Teksten van Passionistenklooster met kloostertuin en kerk

Passionistenklooster met kloostertuin en kerk (2018)

Fasegewijs tot stand gekomen Passionistenklooster teruggaand tot het begin van de 20ste eeuw, op de top van de Vosberg (± 82 meter) het omringende landschap beheersend. Opgebouwd uit twee delen: ten zuidwesten het vroeg 20ste-eeuwse U-vormig complex met de open zijde naar de Mechelsesteenweg en met de kloosterkerk (nu parochiekerk) als zuidelijke dwarsvleugel (in het verlengde van de kerk een losstaande dienstvleugel), aansluitend ten noordoosten een na de Tweede Wereldoorlog fasegewijs opgebouwd vierkant gesloten geheel rond een open binnenplein. Volledig ommuurde kloostertuin, oorspronkelijk 1,5 hectare; met een begraafplaats, een bosgedeelte, een fruitweide en een moestuin met een padenkruis en een uniek beukenprieel.

Historiek

De congregatie van het Lijden Christi – de congregatie der passionisten – werd in 1720 in Noord-Italië gesticht door Paulus Franciscus Danei, de latere heilige Paulus van het Kruis. 26 jaar later werd ze erkend door paus Benedictus XIV. Het eerste Belgische klooster werd gesticht te Ere in Doornik in 1840, later volgde Kortrijk in 1873. De orde bleef groeien, en in 1905 ging men in de Brusselse omstreken op zoek naar een locatie voor een nieuw klooster.

In Oppem kon de orde via een schenking een stuk grond aan de Mechelsesteenweg verkrijgen, waar men in de lente van 1906 begon met de bouw van een tweede Belgische klooster. Het klooster met kerk werd ontworpen door de Kortrijkse architect Alphonse-Antoine Vandenberghe (1873-1923). De aannemers waren M. Detry uit Zaventem en Karel de Reymaecker uit Tervuren. In 1907 was het klooster afgewerkt (kadastraal geregistreerd in hetzelfde jaar). De bouw van de kerk werd vergund door Kardinaal Mercier in 1906, en in 1908 werd de kerk ingewijd met de Heilige Jozef als patroonheilige. De kerk werd in 1947 met twee zijkapellen uitgebreid. In 1956 werd de hoogzaal vergroot wegens de uitbreiding van het zangkoor, het orgel werd mee verplaatst. In 1957 werd het interieur van de kerk herschilderd en werd ze voorzien van een lambrisering met baksteenplaatjes.

In 1950-1951 (geregistreerd 1952) werd het klooster uitgebreid met de buitenlandse en in 1957-1958 (geregistreerd 1958) met de binnenlandse missieprocuur. In 1955 werd de parochie van de Heilige Michaël en Jozef opgericht met de kloosterkerk als bedehuis. In 1964 (kadastraal geregistreerd in 1965) werd er opnieuw gebouwd, toen het centrale studiehuis voor de Vlaamse Provincie werd gebouwd. Er werd onder andere ook een vleugel voor de fratersstudenten, die al de professie hadden afgelegd, gebouwd.

Klooster

U-vormig neogotisch complex van circa 1907, mag beschouwd worden als een typisch voorbeeld van Helleputiaanse neogotiek, met de open zijde naar de Mechelsesteenweg, afgesloten met een bakstenen muur, en met de kloosterkerk als zuidelijke vleugel. Achter de kerk en in het verlengde ervan lagere dienstvleugel; samen vormen ze de zuidwestelijke grens van het kloosterdomein.

Bakstenen gebouwen op dito plint, drie bouwlagen onder schilddaken met leien. Sobere neogotische lijstgevels getypeerd door Brugse traveeën met steekboogvormige vensters met deels bewaard schrijnwerk (blauwe hardstenen lekdrempels). Gevels bekroond door baksteenbogenfries. Straatgevel van drie traveeën, uitgewerkt met centraal inkomrisaliet. Boven de deur spitsboognis met blauwe hardstenen waterlijst met gestrekte uiteinden, in de nis beeld van de Heilige Jozef op blauwe hardstenen sokkel.

In de oostvleugel bevindt zich aansluitend bij de kerk het priesterkoor (rechtse twee traveeën) met iets rijker uitgewerkte uitzicht. De traveeën zijn als spaarvelden uitgewerkt. Twee bouwlagen omvattende spitsboogvensters in Brugse traveeën, op het gelijkvloers steekboogvensters. Bewaard schrijnwerk. De gevel wordt hier afgelijnd door een bakstenen spitsbogenfries.

Langgestrekt bakstenen bijgebouw van twee bouwlagen en vijftien traveeën onder zadeldak met mechanische pannen (personeelswoningen?). Oorspronkelijk waarschijnlijk slechts één bouwlaag, bij de verhoging is de oorspronkelijke overhoekse baksteenfries hergebruikt als kordonlijst. In de zevende travee van de tweede bouwlaag eenvoudige spitsboognis met beeld van de Heilige Jozef met het kind Jezus.

In 1950-1951 (geregistreerd 1952) werd het klooster naar het noorden toe uitgebreid met een vleugel tegen en parallel met de Mechelsesteenweg (de buitenlandse missieprocuur). Eenvoudige éénlaagse baksteenbouw op gecementeerde plint, plat dak. Rechthoekige muuropeningen met grotendeels bewaard houten schrijnwerk. De noordoostelijke vleugel haaks hierop werd in 1957-1958 gebouwd (binnenlandse missieprocuur). Het gaat om een tweelaagse baksteenbouw op gecementeerde plint, zadeldak met mechanische pannen. Rechthoekige gevelopeningen met bewaard schrijnwerk, een aantal vensters zijn opvallend klein. De zuidoostelijke vleugel (het centrale studiehuis voor de Vlaamse Provincie, 1964) is de laatste uitbreiding en sluit het noordelijke binnenplein af, het complex kreeg toen haar huidige grondplan van twee aansluitende vierkante gehelen. Vrij grootschalig bakstenen gebouw van vier bouwlagen onder plat dak op breukstenen plint. Aan de achterzijde (tuinzijde) is het gelijkvloers sterk opengewerkt door middel van grote ramen (keuken, eetzaal,…), op de verdiepingen kleinere ramen voor de kamers. De gevel aan de zijde van het binnenplein heeft een breed en sterk vooruitspringend middenrisaliet met opvallende raampartij, bestaande uit een reeks smalle, twee bouwlagen omspannende vensters in één geheel vormende gecementeerde omlijsting. Bewaard metalen schrijnwerk.

Kloosterkerk

Zuidoostelijk georiënteerde neogotische driebeukige kruisbasiliek opgetrokken uit baksteen met gebruik van blauwe hardsteen voor lekdrempels, dekplaten, consoles, afzaat, waterlijsten,… Zadeldak met natuurleien. Muren in blauwe hardsteen en rode baksteen, leien daken. Schip van vijf traveeën diep, verlicht door telkens vijf groepen van drie spitsboogvensters. De zijbeuken worden geritmeerd door steunberen met dubbele versnijding, en worden verlicht door groepen van drie ingekorte spitsboogvensters. De westgevel wordt gekarakteriseerd door een vierledig spitsboogvenster met maaswerk boven de kerkpoort. Koor van twee traveeën, afgesloten met een driezijdige apsis. De traveeën aan de noordzijde zijn blind, aan de zuidkant twee spitsboogvensters, in de apsis drie tweeledige spitsboogvensters. Houten klokkentoren boven de viering, oorspronkelijk bekroond door een naaldspits, nu door een tentdak.

Kerkinterieur

Bepleisterd en lichtgeel geschilderd interieur met gele en rode bakstenen plint. Cementtegelvloer met witte en zwarte tegels, wit en rood in de kapellen. Zwarte natuurstenen drempels. Scheibogen op rechthoekige pijlers met aan de zijde van het schip halfronde pilasters en aan de zijde van de zijbeuk vierkante pilasters. Pijlers en pilasters op blauwe hardstenen plint, pilasters aan de zijde van het schip op zeszijdige sokkel en bekroond door geelgeschilderd Korinthisch kapiteel met dekplaat, vanwaar de gewelfribben vertrekken. Kruisribgewelf met natuurstenen ribben en bakstenen schelpen, straalgewelf voor het koor, spitstongewelf voor de koorkapellen. De gebrandschilderde glasramen dateren van 1910, 1911 en 1913 geplaatst, en zijn van de hand van Bary en Hintzen uit Brussel. Het orgel werd geplaatst vlak na de Eerste Wereldoorlog. De neogotische kansel werd in 1918 aangekocht.

Het oorspronkelijke hoofdaltaar werd naar de kloosterkapel overgebracht in 1936, het nieuwe altaar werd ontworpen door E.P. Theofiel en vervaardigde door F. Tilman. De zijaltaren en communiebank zijn uitgevoerd door Vassaux.

Tuin

Door de uitbreidingen van de jaren 1950 en 1960 verdween een groot stuk van de kloostertuin, die oorspronkelijk meer dan 1,5 hectare besloeg, door bakstenen muur met spaarvelden van de buitenwereld werd afgesloten. Desondanks zijn de oorspronkelijke indeling en vorm van deze 'hortus conclusus' nog duidelijk afleesbaar. Het U-vormige grondplan biedt uiteraard geen plaats voor een traditioneel, gesloten kloosterpand, maar het padenkruis dat het nutsgedeelte indeelt, sluit ongetwijfeld aan bij de klassieke vormgeving van de kloosterhof en – daarvan afgeleid – de pastorietuin. Het gaat bovendien niet uitsluitend om een moestuin, maar om de even traditionele combinatie van 'nut en sier' met religieuze symboliek op de achtergrond.

De tuin wordt doorsneden door twee loodrecht kruisende assen. De korte as van het kruis verbindt de achterdeur van het klooster met een piëtakapel in de omheiningsmuur; de lange as mondt in het zuidwesten uit bij een van de deuren van de dienstvleugel met, in de nis erboven, een beeld van Sint-Jozef met het kindje Jezus. Uniek is het prieel op het kruispunt van de twee assen: een monumentale 'fabrique de verdure' in de vorm van een kubus (met ribben van circa 5 m), waar de assen doorheen lopen. Het wordt niet zoals gewoonlijk gevormd door taxus of haagbeuk, maar door vier beuken (Fagus sylvatica) en in evenwicht gehouden door een netwerk van metalen staven en kabels die met gewichten worden aangespannen. De parterres van deze tuin worden bovendien nog grotendeels op de traditionele manier afgezoomd, met name met lage buxushaagjes, vaak geflankeerd door 'plate-bandes', stroken met bloemen of sierstruiken. De groenten hebben enkele jaren geleden plaats gemaakt voor gazon.

Het hele domein werd door het kadaster aanvankelijk als één perceel (nr. 392b) geregistreerd en pas in 1936 wordt het opgesplitst in drie percelen, die het feitelijke gebruik weerspiegelen: de al besproken moestuin (392 c, groot 43 are 10 cen¬tiare), een weiland dat in feite de oorspronkelijke boomgaard was (392e, groot 51 are 30 centiare) en een perceel bos (392d, groot 63 are 10 centiare). Deze indeling, die we ook bij veel pastorieën terugvinden, bleef bewaard. Enkele oude fruitbomen in het weideperceel, dat zich ten noordoosten van de moestuin uitstrekt, getuigen nog van de oorspronkelijke bestemming. In de noordoosthoek van het domein, afgeschermd door taxushagen en fijnsparren (Picea abies), ligt de begraafplaats. Het bosgedeelte, dat vooral uit gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) bestaat, wordt door enkele wandelpaden doorkruist en langs de zijde van de steenweg afgezoomd met tamme kastanjes (Castanea sativa). Het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes in de noordhoek van het domein, als eindpunt van de lange as, zorgt ook hier voor een religieus accent.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Wezembeek-Oppem 1907 nr. 8, 1937 nr. 14, 1952 nr. 36, 1958 nr. 29 en 1965 nr. 38.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Mutatieschetsen Wezembeek-Oppem, Afdeling 1, Sectie B, 1907/8, 1952/36, 1958/29, 1965/38.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Wezembeek-Oppem, art. 1378 op naam van Emile Vandenbulcke en consoorten.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212A Wezembeek-Oppem, art. 1943 nrs. 10-12.
  • CALUWAERTS Roger. 1982: Het Anker 1.2, 13-14.
  • CALUWAERTS Roger. 1992: Wezembeek-Oppem. Van boerendorp tot woongemeente. Nieuwkerken-Waas, 400-408.
  • DENEEF R. (ed.). 2008: Wezembeek-Oppem: klooster van de Passionisten. Historische tuinen en parken van Vlaanderen, M&L Cahier 19. Brussel, 156-157.
  • JOHANNES (pater)1923: De passionisten in België, Ere etc., Passionisten.
  • MAES Fr. 1957: Wezembeek-Oppem vroeger en nu. Eigen Schoon en de Brabander 40.11-12, 413-414.

Deze tekst is een samenvoeging van volgende twee teksten:

  • DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
  • Thomas, Hans 2011: Passionistenklooster met kloostertuin en kerk [online], https://id.erfgoed.net/teksten/138796 (geraadpleegd op 18 december 2018).

Bron: -
Auteurs:  Deneef, Roger, Thomas, Hans, Vanden Bussche, Jozef, Wijnant, Jo
Datum: 2018


Je kan deze pagina citeren als: Deneef, Roger; Thomas, Hans; Vanden Bussche, Jozef; Wijnant, Jo: Passionistenklooster met kloostertuin en kerk [online], https://id.erfgoed.net/teksten/298454 (geraadpleegd op 21-04-2021)


Passionistenklooster en kerk van Sint-Michael en Sint-Jozef (2011)

Fasegewijs tot stand gekomen Passionistenklooster teruggaand tot het begin van de 20ste eeuw, op de top van de Vosberg (± 82 meter) het omringende landschap beheersend. Opgebouwd uit twee delen: ten zuidwesten het vroeg 20ste-eeuwse U-vormig complex met de open zijde naar de Mechelsesteenweg en met de kloosterkerk (nu parochiekerk) als zuidelijke dwarsvleugel (in het verlengde van de kerk een losstaande dienstvleugel), aansluitend ten noordoosten een na de Tweede Wereldoorlog fasegewijs opgebouwd vierkant gesloten geheel rond een open binnenplein.

De congregatie van het Lijden Christi werd in 1720 in Italië gesticht door Paulus Franciscus Danei, de latere heilige Paulus van het Kruis. Het eerste Belgische klooster werd gesticht in Doornik in 1840, later volgde Kortrijk in 1873. De orde bleef groeien, en in 1905 ging men in de Brusselse omstreken op zoek naar een locatie voor een nieuw klooster. In Oppem kon de orde via een schenking een stuk grond aan de Mechelsesteenweg verkrijgen, waar men in de lente van 1906 begon met de bouw. Het klooster met kerk werd ontworpen door de Kortrijkse architect Alphonse-Antoine Vandenberghe. De aannemers waren M. Detry uit Zaventem en Karel de Reymaecker uit Tervuren. In 1907 was het klooster afgewerkt (kadastraal geregistreerd in hetzelfde jaar). De bouw van de kerk werd vergund door Kardinaal Mercier in 1906, en in 1908 werd de kerk ingewijd met de Heilige Jozef als patroonheilige. De kerk werd in 1947 met twee zijkapellen uitgebreid. In 1956 werd de hoogzaal vergroot wegens de uitbreiding van het zangkoor, het orgel werd mee verplaatst. In 1957 werd het interieur van de kerk herschilderd en werd ze voorzien van een lambrisering met baksteenplaatjes.

In 1950-1951 (geregistreerd 1952) werd het klooster uitgebreid met de buitenlandse en in 1957-1958 (geregistreerd 1958) met de binnenlandse missieprocuur. In 1955 werd de parochie van de Heilige Michaël en Jozef opgericht met de kloosterkerk als bedehuis. In 1964 (kadastraal geregistreerd in 1965) werd er opnieuw gebouwd, toen het centrale studiehuis voor de Vlaamse Provincie werd gebouwd.

Klooster

U-vormig neogotisch complex van circa 1907 met de open zijde naar de Mechelsesteenweg, afgesloten met een bakstenen muur, en met de kloosterkerk als zuidelijke vleugel. Achter de kerk en in het verlengde ervan lagere dienstvleugel.

Bakstenen gebouwen op dito plint, drie bouwlagen onder schilddaken met leien. Sobere neogotische lijstgevels getypeerd door Brugse traveeën met steekboogvormige vensters met deels bewaard schrijnwerk (blauwe hardstenen lekdrempels). Gevels bekroond door baksteenbogenfries. Straatgevel van drie traveeën, uitgewerkt met centraal inkomrisaliet. Boven de deur spitsboognis met blauwe hardstenen waterlijst met gestrekte uiteinden, in de nis beeld van de Heilige Jozef op blauwe hardstenen sokkel.

In de oostvleugel bevindt zich aansluitend bij de kerk het priesterkoor (rechtse twee traveeën) met iets rijker uitgewerkte uitzicht. De traveeën zijn als spaarvelden uitgewerkt. Twee bouwlagen omvattende spitsboogvensters in Brugse traveeën, op het gelijkvloers steekboogvensters. Bewaard schrijnwerk. De gevel wordt hier afgelijnd door een bakstenen spitsbogenfries.

Langgestrekt bakstenen bijgebouw van twee bouwlagen en vijftien traveeën onder zadeldak met mechanische pannen (personeelswoningen?). Oorspronkelijk waarschijnlijk slechts één bouwlaag, bij de verhoging is de oorspronkelijke overhoekse baksteenfries hergebruikt als kordonlijst. In de zevende travee van de tweede bouwlaag eenvoudige spitsboognis met beeld van de Heilige Jozef met het kind Jezus.

In 1950-1951 (geregistreerd 1952) werd het klooster naar het noorden toe uitgebreid met een vleugel tegen en parallel met de Mechelsesteenweg (de buitenlandse missieprocuur). Eenvoudige éénlaagse baksteenbouw op gecementeerde plint, plat dak. Rechthoekige muuropeningen met grotendeels bewaard houten schrijnwerk.

De noordoostelijke vleugel haaks hierop werd in 1957-1958 gebouwd (binnenlandse missieprocuur). Het gaat om een tweelaagse baksteenbouw op gecementeerde plint, zadeldak met mechanische pannen. Rechthoekige gevelopeningen met bewaard schrijnwerk, een aantal vensters zijn opvallend klein.

De zuidoostelijke vleugel (het centrale studiehuis voor de Vlaamse Provincie, 1964) is de laatste uitbreiding en sluit het noordelijke binnenplein af, het complex kreeg toen haar huidige grondplan van twee aansluitende vierkante gehelen. Vrij grootschalig bakstenen gebouw van vier bouwlagen onder plat dak op breukstenen plint. Aan de achterzijde (tuinzijde) is het gelijkvloers sterk opengewerkt door middel van grote ramen (keuken, eetzaal,…), op de verdiepingen kleinere ramen voor de kamers. De gevel aan de zijde van het binnenplein heeft een breed en sterk vooruitspringend middenrisaliet met opvallende raampartij, bestaande uit een reeks smalle, twee bouwlagen omspannende vensters in één geheel vormende gecementeerde omlijsting. Bewaard metalen schrijnwerk.

Kloosterkerk

Zuidoostelijk georiënteerde neogotische driebeukige kruisbasiliek opgetrokken uit baksteen met gebruik van blauwe hardsteen voor lekdrempels, dekplaten, consoles, afzaat, waterlijsten,… Zadeldak met natuurleien. Muren in blauwe hardsteen en rode baksteen, leien daken. Schip van vijf traveeën diep, verlicht door telkens vijf groepen van drie spitsboogvensters. De zijbeuken worden geritmeerd door steunberen met dubbele versnijding, en worden verlicht door groepen van drie ingekorte spitsboogvensters. De westgevel wordt gekarakteriseerd door een vierledig spitsboogvenster met maaswerk boven de kerkpoort. Koor van twee traveeën, afgesloten met een driezijdige apsis. De traveeën aan de noordzijde zijn blind, aan de zuidkant twee spitsboogvensters, in de apsis drie tweeledige spitsboogvensters. Houten klokkentoren boven de viering, oorspronkelijk bekroond door een naaldspits, nu door een tentdak.

Kerkinterieur

Bepleisterd en lichtgeel geschilderd interieur met gele en rode bakstenen plint. Cementtegelvloer met witte en zwarte tegels, wit en rood in de kapellen. Zwarte natuurstenen drempels. Scheibogen op rechthoekige pijlers met aan de zijde van het schip halfronde pilasters en aan de zijde van de zijbeuk vierkante pilasters. Pijlers en pilasters op blauwe hardstenen plint, pilasters aan de zijde van het schip op zeszijdige sokkel en bekroond door geelgeschilderd Korinthisch kapiteel met dekplaat, vanwaar de gewelfribben vertrekken. Kruisribgewelf met natuurstenen ribben en bakstenen schelpen, straalgewelf voor het koor, spitstongewelf voor de koorkapellen.

De gebrandschilderde glasramen dateren van 1910, 1911 en 1913 geplaatst, en zijn van de hand van Bary en Hintzen uit Brussel. Het orgel werd geplaatst vlak na de Eerste Wereldoorlog. De neogotische kansel werd in 1918 aangekocht.

Het oorspronkelijke hoofdaltaar werd naar de kloosterkapel overgebracht in 1936, het nieuwe altaar werd ontworpen door E.P. Theofiel en vervaardigde door F. Tilman. De zijaltaren en communiebank zijn uitgevoerd door Vassaux.

Tuin

Door de uitbreidingen van de jaren 1950 en 1960 verdween een groot stuk van de kloostertuin, nu nog afgesloten met een bakstenen muur met spaarvelden. De tuin wordt doorsneden door twee loodrecht kruisende assen. De korte as verbindt de achterdeur van het klooster met een piëtakapel in de omheiningsmuur, de lange as mondt in het zuidwesten uit bij één van de deuren van de dienstvleugel (erboven een nis met de Heilige Jozef met het kind Jezus). Op het kruispunt een opvallend beukenprieel in evenwicht gehouden door een netwerk van metalen kabels en staven aangespannen door middel van tegengewichten. In de noordhoek van het domein, op het einde van de lange as, een Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes-beeld.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Mutatieschetsen Wezembeek-Oppem, Afdeling 1, Sectie B, 1907/8, 1952/36, 1958/29, 1965/38.
  • CALUWAERTS Roger. 1982: Het Anker 1.2, 13-14.
  • CALUWAERTS Roger. 1992 : Wezembeek-Oppem. Van boerendorp tot woongemeente. Nieuwkerken-Waas, 400-408.
  • DENEEF R. (ed.). 2008: Wezembeek-Oppem: klooster van de Passionisten. Historische tuinen en parken van Vlaanderen, M&L Cahier 19. Brussel, 156-157.
  • MAES Fr. 1957: Wezembeek-Oppem vroeger en nu. Eigen Schoon en de Brabander 40.11-12, 413-414.

Bron: -
Auteurs:  Thomas, Hans
Datum: 2011


Je kan deze pagina citeren als: Thomas, Hans: Passionistenklooster met kloostertuin en kerk [online], https://id.erfgoed.net/teksten/138796 (geraadpleegd op 21-04-2021)


Kloostertuin van de passionisten (2009)

Volledig ommuurde kloostertuin, oorspronkelijk 1,5 hectare, bij een in 1906 gebouwd neogotisch klooster; met een begraafplaats, een bosgedeelte, een fruitweide en een moestuin met een padenkruis en een uniek beukenprieel.

De congregatie der passionisten – officieel Congre­gatie van het lijden van Jezus Christus – werd in 1720 opgericht in Noord-Italië en 26 jaar later door paus Benedictus XIV erkend. In 1840 werd te Ere bij Doornik het eerste passionistenklooster buiten Italië opgericht. Het zou nog duren tot 1906 voordat er langs de Mechelsesteenweg in Wezembeek-Oppem een tweede Belgisch klooster werd gebouwd. Dat werd ontworpen door de Kortrijkse architect Alphonse-Antoine Vanden­berghe (1873-1923). Het mag beschouwd worden als een typisch voorbeeld van de Helleputiaanse neogotiek: van baksteen, de versiering beperkt tot het boogfries onder de kroonlijst en de 'Brugse traveeën' die de gevels ritmeren. De spits op de dakruiter van de kerk werd later tot een tentdakje gereduceerd. Het heeft drie bouwlagen en een U-vormige, naar de steenweg geopende plattegrond met de kerk als zuidelijke dwarsvleugel. Een losstaande dienstvleugel van twee bouwlagen vormt samen met de kerk de zuidwestelijke grens van het kloosterdomein. Het klooster werd gevoelig uitgebreid in 1950, 1957 en 1964 met onder andere een vleugel voor de fratersstudenten, die al de professie hadden afgelegd. Daardoor verdween een substantieel gedeelte van de tuin, die oorspronkelijk meer dan 1,5 hectare besloeg en door een bakstenen muur (langs de straatzijde met spaarvelden) van de buitenwereld werd afgesloten.

Desondanks zijn de oorspronkelijke indeling en vorm van deze 'hortus conclusus' nog duidelijk afleesbaar. Het U-vormige grondplan biedt uiteraard geen plaats voor een traditioneel, gesloten kloosterpand, maar het padenkruis dat het nutsgedeelte indeelt, sluit ongetwijfeld aan bij de klassieke vormgeving van de kloosterhof en – daarvan afgeleid – de pastorietuin. Het gaat bovendien niet uitsluitend om een moestuin, maar om de even traditionele combinatie van 'nut en sier' met religieuze symboliek op de achtergrond. De korte as van het kruis verbindt de achterdeur van het klooster met een piëtakapel in de omheiningsmuur; de lange as mondt in het zuidwesten uit bij een van de deuren van de dienstvleugel met, in de nis erboven, een beeld van Sint-Jozef met het kindje Jezus. Uniek is het prieel op het kruispunt van de twee assen: een monumentale 'fabrique de verdure' in de vorm van een kubus (met ribben van circa 5 m), waar de assen doorheen lopen. Het wordt niet zoals gewoonlijk gevormd door taxus of haagbeuk, maar door vier beuken (Fagus sylvatica) en in evenwicht gehouden door een netwerk van metalen staven en kabels die met gewichten worden aangespannen. De parterres van deze tuin worden bovendien nog grotendeels op de traditionele manier afgezoomd, met name met lage buxushaagjes, vaak geflankeerd door 'plate-bandes', stroken met bloemen of sierstruiken. De groenten hebben enkele jaren geleden plaats gemaakt voor gazon.

Het hele domein werd door het kadaster aanvankelijk als één perceel (nr. 392b) geregistreerd en pas in 1936 wordt het opgesplitst in drie percelen, die het feitelijke gebruik weerspiegelen: de al besproken moestuin (392 c, groot 43 are 10 cen­tiare), een weiland dat in feite de oorspronkelijke boomgaard was (392e, groot 51 are 30 centiare) en een perceel bos (392d, groot 63 are 10 centiare). Deze indeling, die we ook bij veel pastorieën terugvinden, bleef bewaard. Enkele oude fruitbomen in het weideperceel, dat zich ten noordoosten van de moestuin uitstrekt, getuigen nog van de oorspronkelijke bestemming. In de noordoosthoek van het domein, afgeschermd door taxushagen en fijnsparren (Picea abies), ligt de begraafplaats. Het bosgedeelte, dat vooral uit gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) bestaat, wordt door enkele wandelpaden doorkruist en langs de zijde van de steenweg afgezoomd met tamme kastanjes (Castanea sativa). Het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes in de noordhoek van het domein, als eindpunt van een van de dreven, zorgt ook hier voor een religieus accent.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Wezembeek-Oppem 1907 nr. 8, 1937 nr. 14, 1952 nr. 36, 1958 nr. 29 en 1965 nr. 38.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oudste kadastrale legger 212 Wezembeek-Oppem, art. 1378 op naam van Emile Vandenbulcke en consoorten.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212A Wezembeek-Oppem, art. 1943 nrs. 10-12.
  • JOHANNES (pater), De passionisten in België, Ere etc., Passionisten, 1923(?).

Bron: DENEEF, R., 2009. Historische tuinen en parken van Vlaanderen - Ten noordoosten van Brussel: Kampenhout, Kraainem, Machelen, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem, Zaventem, Zemst, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.
Auteurs:  Deneef, Roger, Vanden Bussche, Jozef, Wijnant, Jo
Datum: 2009


Je kan deze pagina citeren als: Deneef, Roger; Vanden Bussche, Jozef; Wijnant, Jo: Passionistenklooster met kloostertuin en kerk [online], https://id.erfgoed.net/teksten/298453 (geraadpleegd op 21-04-2021)


Parochiekerk Sint-Jozef 1 (1975)

Neogotisch gebouw van baksteen en arduin (19de eeuw), met dito binnenhuis.


Bron: De Maegd C. & Van Aerschot S. 1975: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 2N, Gent.
Auteurs:  De Maegd, Christiane, Van Aerschot, Suzanne
Datum: 1975


Je kan deze pagina citeren als: De Maegd, Christiane; Van Aerschot, Suzanne: Passionistenklooster met kloostertuin en kerk [online], https://id.erfgoed.net/teksten/40853 (geraadpleegd op 21-04-2021)