erfgoedobject

Bedevaartkerk Onze-Lieve-Vrouw

bouwkundig element
ID: 40481   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/40481

Juridische gevolgen

Beschrijving

Barokke bedevaartkerk uit de 17de eeuw gelegen in het gehucht Jezus-Eik. In de 17de eeuw was het kleine gehucht nog volledig omgeven door het Zoniënwoud. Vandaag ligt het aan de grens van het woud. Tegen het koor ten zuidoosten aangebouwde rectorswoning, later pastorie. De woning vormt één geheel met de kerk sinds midden 17de eeuw. Ten noorden van de kerk voormalig, deels ommuurd, kerkhof met enkele bewaarde grafstenen.

Historiek

Aan de oorsprong van de kerk is een legende verbonden die vertelt dat er in het Zoniënwoud een eik getroffen werd door de bliksem. Aan deze "duivelseik" zou een kruisbeeld gehangen hebben. Peeter van de Kerckhove had als laatste wens op zijn sterfbed dat er een Mariabeeldje in een kapelletje aan de eik werd gehangen. Hij stierf in 1635 en zijn zoon voerde de wens in 1636 uit. Hierna gebeurden er een aantal miraculeuze genezingen die toegeschreven werden aan de tussenkomst van Onze-Lieve-Vrouw. Het gevolg was het ontstaan van een bedevaartsoord waarbij Overijse, Tervuren en de Abdij van het Park aanspraak wilden maken om dit bedevaartsoord uit te baten. Jezus-Eik was nog niet afhankelijk van een parochie en lag toen nog volledig in het Zoniënwoud, koninklijk gebied. Vooral onder invloed van de norbertijnen van de Abdij van het Park die de bediening van de kerk van Tervuren voor haar rekening nam, werd ze verbonden met Tervuren.

De bloei van dit bedevaartsoord in de 17de eeuw was geen alleenstaand gegeven. De Mariaverering werd sterk gepropagandeerd en paste volledig in de geest van de contrareformatie. Het aantal mirakels en de omvang ervan was van belang voor de erkenning van het bedevaartsoord. Het was dus noodzakelijk dat gelovigen hun ervaringen meedeelden, hetzij schriftelijk of mondeling, hetzij door schenking van een ex-voto. De kerk van Jezus-Eik heeft er vele in haar bezit.

De eerste mis werd opdragen op 12 oktober 1642, door een abt van de Abdij van het Park. Eerst was er nog een kleine kapel, maar door het toenemend aantal bedevaarders werd er in 1650 overgegaan tot de bouw van de kerk. De eerste steen werd gelegd op 20 april door Leopold-Guillaume, gouverneur der Nederlanden en neef van Filip IV koning van Spanje. Twee stenen herinneren hieraan: oorspronkelijk in de oostwand van het schip en een gevelsteen bij de fundering van de rechterzijgevel. Beide stenen staan vandaag naast de ingangsdeur. De eerste bevat volgend chronogram: "ChrIstI et VIrgInIs ope/ VICtor paCIfICVs/ arChIDVX aVstrIe/ LeopoLDVs ponebat". De tweede steen bevat volgend chronogram: "ChrIsto et saCrae VIrgInI/ DeVotVs CLIens/ LeopolDVs aVstrIaCVs/ anno IVbILarI posVIt", beide met verwijzing naar het jaar 1650.

Het ontwerp van de barokke bedevaartkerk wordt toegeschreven aan architect Jacques of Jacob Francart, die kort na de start van de bouw overleed in 1651. Het materiaal voor de bouw werd voornamelijk ter plaatse gewonnen. Zo werden er in de buurt steenovens gemaakt voor de bakstenen. De Abdij van het Park zorgde voor kalkzandsteen uit een eigen groeve in Bertem en hout uit eigen bossen in Stokkel. In een eerste fase werd het rechthoekige koor gebouwd met aansluitend de sacristie en bergruimte en een eenlaags rectorshuis tegen de oostgevel. Vanaf circa 1663 werd begonnen met het eenbeukige schip. In 1667 kon men nog een extra verdieping bouwen op het rectorshuis. De vloer uit 1672 bestaat uit witte en blauwe tegels uit Steenokkerzeel en is nog steeds origineel. De glasramen werden in 1680 geplaatst (vandaag zijn deze eerste glasramen samengebracht in één raam). En begin 18de eeuw, in 1714, werden het hoofdaltaar, de zijaltaren en de lambriseringen van het koor, die één geheel vormen, voltooid.

Tot 1700 was de kapel afhankelijk als kapelanij van de parochie Tervuren bediend door de abdij van het Park in Heverlee, hierna werd het een zelfstandige parochie. Bij de Franse Revolutie werd de kerk gesloten, de pastorie geplunderd en de kerkmeubels geveild. De meubels van de kerk werden hierna gerecupereerd.

Parochiaal werd Jezus-Eik in 1825 afhankelijk van de parochie Overijse. In september 1842 werd Jezus-Eik opnieuw zelfstandig. De kerk werd in 1868 naar neogotische inzichten en smaak verbouwd onder leiding van provinciaal architect Louis Spaak. Bij deze ingreep werd de westgevel vernieuwd en een westtoren toegevoegd. In 1907 werd dit nieuwe kerkportaal kadastraal geregistreerd.  

Al in 1924 had men kritiek op deze voorgaande ingrijpende verbouwing, volgens een beschrijving in het boek "Notre-Dame-au-Bois, essai historique" van pastoor L. Hoefnagels. Hij liet het interieur restaureren door Paul Saintenoy en ging terug naar de 17de-eeuwse, vandaag neobarokke, toestand. Op een foto van voor deze restauratie is zichtbaar dat het interieur veel soberder was. De kerk was monochroom of hooguit in twee tinten geschilderd. Tijdens de restauratie werden de altaren en de koorlambrisering volledig herschilderd. De decoraties op de oostwand zijn ook opnieuw geschilderd en verguld en in het schip werd een marmerschildering aangebracht op de lijsten en de pseudokruisribben van het schip en koor. De muurvlakken werden ook volledig beschilderd en gemarmerd. De schilderingen op de muurvlakken en de kruisribben zijn nu niet meer aanwezig. De belangrijkste ex-voto schilderijen werden mee verwerkt in een nieuwe eikenhouten lambrisering die aansluit bij de barokke biechtstoelen. Ook het huidige portaal werd gerestaureerd in 1924. Er werden verder ook nieuwe glasramen aan de hand van Edouard Steyaert geplaatst. De restauratie van 1924 was bijgevolg een ingrijpende restauratie die terug wou grijpen naar het interieur waarvan men dacht dat het oorspronkelijk zo was.

Vanaf 1939 is er in de archieven sprake dat de kerk en pastorie dringend hersteld moesten worden. Na de Tweede Wereldoorlog, in 1948, lag er een dossier klaar voor de herstellingen. De oorlogsschade aan de kerk en de pastorie werden wel al hersteld rond 1950. Toch bleef een grondige restauratie aan het exterieur zich opdringen, waarbij men daar ook de neogotische restauratie uit de 19de eeuw wilde verwijderen. De dringende restauratie van de kerk werd in de briefwisseling met de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen meermaals aangehaald, toch koos de kerkfabriek er voor eerst het Mariahof te bouwen, wat stuitte op kritiek van de Commissie.  

De nodige restauratie zou plaatsvinden in de jaren 1960. De extra inkomsttravee van de neogotische westtoren uit 1868 werd honderd jaar later opnieuw verwijderd. In januari 1969 stortte de vrijgekomen oude barokke westgevel in en was een volledige reconstructie van de gevel nodig. Bij de instorting ging ook een glas in loodraam van 1924 verloren, het interieur bleef gelukkig gespaard. Voor de reconstructie van de barokke gevel maakte architect Simon Brigode gebruik van een tekening op een bedevaartvaantje uit de eerste helft van de 18de eeuw. Er werd ook een dakruiter toegevoegd tijdens de restauratie van het exterieur. In het interieur werden ook werken uitgevoerd waarbij de KCML het verwijderen van de preekstoel goedkeurde, omdat dit niet paste binnen de eenheid van de andere interieurelementen. Ook de communiebank verdween.

Tijdens de restauratie van de jaren 1970 bij het vrijmaken van de zijkapel ten zuiden van het koor werden er enkele muurschilderingen gevonden, de schilderingen werden onderzocht in 1974. Het betrof vijf grisaille schilderingen. Bij de restauratie werden de wanden die een marmerschildering kregen in 1924 overschilderd met wit.

De laatste restauratie van zowel het interieur als exterieur vond plaats begin 21ste eeuw. Het interieur werd gerestaureerd onder leiding van architect Denise Debrouwer. Als uitgangspunt voor de interieurrestauratie werd de restauratie van 1924 genomen. Toch werd niet alles uit deze fase gerestaureerd of gereconstrueerd. Zo bleven de wanden boven de lambrisering bijvoorbeeld wit en werd de marmerschildering niet terug aangebracht evenals de schildering op de ribben van het gewelf.   

Beschrijving

Noordwestelijk georiënteerde éénbeukige zaalkerk van zes traveeën bestaand uit een schip van vijf traveeën en een smaller rechthoekig koor van één travee dat geflankeerd wordt door een sacristie en bergruimte. Op de kerk ligt een zadeldak bedekt met leien en ten oosten een dakruiter onder klokvormige helm met bekronend kruis. Aansluitend aan het koor het voormalige rectorshuis waarmee het architecturaal één geheel vormt.

Barokke westgevel, van 1970, met gebruik van gobertange voor de horizontale en verticale muurbanden die zijn ingevuld met baksteenmetselwerk. Het is een halsgevel met driehoekige bekroning, geflankeerd door vleugelstukken bekroond met een vaasmotief. Rondboogvormig portaal voorzien van imposten, een sluitsteen en waterlijst met hierboven een cartouche met de tekst "IN HONOREM/ B. MARIAE VIRG./ AE DIF. MDCLXVII/ REST. MCMLXX". Deze cartouche verwijst naar het bouwjaar waarin de kerk voltooid werd, namelijk 1667 en het jaar van heropbouw van de westgevel in 1970. Boven het portaal groot rondboogvormig venster en in de top rond venster. Links en rechts van het portaal halfronde nis voor een beeld, vandaag leeg.

De zijgevels zijn net als de westgevel voorzien van een hoge zandstenen sokkel en worden geritmeerd door hoge steunberen bekroond met voluutvormige koppen. De kroonlijst wordt gedragen door modillons. Gebruik van kalkzandsteen voor de hoekkettingen, voluten en andere decoratieve elementen. Hoog geplaatste rondboogvensters met kleine imposten, sluitsteen en gekorniste waterlijst. De koortravee heeft een zelfde rondboogvenster met hieronder twee kleine rondboogvormige sacristievensters met tralie. In de noordelijke bergruimte of sacristie zit nog een rondboogdeur tussen de twee getraliede vensters.

De weinig zichtbare oostgevel is horizontaal geritmeerd door witstenen speklagen. Centraal heeft deze gevel en geblokte rondboognis met een Onze-Lieve-Vrouwbeeld. Deze nis wordt geflankeerd door twee kleine ovalen vensters.

Interieur

De kerk heeft een rijk aangekleed interieur voorzien van gemarmerde architecturale elementen en houtwerk met ingewerkte schilderijen. De vloer bestaat uit een dambordpatroon van witte en blauwe tegels uit het derde kwart van de 17de eeuw. Het tongewelf wordt gekenmerkt door een dunne kruisribversiering en brede gemarmerde gordelbogen opgevangen door pilasters die de bovenmuren ritmeren en steunen op een gekorniste lijst met gegroefde consoles. De onderste muurhelft wordt ingenomen door een eiken houten lambrisering, geplaatst in het interbellum, waarin de biechtstoelen en de votiefschilderijen werden ingebracht.

De rondboog die het koor van het smallere schip scheidt zit gevat tussen twee pilasters. De boog hierboven wordt opgevuld met een soort van gebogen fronton met centraal bouwopschrift tussen een wapensteen en een abtsblazoen steunend op de flankerende vleugelstukken. Voorts  een overvloedshoorn in de zwikken.

Het koor heeft een lagere pseudo-kruisriboverwelving en plafond op moerbalken over de sacristieën. De drie barokke portiekaltaren worden met elkaar verbonden door gemarmerd paneelwerk met bekronende balustrade aan de galerij en vaaselementen. In de panelen werden de schilderen ingewerkt.

Mobilair
  • De schilderijen in het koor, met taferelen uit het leven van Maria, dateren uit de 17de en 18de eeuw.
  • In de kerk en pastorie zijn meer dan veertig votiefschilderijen en ex-voto’s bewaard. Dit zijn schenkingen waarin de gelovigen hun ervaringen meedelen of als onderdeel van hun gebed tot god, waardoor de erkenning voor het bedevaartsoord alleen maar groter werd. Meer dan twintig ervan hangen op tegen de zijwanden. Dit is wat overblijft na de uitzuivering begin 20ste eeuw. In 1924 werden er tijdens de restauratie onder pastoor Hoefnagels langs beide zijden van het schip eikenhouten lambriseringen aangebracht waar plaats was voor een twintigtal votiefschilderijen. De andere worden bewaard in de pastorie. Het zijn grotendeels portretten. Slechts een deel is te dateren. Ze zijn te situeren tussen 1642 en 1883. Het oudste schilderij toont de genezingsscène van Anna Gorist (circa 1642). Het meest kwalitatieve werk werd geschilderd door Regina Knapp (één van de weinige schilders die gekend is). Het is het portret van Anna Maria Grovens van de jaren 1770.
  • Het hoofdaltaar is een barok portiekaltaar, van geschilderd en gemarmerd hout, met een tabernakel voltooid in 1714. In het hoofdaltaar zou nog de stronk van de oorspronkelijke eik zitten.
  • De zijaltaren zijn eveneens barokke portiekaltaren en werden eveneens rond 1714 voltooid.
  • De twee houten biechtstoelen zitten verwerkt in de lambrisering (uit het interbellum) en dateren uit het derde kwart van de 17de eeuw. De noordelijke biechtstoel werd geschonken door de prins van Arenberg, de zuidelijke biechtstoel draagt de wapens van Bellem, Libertus de Pape, abt van de Abdij van het Park, van Maximiliaan Emmanuel van Beieren en van Bruyn, abt van de Abdij van het Park.
  • Ten westen tochtportaal uit het tweede kwart van de 17de eeuw met herstellingen uit de 18de en 19de eeuw.
  • De blauwe hardstenen doopvont uit midden 18de eeuw heeft een geelkoperen deksel.
  • Glasramen van 1924 van de hand van Edouard Steyaert; ze bevatten taferelen over de geschiedenis van Jezus-Eik. In één van de glasramen zijn fragmenten (een reeks wapenschilden) afkomstig uit vier glasramen van de 17de eeuw samengebracht. In de galerij boven de sacristie en bergruimte zitten twee glasramen van 1868.
  • Het zogenaamde Mirakelboek uit de 17de eeuw bevat verslagen van mirakels die plaatsvonden in Jezus-Eik tussen 1642 en 1684.

Kerkhof

Ten noorden van de kerk bevond zich het ommuurde kerkhof, sinds de jaren 1970 bijna volledig geruimd. Het voormalig kerkhof is vandaag omhaagd, maar langs de Kapucijnendreef is nog een lage bakstenen muur aanwezig. Ook aan de zijde die toegang geeft tot de pastorie is de bakstenen ommuring nog aanwezig. Er zijn nog een aantal grafstenen van familiekelders bewaard.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Mutatieschetsen en bijhorende mutatiestaten Overijse, Afdeling I (Overijse), 1907/1.
  • Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Lopend archief, Overijse, Kerk Jezus-Eik, Restauratierapport en restauratiedossier altaren en lambrisering (1996).
  • Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Archief Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, dossier Onze-Lieve-Vrouwkerk Jezus-Eik.
  • BASTIAENSEN J., CAIMO K, CIJFFERS-ROVERS B., HOPSTAKEN J. & VAN LANI S. 2010: Monumenten van zielenzorg. Norbertijnen en hun pastorieën in Brabant van 1600 tot 1850, Leuven, 130-135.
  • DENAYER R. 1996: Jezus-Eik. De beginjaren van het Mariaoord, Zoniën 20.3, 119-164.
  • DENAYER R. 1996: De glasramen, schilderijen en biechtstoelen in de kerk van Jezus-Eik, Zoniën 20.3, 165-184.
  • DENAYER R. 1996: Nieuwe gegevens over het prille begin van de devotie aan de Jezuseik, Zoniën 20.3, 185-216.
  • HOEFNAGELS L. 1924: Notre-Dame-au-Bois, essai historique, Brussel.
  • WILLAERT C. 1999: Lanck sieck en sibilijck genesen, Bijdragen tot de geschiedenis van IJse-, Lane- en Dijleland XVII, Overijse.
  • S.N. 2012: Het devote erfgoed van Jezus-Eik, brochure uitgegeven door de Dorpsraad Jezus-Eik, Overijse.

Auteurs :  Verwinnen, Katrien
Datum  : 2019


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Bedevaartkerk Onze-Lieve-Vrouw [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/40481 (Geraadpleegd op 01-12-2020)