Het deels ommuurde kasteeldomein van Revelingen werd als een totaalconcept naar ontwerp van architect Cluysenaer aangelegd op een gerooid deel van het Zoniënwoud ten zuiden van Sint-Genesius-Rode. Het kasteeldomein vormt een groene long binnen de sterk verstedelijkte zuidrand van Brussel.
Tijdens de eerste helft van de 14de eeuw zou in deze omgeving de priorij Ter Kluizen opgericht zijn, die in 1456 door een zware brand verwoest en niet meer opgebouwd werd.
De gronden waarop later het kasteeldomein zal worden aangelegd, zijn volgens de vroegste kadastrale gegevens uit 1836 eigendom van de 'Algemeene Maatschappij' van het Zoniënwoud. In de kadastrale legger wordt voor deze zone een afwisseling tussen bos en dennenbos genoteerd. Dit deel van het Zoniënwoud werd (vermoedelijk in 1836) gerooid door een suikerraffinaderij en nadien gebruikt voor suikerbietenteelt. Op de topografische kaart van Philippe Vandermaelen (1849-1850) zijn de dennenpercelen, aangelegd op armere gronden, de enige die de ontbossing overleefd hebben.
Het omvangrijke stuk bosgrond wordt in twee delen verdeeld. Het deel waar het kasteel en de kasteelhoeve op gebouwd zullen worden, komt volgens de kadastrale legger in handen van 'Leghait Nicolas Gustave en Gauchez te Binche'. Volgens gegevens uit de literatuur gaat het hier om twee schoonbroers, Jacques Charles Auguste Gauchez, handelaar uit Brussel en Gustave Leghait, verkiesbaar voor de senaat, uit Binche.
In 1844 noteert het kadaster het aanleggen van een dreef en de bouw van een kasteel en een pachthof, voor dezelfde eigenaars. Jammer genoeg ontbreekt het deel van de kadastrale schets waarop deze oudste toestand van het kasteel te zien is. De inplanting van het landhuis werd in ieder geval met veel zorg gekozen. Het landhuis ligt te midden een naar het noordoosten oplopende circa 400 meter lange vallei en een korte, naar het noordwesten aflopend valleitje. In de jaren 1840 wordt de Eigenbrakelse Steenweg rechtgetrokken, het oorspronkelijk licht kronkelend wegtracé wordt binnen het kasteeldomein gerecupereerd als oprijlaan naar het kasteel vanaf het kruispunt Eigenbrakelse Steenweg-Bosstraat en naar de hoeve vanaf het kruispunt Eigenbrakelse Steenweg-Sint-Gertrudisdreef.
In 1847 verdelen de schoonbroers hun goederen. Het domein van Revelingen gaat naar Gustave Leghait, die het verkoopt aan Mathilde Engler, de echtgenote van baron Auguste Goethals. De visie die het echtpaar voor het landgoed had werd uitgewerkt door Jean-Pierre Cluysenaar. Uit zijn publicatie ‘Maisons de campagne’ (1859) blijkt immers dat hij niet alleen het kasteel ontwierp, maar ook twee jachtopzienerswoningen, een oranjerie en koetshuis en serre (1851) en de verbouwing van de eind 18de- begin 19de-eeuwse kasteelhoeve met stallingen (ca. 1850). Aan de Gravendreef bevindt zich nog een wegkruis als aandenken van een jachtongeval in 1863.
De aanleg van het park wordt in 1864 kadastraal geregistreerd waarbij een circa 35 ha. groot perceel nu als ‘lustbosch’ aangemerkt wordt. Op de eerste militaire topografische kaart die de toestand rond 1865-1870 weergeeft, wordt de parkaanleg rudimentair geschetst: een sterk golvend landschap van afwisselend beboste en open zones doorkruist door een net van bochtende en slingerwegen. Binnen het park zijn verschillende zichtassen uitgewerkt, maar de voornaamste is het zicht vanuit het kasteel noordoostwaarts over de oplopende vallei naar de jachtopzienerswoning. Ten oosten van de kasteelhoeve ligt de ommuurde moestuin en nog verder langs de zuidoostgrens van het park een boomgaard. Op het kasteel bevindt zich een prent van het park uit vermoedelijk het derde kwart van de 19de eeuw waarop de parkaanleg veel gedetailleerder en nauwkeuriger in kaart gebracht is. De prent is gesigneerd door de ons verder onbekende Paul Chapelier. Hierop is ook de locatie van de ijskelder in het beboste heuveltje ten noorden van het kasteel zichtbaar, evenals de schapenstal in de noordelijke boszone en het ovalen waterbekken aangelegd in de vista vanuit het kasteel naar de jachtopzienerswoning.
In 1864 wordt de uitbreiding van het kasteel naar het westen kadastraal geregistreerd. Tegen het oorspronkelijke gebouw op rechthoekig grondplan wordt haaks op de zijgevel een breder volume gebouwd. De grondvorm die zo ontstaat is erg vergelijkbaar met deze van het 'Chateau à Rhode' zoals eveneens afgebeeld in dezelfde publicatie van Cluysenaar. Het oudere 'Maison de Campagne' is nog herkenbaar in de linkervleugel van het kasteel. De plannen van de verschillende verdiepingen worden weergegeven in het boek van Cluysenaar. Het souterrain omvat verschillende kelders, de keuken, citernes, de 'état domestique' en een vestibule. De ingang bevindt zich in het nieuw aangebouwde deel aan de rechterkant, op de grens met het oudste volume. De ruime vestibule geeft toegang tot de eetzaal (rechts) en de antichambre met traphal links. Links van de antichambre zijn twee salons, een 'cabinet' en een galerij met terras gesitueerd. De functie van de talrijke kamers op de eerste en de tweede verdieping wordt niet benoemd.
Op het grondplan van het landhuis wordt ook de geplande aanleg in de onmiddellijke omgeving afgebeeld. Langs beide zijden is een halfronde tuinaanleg voorzien. Aan de noordzijde een formele tuin met een concentrisch patroon van vermoedelijk hagen en aan de zuidzijde een dubbele trap die naar een halfrond terras met halfrond waterbassin leidt, begrensd door een met klimplanten begroeide boog.
Datzelfde jaar laat het echtpaar Goethals-Engler de nabijgelegen Sint-Gertrudishoeve naar ontwerp van Cluysenaer aanpassen. Naast de bouw van een stokerij wordt ook een nieuw monumentaal poortgebouw opgetrokken waardoor de visuele band tussen de recent verworven hoeve en de rest van het landgoed via de architectuur versterkt wordt. Daarnaast bezaten de eigenaars ook de nabijgelegen hoeve Hof ten Hout.
In 1874 noteerde het kadaster een aanzienlijke vergroting van de schuur en de stallen en de bouw van een serre. In 1885 werd een langwerpige serre kadastraal genoteerd, enkele jaren later in 1893 met twee bijkomende serres aangevuld.
De jongste dochter van Mathilde Engler en Auguste Goethals, Valentine, huwde in 1860 met graaf Louis De Jonghe D'Ardoye. eigenaar. In 1893 noteert het kadaster dan ook graaf Lodewijk Josephus De Jonghe D'Ardoye-Goethals, wonende als diplomaat te Wenen, als eigenaar. Het kasteel werd aan beide zijgevels uitgebreid. De halfronde 'cour basse' aan de rechterkant is ook al te zien in het boek van Cluysenaar. De aan de linkerkant toegevoegde vleugel is echter niet in het werk van Cluysenaar, die overigens in 1880 overleed, terug te vinden.
Volgens één auteur moest de nieuwe vleugel dienen om het meubilair dat de graaf had meegebracht van zijn diplomatieke missies naar Sint-Petersburg en Wenen in onder te brengen. Mogelijk werden tegelijk met de bouw van de vleugel enkele wijzigingen aan de oudere delen van het kasteel aangebracht, zoals de toevoeging van het tentdak op de toren. Verder worden kadastraal geen wijzigingen meer genoteerd.
Tijdens het interbellum wordt het ovalen waterbekken gebetonneerd en als zwembad gebruikt.
Op de topografische kaarten uit de eerste helft van de 20ste eeuw en latere luchtfoto's is duidelijk merkbaar dat het park steeds meer verbost. Eerst verdwenen de open zones in het noordelijk parkgedeelte, sinds de jaren 1970 groeide ook de zichtas naar de jachtopzienerswoning toe.
Het kasteel bestaat uit drie duidelijk te onderscheiden delen in eclectische stijl met bepleisterde parementen onder een combinatie van zadel- tent- en schilddaken (leien). Op de tekening in het boek van Cluysenaar is het vrij kleurrijk opgevat, met een roze kleur voor de gevelvlakken, goudgeel schrijnwerk en ornamentele details in grijze natuursteen.
Het centrale deel is het oudste, met vijf traveeën en twee bouwlagen met mezzanine. Het is in een neoclassicistische stijl opgevat. De rechthoekige gevelopeningen en blindnissen zijn gevat in platte of licht geprofileerde bandomlijstingen in natuursteen. De drie centrale traveeën zijn licht risalietvormend uitgewerkt en lopen uit op een dakkapel met segmentboogvormig fronton. Op de benedenverdieping worden de traveeën van het middenrisaliet afgelijnd door Toscaanse zuilen en pilasters, op de eerste verdieping door pilasters met ionisch kapiteel. De naar het park gerichte oostgevel was oorspronkelijk de voorgevel en is strak horizontaal geleed door de grijs geschilderde plint.
De in 1864 toegevoegde rechtervleugel is wat uitbundiger en meer italianiserend uitgewerkt. De oorspronkelijke ornamentiek, die onder meer bekronende beelden en vazen omvatte, ging echter deels verloren. De toegang bevindt zich in een lager ingangsvolume links met rechts ervan een open rondboogportiek. Markante elementen zijn verder de 'cour basse' uiterst rechts, een open rondboogarcade en de torenvormige constructie op de oosthoek, waarvan het oorspronkelijk eerder neoromaanse karakter op de ontwerptekening meer uitgesproken was.
In de met zekerheid door Cluysenaar ontworpen delen van het kasteel zijn elementen terug te vinden die refereren naar zijn andere kastelen en landhuizen, met name de villa Servais in Halle, die gelijkenissen vertoont met het centrale deel en het kasteel Rey of Calmeyn dat stilistisch aansluit bij de rechtervleugel.
De linkervleugel uit 1893 is in dezelfde stijl uitgevoerd als de rechtervleugel, maar veel soberder uitgewerkt. Merkwaardig is dat de volledige benedenverdieping aan de voorzijde blind is, wat volgens oude foto's echter niet het geval is voor de zijgevel en de tuingevel. De planindeling bleef sinds de aanpassing van 1893 ongewijzigd.
Het koetshuis uit 1894 bestaat uit een hoektoren en een aanpalend tweelaags volume van zes traveeën onder een rood en zwart pannen zadeldak voorzien van vier monumentale schoorstenen. De kleine tuin ten noorden wordt afgeschermd door een tuinmuurtje met pijlers onder spitsbekroning (deels natuursteen, deels baksteen). De aanpalende orangerie uit 1931 bestaat uit een onderkelderd volume van één bouwlaag met grote vensters onder rood en zwart pannendak met poort langs de oostzijde. Bewaard schrijnwerk met roedeverdeling, voorzien van een halfradvenster in de zuidelijke puntgevel.
De neoclassicistische kasteelhoeve bezit een kleine kapel in rotseerwerk aan de zuidvleugel. De gebouwen zijn geschikt rondom een gekasseid erf van onder meer Brusseliaan, blauwe hardsteen, porfier en kwartsiet in een functioneel legpatroon met gootjes en omlopende stoep rond het huis. Aansluitend ten westen ligt de ommuurde moestuin met oranjerie. Deze nutstuin van ca. 90 had oorspronkelijk drie toegangen: één vanaf de kasteelhoeve en twee in de noord- en zuidmuur. De noordelijke toegang sluit aan op een wandelpad in het park, de zuidelijke met gietijzeren poortje geeft uit op de Sint-Gertrudisdreef. Tegen de noordmuur bleef een geknikte serre tussen kopse muren van baksteen bewaard. Tegen het koetshuis staat een halfronde druivenserre op bakstenen voet. Heden is de moestuin als pépinière in gebruik. Ten westen relict van een tweede moestuin met gekasseide uitgang naar de Sint Gertrudisdreef en afgesloten met een gietijzeren poort tussen afgeronde bakstenen pijlers met bekroning in cementrustiek. In deze moestuin stonden verschillende serres waarvan er heden nog twee bewaard zijn.
De in het bos gelegen schaapsstal met opengewerkte voorgevel op het gelijkvloers, is samengesteld uit twee rechthoekige, tweelaagse bakstenen volumes die met elkaar verbonden zijn door een smaller volume. De verdieping is voorzien van een houten beplanking met lobmotief.
Het park bezit nog de landschappelijke aanleg uit het midden van de 19de eeuw, maar verschillende als open ruimtes ontworpen zones zijn intussen verbost. Het padenpatroon is nog duidelijk herkenbaar op het Digitaal hoogtemodel. Het kasteel zelf wordt omgeven door een gazon, het omgevende parkbos met ingesneden dalen en vista’s. Het beboste ovalen heuveltje nabij en ten noorden van het landhuis herbergt nog steeds de ijskelder. Deze bestaat uit een eivormige bakstenen constructie bereikbaar via een lange, rechte toegang onder tongewelf. Het tot zwembad herdoopte vijvertje staat heden droog maar is nog afleesbaar op het terrein. In de voormalige boomgaard staan nog enkele fruitbomen. In een latere periode werd langs de Eigenbrakelse Steenweg een lage omheiningsmuur opgetrokken.
De omvang van sommige bomen doet vermoeden dat ze relicten van het 18de-eeuwse Zoniënwoud zijn die in de 19de-eeuwse parkaanleg werden opgenomen. Heden resteren uit deze periode nog twee wintereiken (Quercus petraea), drie zomereiken (Quercus robur), zes beuken (Fagus sylvatica) en twee tamme kastanjes (Castanea sativa). De wintereik nabij het kasteel en aan de rand van de grote vista heeft een stamomtrek van 540 cm (standaard gemeten op 150cm hoogte). Enkele merkwaardige bomen uit de aanlegperiode zijn een éénbladige es (Fraxinus excelsior 'Diversifolia') nabij het kasteel, één van de kampioenbomen van België, een treurbeuk (Fagus sylvatica ‘Borneyensis’) en een mispelbladige wintereik (Quercus petraea ‘Mespilifolia’). Zoals gebruikelijk bij parken van deze grote zijn in de omgeving van het kasteel en sporadisch aan de zoom van het parkbos bruine beuken (Fagus sylvatica ‘Purpurea’) en enkele Amerikaanse eiken (Quercus rubra) als kleuraccent aangeplant. De bospercelen bestaan overwegend uit loofbomen, enkele percelen omvatten naaldhout of zijn gemengd. Nabij het vroegere zwembad staan bosjes boerenjasmijn (Philadelphus coronarius) aangeplant en op de meer zandige gronden is er soms een struiketage van rododendrons (Rhododendron ponticum).
Auteurs: De Houwer, Veerle; De Maegd, Christiane; Van Aerschot, Suzanne; Cox, Lise; Michiels, Marijke
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: DE HOUWER V., DE MAEGD C., VAN AERSCHOT S., COX L. & MICHIELS M. 2026: Kasteeldomein van Revelingen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/453497 (geraadpleegd op ).
Ommuurd kasteeldomein, aangelegd op een gerooid deel van het Zoniënwoud.
De gronden waarop later het kasteeldomein zal worden aangelegd, zijn volgens de vroegste kadastrale gegevens uit 1836 eigendom van de 'Algemeene Maatschappij' van het Zoniënwoud. Het omvangrijke stuk bosgrond wordt in twee delen verdeeld. Het deel waar het kasteel en de kasteelhoeve op gebouwd zullen worden, komt volgens de kadastrale legger in handen van 'Leghait Nicolas Gustave en Gauchez te Binche'. Volgens gegevens uit de literatuur gaat het hier om twee schoonbroers, Jacques Charles Auguste Gauchez, handelaar uit Brussel en Gustave Leghait, eigenaar en verkiesbaar voor de senaat, uit Binche.
In 1844 noteert het kadaster het aanleggen van een dreef en de bouw van een kasteel en een pachthof, voor dezelfde eigenaars. Jammer genoeg ontbreekt het deel van de kadastrale schets waarop deze oudste toestand van het kasteel te zien is. Volgens gegevens uit de literatuur zouden Leghait en Gauchez aan Jean-Pierre Cluysenaar de opdracht hebben gegeven om het kasteel te ontwerpen. Het zou gaan om het 'Maison de Campagne à Rhode' zoals afgebeeld op plaat 11 in de eigen publicatie van Cluysenaar over landhuizen.
In 1847 verdelen de schoonbroers hun goederen. Het domein van Revelingen gaat naar Gustave Leghait, die het verkoopt aan Mathilde Engler, de echtgenote van baron Auguste Goethals.
In 1864 wordt het kasteel door haar naar het westen toe uitgebreid. Tegen het oorspronkelijke gebouw op rechthoekig grondplan wordt haaks op de zijgevel een breder volume gebouwd. De grondvorm die zo ontstaat is erg vergelijkbaar met deze van het 'Chateau à Rhode' zoals eveneens afgebeeld in dezelfde publicatie van Cluysenaar. Het oudere 'Maison de Campagne' is nog herkenbaar in de linkervleugel van het kasteel. De plannen van de verschillende verdiepingen worden weergegeven in het boek van Cluysenaar. Het souterrain omvat verschillende kelders, de keuken, citernes, de 'état domestique' en een vestibule. De ingang bevindt zich in het nieuw aangebouwde deel aan de rechterkant, op de grens met het oudste volume. De ruime vestibule geeft toegang tot de eetzaal (rechts) en de antichambre met traphal links. Links van de antichambre zijn twee salons, een 'cabinet' en een galerij met terras gesitueerd. De functie van de talrijke kamers op de eerste en de tweede verdieping wordt niet benoemd.
De jongste dochter van Mathilde Engler en Auguste Goethals, Valentine Goethals, huwde in 1860 met graaf Louis De Jonghe D'Ardoye. Door vererving kwam het kasteel uiteindelijk in handen van deze familie.
In 1893 noteert het kadaster het kasteel als eigendom van graaf Lodewijk Josephus De Jonghe D'Ardoye-Goethals, eigenaar, wonende te Wenen. Het kasteel werd aan beide zijgevels uitgebreid. De halfronde 'cour basse' aan de rechterkant is ook al te zien in het boek van Cluysenaar. De aan de linkerkant toegevoegde vleugel is echter niet in het werk van Cluysenaar, die overigens in 1880 overleed, terug te vinden.
Volgens één auteur moest de nieuwe vleugel dienen om het meubilair dat de graaf had meegebracht van zijn diplomatieke missies naar Sint-Petersburg en Wenen in onder te brengen. Mogelijk werden tegelijk met de bouw van de vleugel enkele wijzigingen aan de oudere delen van het kasteel aangebracht, zoals de toevoeging van het tentdak op de toren. Verder worden kadastraal geen wijzigingen meer genoteerd.
Het kasteel bestaat uit drie duidelijk te onderscheiden delen in eclectische stijl met bepleisterde parementen onder een combinatie van zadel- tent- en schilddaken (leien). Op de tekening in het boek van Cluysenaar is het vrij kleurrijk opgevat, met een roze kleur voor de gevelvlakken, goudgeel schrijnwerk en ornamentele details in grijze natuursteen.
Het centrale deel is het oudste, met vijf traveeën en twee bouwlagen met mezzanine. Het is in een neoclassicistische stijl opgevat. De rechthoekige gevelopeningen en blindnissen zijn gevat in platte of licht geprofileerde bandomlijstingen in natuursteen. De drie centrale traveeën zijn licht risalietvormend uitgewerkt en lopen uit op een dakkapel met segmentboogvormig fronton. Op de benedenverdieping worden de traveeën van het middenrisaliet afgelijnd door Toscaanse zuilen en pilasters, op de eerste verdieping door pilasters met ionisch kapiteel.
De in 1864 toegevoegde rechtervleugel is wat uitbundiger en meer italianiserend uitgewerkt. De oorspronkelijke ornamentiek, die onder meer bekronende beelden en vazen omvatte, ging echter deels verloren. De toegang bevindt zich in een lager ingangsvolume links met rechts ervan een open rondboogportiek. Markante elementen zijn verder de 'cour basse' uiterst rechts, een open rondboogarcade en de torenvormige constructie op de oosthoek, waarvan het oorspronkelijk eerder neoromaanse karakter op de ontwerptekening meer uitgesproken was.
In de met zekerheid door Cluysenaar ontworpen delen van het kasteel zijn elementen terug te vinden die refereren naar zijn andere kastelen en landhuizen, met name de villa Servais in Halle, die gelijkenissen vertoont met het centrale deel en het kasteel Rey of Calmeyn dat stilistisch aansluit bij de rechtervleugel.
De linkervleugel uit 1893 is in dezelfde stijl uitgevoerd als de rechtervleugel, maar veel soberder uitgewerkt. Merkwaardig is dat de volledige benedenverdieping aan de voorzijde blind is, wat volgens oude foto's echter niet het geval is voor de zijgevel en de tuingevel.
Het kasteel kon niet bezocht worden. Momenteel wordt de restauratie voorbereid door de nieuwe eigenaar.
Auteurs: De Houwer, Veerle
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: DE HOUWER V. 2015: Kasteel Revelingen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/168852 (geraadpleegd op ).
Hoek Bosstraat. Uitgestrekt domein, midden 19de eeuw aangelegd op een kort voordien voor de bietenteelt gerooid deel van het Zoniënwoud, waarbij een kasteel, een oranjerie en een kasteelhoeve horen.
Imposant, met groen begroeid kasteel. De oudste kern (middendeel) is een aangepast laat-classicistisch boswachtershuis uit einde 18de - begin 19de eeuw, dat naar het zuiden toe vergroot werd circa 1851 naar plannen van architect J.P. Cluysenaer, en circa 1870 naar het noorden werd uitgebreid.
De toevoeging van Cluysenaer bestaat uit een onderkelderde woonvleugel met schilddak, een lager ingangsvolume voorafgegaan door een open portiek, en ten oosten een hoge toren, waarvan het oorspronkelijk neoromaans karakter meer uitgesproken was dan heden, nu de karteling vervangen werd door een tentdak. De toevoeging circa 1870 is een eenvoudiger doch evenwaardig volume, zodat een vrij evenwichtig geheel ontstond, waarvan de bouwkundige details verborgen worden door de wilde wingerd.
Ten zuidoosten, een oranjerie met wagenhuis en hoektoren, eveneens midden 19de eeuw opgetrokken naar plannen van Cluysenaer. Bakstenen gebouwen met zadel- en tentdak, gekenmerkt door de uitgesneden schoorstukjes die de dakrand dragen. Rechthoekige muuropeningen, de poorten omlijst met arduin. Rondboogvensters en -deur in de toren.
Uiterst belangrijk en interessant geheel van gebouwen en domein.
Bron: DE MAEGD C. & VAN AERSCHOT S. 1975: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 2n, Gent.
Auteurs: De Maegd, Christiane; Van Aerschot, Suzanne
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: DE MAEGD C. & VAN AERSCHOT S. 1975: Kasteel van Revelingen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/40598 (geraadpleegd op ).