is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Terlinden
Deze vaststelling is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel ter Linden
Deze vaststelling was geldig van tot
Het gehucht Terlinden ligt verscholen in het dal van de Terlindenbeek tussen de kouters ten zuidoosten van het dorpscentrum. Het was oorspronkelijk een leengoed van de Sint-Gertrudisabdij van Nijvel, die er tot het einde van het Ancien Régime ook tiendheffer bleef. Het kasteel werd oorspronkelijk aangeduid met "Te Busesijpe". In het Rijksarchief te Anderlecht bevindt zich het volledige dossier van het proces voor de Raad van Brabant over het Hof te Busesijpe.
Het Hof werd in 1727 aangekocht door ridder Jean-Baptiste Pangaert (1698-1748) uit Brussel, die het (samen met meer dan 34 bunder grond) verpachtte, maar "'t sijnen behoeve de cleyne motte met waeteringhe daer omme tomme synde" reserveerde. Over welke motte het gaat blijkt niet zo duidelijk uit de Ferrariskaart (1771-1775). Het Hof Terlinden bestaat uit een gebouw met een U-vormig grondplan, een kleiner, langgerekt gebouw (evenwijdig met de middenvleugel van het eerste), een langwerpige vijver in het verlengde van het eerste gebouw, een grote vierkante vijver met een rond eilandje en een L-vormige vijver als zuidelijk eindpunt. Aan de oostkant, tegen het eerste gebouw aan, ligt een tuin. Het omhaagde perceeltje aan de westzijde van de gebouwen is mogelijk een hopveldje. Twee grote boomgaarden vormen de rest van de omgeving. Al deze percelen zijn door hagen omgeven. Op of nabij deze omwaterde motte wordt geen gebouw afgebeeld.
Een figuratieve kaart, opgemaakt door landmeter P.L. De Becker in 1770, geeft zonder twijfel een getrouwer beeld van het landgoed. Er worden eveneens twee gebouwen afgebeeld: een pachthof met een L-vormige plattegrond en een heteroclyte, niet zo imposante herenwoning, die door de Pangaerts vermoedelijk als buitenverblijf of 'huis van plaisantie' werd gebruikt, maar één van de pachthofvleugels is ertegen aangebouwd. Dit huis kijkt uit over de "grooten hoff" (nummer 1 op de kaart), een omheinde, in acht parterres verdeelde siertuin met kleine rotondes op de kruispunten, en een fontein. Deze siertuin zal vijftig jaar later als perceel 29 (85 are groot) in het kadaster worden opgenomen.
Dit is ongetwijfeld ook de kleine motte uit de verkoopakte van 1727, omgracht door twee "savoiren" (vijvers, nummer 3), die onderbroken worden door het huis zelf en door een landtong in de lengteas van de parterretuin. Deze landtong leidt naar de "plantagie alwaer de fonteijn in staet", een niet nader gespecificeerd plantsoen met vier langwerpige waterbekkens, waarin de symmetrie van de parterretuin wordt voortgezet. De kaart geeft tal van details: de 'broderies' (loofwerk) in de parterres; de zonnewijzer op het kruispunt tegenover de monumentale hoofdingang van het landhuis; de 'bersauw', een met klimplanten begroeide boog (vermoedelijk in latwerk) bij het verlaten van het parterre-eiland, op weg naar de fontein in het plantsoen; de staande wip in het noordoosten van het landgoed. Tussen het herenhuis en het pachthof ligt de "kleijnen hoff", de moestuin, gedeeltelijk ommuurd en uit twee grote bedden bestaande. Het geheel wordt omkaderd door grachten en dreven, zelfs een dubbele langs de zuidoostelijke rand.
Pierre-Joseph Pangaert (1735-1780), de toenmalige eigenaar, koesterde grootse plannen; potloodlijntjes verlengen de aanleg in zuidwestelijke richting, doorheen de "grooten vijver" (nummer 5, volgens Ferraris met een eilandje) en de daarachter liggende bossen en weiden. Bij zijn vroegtijdige dood in 1780 trad echter een generatie aan die de regelmatige geometrie van de 18de-eeuwse tuinen voor bekeken hield.
Als in 1823 de Primitieve kadasterkaart wordt opgemaakt, is er van vijvers en motte geen sprake meer. De eerste door het Belgisch kadaster geregistreerde eigenaar van het Hof Terlinden is een niet nader genoemde Pangaert. Het grondplan van de twee gebouwen stemt overeen met de kaart van De Becker. Het onderscheid tussen pachthof ("gebouw", perceel nummer 31) en herenwoning ("huis", nummer 30) wordt in de kadastrale legger pas vanaf 1843 gemaakt. De twee boomgaarden (percelen 27 en 34) en de "hoplochting" (perceel 26, 17,5 are) ten westen van het hof stemmen overeen met het beeld op de Ferrariskaart. Tegen één van de gebouwen aan lag nog een tweede, veel kleiner hopveldje (perceel 32, 3 are).
De eerste eigenaar die Terlinden als permanente verblijfplaats gebruikt is een zekere Alexander Stuckens. In 1884 laat hij het oude pachthof afbreken. Het resterende gebouw (nummer 30) wordt grondig verbouwd en dwars op de lengterichting van het gebouw wordt een vleugel toegevoegd. De 'hoplochtingen' en moestuintjes (en vermoedelijk ook de mesthopen) ruimen plaats voor een 'lusttuin' van bijna drie hectare. Het Hof Terlinden verliest zijn productiefunctie, maar dit wordt gecompenseerd door de aankoop in 1890 van de boerderij ten noorden van het Hof Terlinden (aan de overzijde van de huidige Liebaertstraat, 200 meter noordoostwaarts).
In de jaren 1890 wordt het kasteel andermaal grondig verbouwd en wordt ook de pas aangekochte hoeve in een nieuw kleedje gestoken. De verbouwing waardoor het kasteel zijn huidige uitzicht kreeg werd waarschijnlijk uitgevoerd rond 1910, in opdracht van de nieuwe eigenaar: Julien Liebaert (1840-1930). De nieuwe eigenaar gaf het goed ook zijn nieuwe naam “Terlinden”. Liebaert was het jaar voordien benoemd tot minister van staat, na een 35-jarige loopbaan als (achtereenvolgens) provinciaal raadslid, bestendig afgevaardigde, volksvertegenwoordiger, senator en minister van financiën. Tijdens de oorlogsjaren vergezelde hij de regering naar Le Havre. Enkele maanden voor zijn dood werd hem voor bewezen diensten de titel van baron verleend.
Op de oude stafkaarten (1865 en 1879) is nog in grote lijnen de Primitieve indeling herkenbaar. Waar zich in de 18de eeuw de parterretuin bevond, liggen twee langwerpige vijvers, door een dijk gescheiden. Het door Stuckens aangelegde park van 3 hectare, door het kadaster geregistreerd in 1894, is al zichtbaar op de stafkaart van 1891 (ICM, 1894) in de vorm van twee bont gespikkelde vlekken ten oosten van het kasteel (nog steeds met de L-vormige plattegrond van het in 1884 afgebroken pachthof). De grootste van de twee wordt doorsneden door een rechtstreekse verbinding met het nieuwe pachthof. In het zuidwestelijk gedeelte ligt de moestuin, gedeeltelijk ommuurd, met tegen de muren aangebouwde halve serres.
De stafkaart van 1930 geeft nagenoeg de huidige toestand weer: de vijver is gereduceerd tot een lange, smalle, kanaalachtige strook, evenwijdig met de Terlindenbeek.
Het huidige kasteel is samengesteld uit een vrij complex geheel van verschillende volumes met een verspringende L-vormige plattegrond. Baksteenbouw met veel zandsteen en soms gebruik van arduin (negblokken, hoekkettingen, deur- en vensteromlijstingen). De twee jaarstenen (1665 en 1670) bieden weinig houvast voor datering want een deel van het gebruikte materiaal werd vermoedelijk elders gerecupereerd. De gevels dateren vermoedelijk uit de tweede helft van de 18de eeuw met latere aanpassingen in de 19de en 20ste eeuw.
Linkervleugel van twee bouwlagen en drie traveeën met mank leien zadeldak. Bepleisterde baksteenbouw met geschilderde voorgevel en geel geverfde vermoedelijk zandstenen elementen. Gevel verlevendigd met steekboogvensters met een balustrade op de borstwering van de tweede verdieping en ingemetselde reliëfmedaillons van Sint-Jacobus en Sint-Petrus-Martelaar op de begane grond. De achtergevel van deze vleugel is blijkbaar recent gebouwd met recuperatiemateriaal, onder meer een classicistische deuromlijsting met spiegelboog en uitgewerkte tussendorpel. Pergola deels met hergebruikte zuilen.
In het verlengde ervan staat een recentere aanhorigheid van baksteen uit de 19de eeuw. Deze vooruitspringende rechtervleugel bestaat uit twee bouwlagen en een hoge vierkante hoektoren onder leien tentdak. Gecementeerde gevels met steekboogvensters in de voorgevel en recentere muuropeningen in de achtergevel. De witgepleisterde kapel met plat dak en spitsboograampjes, een zuilenportiek en een torentje met een ingesnoerd tentdak fungeert als verbinding tussen de twee vleugels. In de zijgevel is een nis met beeld van een laatgotische Madonna verwerkt.
De haakse vleugel van twee bouwlagen met zadeldak (leien) en dakkapellen en bakstenen gevels bezit steekboogvormige vensters van zandsteen en een arduinen steekboogdeur met druiplijst. De talrijke religieuze elementen onder meer Christus aan het kruis en het beeld van een zittende monnik op het dak zouden erop wijzen dat het een voormalig kloostergoed is.
In het park met landschappelijke aanleg uit het laatste kwart van de 19de-begin 20ste eeuw bleef de langgerekte, kanaalvormige vijver bewaard. Langsheen het grote ovale ringpad staat een soortenrijke sierbeplanting bestaande uit gewone plataan (Platanus x hispanica), bruine beuk (Fagus sylvatica 'Atropunicea'), treurbeuk (ook de minder courante Fagus sylvatica 'Borneyensis'), witte paardekastanje (Aesculus hippocastanum), Hollandse linde (Tilia x europaea), hangende zilverlinde (Tilia petiolaris), bontbladige esdoorn (Acer pseudoplatanus 'Leopoldii'), zilveresdoorn (Acer saccharinum), vederesdoorn (Acer negundo) en een rariteit: een zomereik met bolstaand blad (Quercus robur 'Cucullata'). Het merendeel werd waarschijnlijk door Liebaert aangeplant, want slechts een drietal bomen hebben stamomtrekken van meer dan 3,5 meter. In het zuiden van het domein bevindt zich een tennisterrein.
(Het cijfer in vet geeft de stamomtrek gemeten op 150 cm hoogte) (plaatsbezoek op 24 juli 2001):
Auteurs: Deneef, Roger; Wijnant, Jo; De Maegd, Christiane; Van Aerschot, Suzanne; Kennes, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)