is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Villa Dirickz
Deze vaststelling is geldig sinds
is aangeduid als beschermd monument Villa Dirickz met chauffeurswoning en tuin
Deze bescherming is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Villa Dirickz
Deze vaststelling was geldig van tot
De villa Dirickz is een modernistische villa die rond 1930 werd ontworpen door Marcel en Henri Leborgne en ligt in een tuin van de hand van Lucien Boucher.
De modernistische Villa Dirickz aan de Maria Joannalaan in Sint-Genesius-Rode werd opgetrokken rond 1930, naar een ontwerp van architecten Marcel en Henri Leborgne. Het is een van de laatste ontwerpen die broers samen maakten. Aanvankelijk kozen ze in hun ontwerpen voor een neogotische stijl in de geest van de Sint-Lucasscholen, maar dit zou in hun latere oeuvre plaatsmaken voor een modernistische vormentaal dat zich situeert in het spanningsveld tussen de internationale stijl en de art deco. De ontworpen villa’s worden gekenmerkt door een complexe volumetrische compositie en centrifugale planopbouw rond een centrale traphal. In de villa Dirickz wordt die decoratieve benadering vermengd met een uitgesproken Corbusiaanse vormentaal. Deze villa werd rond 1930 ontworpen voor de rijke zakenman Dirickz in de vorm van een pakketboot. Het volumespel, de architectuurdetails en de rijke afwerking zijn bepalend voor het karakter van de woonst. De toenmalige vakpers besteedde na de bouw ruime aandacht aan het ontwerp van de broers Leborgne.
De villa Dirickz is een vrijstaande villa van vier bouwlagen onder een plat dak en is opgetrokken in gewapend beton met stalen schrijnwerk. Het totale bouwvolume is ingeschreven in een rechthoek 28 meter op 22 meter (terrassen inbegrepen) en heeft een totale bewoonbare oppervlakte van 1000 vierkante meter. De horizontale lijnen zijn dominerend in de breed uitgewerkte architecturale volumes. De inspringende terrassen op alle niveaus zorgen voor een sterk schaduweffect en versterken het kubistisch karakter van de architectuur. Het enige verticale accent is de spiltrap, maar deze staat bijna volledig geïsoleerd van het gebouw. Deze trap vertrekt vanop het terras van de eerste verdieping, tegenover de hoofdingang, en gaat rechtstreeks naar het dakterras.
De gelijkvloerse verdieping is opgevat als een sokkel en wordt den dele overschaduwd door het overkragende volume en terrassen van de eerste verdieping. Hier werden de dienstruimten ondergebracht, wat zich vertaalt in een gesloten gevelcompositie. De kleine ronde vensters doen denken aan scheepsvensters.
Vanuit de tuin vertrekt aan de straatzijde een brede trap naar het terras van de eerste verdieping waar de hoofdingang gesitueerd is. De eerste verdieping wordt aangezet in een blinde muurstraat die ononderbroken doorloopt over de vier gevels heen, hetzij als borstwering van één van vier terrassen, hetzij als basis van de vensterstroken.
De tuingevel is symmetrisch opgebouwd. Het terras van de eerste verdieping loop over de gehele gevelbreedte, met aan de uiteinden twee trappen die langs de gevel naar de tuin toelopen. Een massieve centrale risaliet met aan weerszijden twee hoge vensters geeft aan waar het atrium is gelegen.
De architecten Henri en Marcel Leborgne hadden ook een belangrijke inbreng in de luxueuze afwerking van het interieur. Marmer vormt een constante in de afwerking van het interieur, met vaak decoratieve patronen. Enkel de houten wandkasten in één van de slaapkamers op de tweede verdieping bleven bewaard. Het overige meubilair, afkomstig van het atelier Coene te Kortrijk, is nagenoeg verdwenen.
Op het gelijkvloers werden de dienstvertrekken ondergebracht bestaande uit een keuken, berging, proviantkamer, stookplaats, wasplaats en een ruime kinderspeelzaal met rechtstreekse uitgang naar het overdekte terras en de tuin.
De binnenruimte van de eerste verdieping (dus zonder terrassen) heeft een vorm van een Latijns kruis met een trapeziumvormige uitbouw aan de tuinzijde. De hoofdruimte, op het bouwplan aangeduid als atrium, is een monumentaal vertrek van drie verdiepingen hoog, oorspronkelijk verlicht door een glazen koepel in het dak. De structuur van de centrale ruimte wordt aangegeven door acht monumentale goudgekleurde kolommen. Centraal in het atrium werd een achthoekig waterbekken met fontein aangebracht. Links en rechts van het atrium loopt de leefruimte verder in de dwarsassen van het kruis. Verschillende kleinere kamers waaronder een eetkamer, bureau, toilet en vestiaires geven uit op deze centrale ruimte. Ook de inkomhal staat rechtstreeks in verbinding met het atrium en vormt er één geheel mee. De open trapruimte sluit rechtstreeks aan op de centrale ruimte. Aan de overzijde is een spiegel aanwezig waardoor optisch een symmetrie wordt bekomen.
De trappartij is een indrukwekkende constructie die eenvoudig wordt aanzet op de eerste verdieping. Op de tweede verdieping vertrekken drie afzonderlijke trappen vanop een centraal bordes die per verdieping samenkomen op een mezzanine, van waar men telkens uitkijkt op het atrium.
Op de tweede verdieping zijn vier slaapkamers en drie badkamers voorzien. Elke slaapkamer geeft uit op één van de vier terrassen. De derde verdieping telt nog eens twee slaapkamers met badkamer. Het platte dak is ingericht als dakterras met pergola en overdekt gedeelte.
De villa is gebouwd op een sterk hellend terrein van 1,48 hectare. Lucien Boucher is verantwoordelijk voor de tuinaanleg. Deze landschapsarchitect werkte in 1929 ook het ontwerp uit voor de tuin bij de modernistische hoekwoning Huis Wolfers van de hand van Henri Van de Velde. Het tuinontwerp is landschappelijk en speelt in op de natuurlijke glooiingen van het terrein en is een voortzetting van de kubistische vormentaal van de villa in de omgeving. Een zacht hellende kastanjedreef, rechtlijnige bakstenen trappen, concentrische glooiingen en boogvormige perken beplant met populieren geven vorm en structuur aan het terrein. Deze tuinaanleg past volledig in de stroming van de asymmetrische, geometrische en kubistische tuinen die in de jaren 1930 een kortstondig succes kenden in de avant-garde kringen.
Aan beide uiteinden van het openluchttheater met rozenperken en op het einde van de kastanjedreef vindt men pergola’s. De pijlers zijn witgeverfde betonnen cilinders met kapiteeltjes bestaande uit vier roodgeverfde metalen staven onder een cilindervormige dekplaat.
Links van de villa aan de straatzijde staat een kleiner gebouw van twee bouwlagen onder een plat dak, met onderaan garages en op de eerste verdieping een appartement voor de chauffeur.
Auteurs: Foubert, Annemie; Paesmans, Greta
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)