeleine Popelaire, echtgenote van Augustin Succa, die het hof in 1834 aan de familie Verhaegen verpachtte. Volgens de kadastrale gegevens besloeg het hof in 1835 een oppervlakte van 23 hectare 13 are. Rond 1850 verwierf de familie J. van Male de Ghorin het hof ten Steen waarna het in het bezit kwam van de voormalige pachters, de familie Verhaegen.

Kaart 33 in het "Caertboeck" van de abdij van Grimbergen (1699) geeft een schematische voorstelling van het hof ten Steen, ingeplant ten noorden van de kerk, ter hoogte van een driesvormige structuur. De vrijstaande, rechthoekige woontoren met leien zadeldak domineert een hoevecomplex gevormd door twee L-vormig aaneengesloten en een vrijstaand volume die samen een rechthoekig erf belijnen. Achter de hoeve, aan de westzijde, liggen twee, door een aftakking van de Molenbeek gevoede vijverblokken verwijzend naar het reeds in 1413 vermelde "water", waarvan de herinnering nog steeds doorleeft in de benaming van de aangrenzende Blokvijverstraat.

Op de Ferrariskaart (circa 1775) is de hoeve geëvolueerd tot een semi-gesloten vierkantstructuur, nog deels geopend langs de straatzijde. Het complex is aan noord- en westzijde omsloten door een grote boomgaard en moestuinpercelen. De vijverblokken zijn evenwel verdwenen.

De Poppkaart (circa 1860) toont een inmiddels volledig gesloten vierkantstructuur, zoals bewaard tot over een tiental jaren toen de ingestorte westelijke stalvleugel werd vervangen door een nieuwbouw.

Alhoewel op het terrein verdwenen, zijn de vijverblokken kadastraal nog duidelijk herkenbaar onder de nummers 272 en 274. Op de huidige kadastrale legger wordt het perceel 272 nog steeds als vijver geïdentificeerd. Het bij de hoeve horende areaal is momenteel herleid tot circa 1,5 hectare.

Recent, rond de jaarwisseling, ging een deel van de zuidwand van de donjon tegen de vlakte, wat eveneens schade berokkende aan de aangrenzende stal.

Beschrijving

De donjon van Oppem is ingeplant tegen de zuidoostelijke flank van de Molenbeekvallei, ten noordwesten van de kerk en maakt deel uit van een uit de 17de en/of 18de eeuw daterende vierkantshoeve.

De woontoren met een nagenoeg vierkante plattegrond (8,23 x 8,16 meter) en een muurdikte variërend van 0,95 tot 1,08 meter is opgetrokken in baksteen met een parement in zandhoudende kalksteen in middelgroot en regelmatig verband voorzien van een omlopende druiplijst. Momenteel telt hij twee niveaus afgedekt met een zadeldak (rode Vlaamse pan). Volgens Doperé en Ubregts omvatte de donjon oorspronkelijk vier mogelijk zelfs vijf niveaus. Of deze verdwenen ingevolge de schade tijdens de godsdienstoorlogen op het einde van de 16de eeuw is niet bekend.

Oorspronkelijk was het kelderniveau enkel toegankelijk via een val in de zuidgevel die nadien werd vervangen door een rondboogdeur (sinds de gedeeltelijke instorting verdwenen). De met een gedrukt bakstenen tongewelf overkapte ruimte is voorzien van twee kleine vierkante vensters, respectievelijk in de zuid- en noordwand waarvan één met bewaard ijzeren traliewerk. In de oostwand uitgespaard bevinden zich een grote rondboognis geflankeerd door twee kleinere rechthoekige nissen. Het ontvangstniveau dat mogelijk ook een residentiële functie bezat is toegankelijk langs de noordzijde via een rechthoekige deur met smalle monolietlatei, gedrukte ontlastingsboog en klembalk De aangepaste linkerdeurstijl wijst op een versmalling van de doorgang. Twee sleuven in de stijlen voor de deurvleugel suggereren een verdwenen scherm. Een houten roostering vervangt een kruisribgewelf waarvan de aanzetsporen met gewelfconsole met dropmotief bewaard bleven. Tegen de noordwand bevindt zich een bakstenen haard met houten haardbalk en resten van een schouwpenant met keellijst en octogonaal profiel met rechts ernaast een driehoekige muurnis. De ontlastingsboogjes en negblokken in de zuidgevel verwijzen naar twee, momenteel dichtgemetselde lichtopeningen. Het eiken kapgebint van het zadeldak werd grotendeels vernield bij de recente, gedeeltelijke instorting. Het venstertje in de oostwand is wellicht een latere toevoeging.

Ten zuiden van de woontoren bevindt zich de in kwadraatstructuur opgestelde hoevegebouwen waarvan de algemene configuratie minstens opklimt tot 1699, datum van de oudste voorstelling in het kaartboek van de abdij van Grimbergen. De wit geschilderde bakstenen volumes met rode pannen zadeldaken en groen geschilderd schrijnwerk belijnen een nagenoeg vierkant erf, toegankelijk via een houten benagelde poort in de stalvleugel. De fraai gebeeldhouwde, barokke makelaar met verweerd jaartal 1653 wijst op hergebruik. Mogelijk is de poort afkomstig van de kerk van Brussegem zoals de door Wauters gepubliceerde foto suggereert. Aan de noordzijde van het erf bevindt zich het boerenhuis, een éénlaags bakstenen gebouw met zadeldak (mechanische pan). Het werd in 1926 gebouwd met hergebruik van de natuurstenen venster- en deuromlijstingen van het afgebroken woonhuis. De twee identieke rondboogdeuren met kwarthol profiel, negblokken, uitspringende imposten en sluitsteen met bekronende druiplijst alsook de vensterstijlen met kwarthol beloop en negblokken pleiten voor een 17de of begin 18de-eeuwse origine. Voorzien van natuurstenen, uitspringende plint en in kern opklimmend tot de 17de en/of 18de eeuw. Beide kopgevels zijn opengewerkt met een uilengat en een rechthoekige inrijpoort met houten latei en bakstenen ontlastingsboog, aan de straatzijde geflankeerd door een rondboognis met Mariabeeld. Een natuurstenen rondboogdeur met sluitsteen en uitspringende imposten zorgt voor een directe verbinding met het erf. Een bakstenen muur scheidt de dorsvloer van de stapelruimte. De eiken spanten met toognagelverbinding tonen aanpassingen die wijzen op een lichte verhoging van de dakhelling.

Aan de straatzijde vormt een langgerekte uit twee onderscheiden volumes samengestelde stalvleugel met natuurstenen onderbouw de oostelijke begrenzing van de binnenkoer. Eiken spanten met houten toognagelverbinding, waaronder een muurspant, dragen het pannen zadeldak. De stalvleugel aan de westzijde van de binnenkoer werd enkele decennia terug vervangen door een nieuwe constructie.

Bron: Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier DB002188, Hof ten Steene.

Auteurs: Paesmans, Greta

Datum tekst: 2002

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Oppem

Meise (Meise)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.