erfgoedobject

Stadswoningen De Tien Geboden

bouwkundig element
ID: 42361   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/42361

Juridische gevolgen

Beschrijving

In oorsprong eigendom van de achterin gelegen Sint-Geertruiabdij en vanouds begrepen in de twintig panden die tussen Dijle en Halfmaartstraat in de huizen- en inwonersregistratie van 1597-1598 en de wijkboeken van 1675 en 1719 vermeld staan onder de gemeenschappelijke naam "de Huysingen van Sinte Geertruyden".

Het was abt Pieter Was die in 1548 een eerste homogene reeks van vijf woningen, de huidige nummers 110 tot 118 liet optrekken. Vrijwel onmiddellijk daarna liet hierop aansluitend abt Philippe de Hosden, tijdens zijn mandaat van 1553 tot 1569, een tweede ensemble van vijf woningen oprichten in de huidige nummers 120 tot 128. Van dan af zou de volledige huizenrij figureren onder de globale benaming "de Tien Geboden", ingezet door het hoekpand Mechelsestraat/Halfmaartstraat (nummer 128) als "Eerste Gebod" en afgesloten door nummer 110 als "Tiende Gebod". Deze panden werden door de abdij opgetrokken als een soort kapitaalbelegging: als huurwoningen voor particulieren die voor het merendeel bedrijvig waren als ambachtslui of neringdoeners. Van het "Zevende Gebod" (nummer 116) is bovendien (volgens een huurcontract van 1748) geweten dat een bovenkamer verhuurd werd als vergaderzaal voor de handbooggilde van Sint-Gertrudis. Van bij hun oprichting fungeerden de woningen als het ware ook als visuele afscherming van de abdij kant Mechelsestraat. Omwille van haar precaire financiële toestand diende de Sint-Geertruiabdij echter in 1794 over te gaan tot de verkoop van een aantal bezittingen, waaronder de volledige huizenrij nummers 90 tot 128, die van dan af particulier eigendom werden.

Bij koninklijk besluit van 20/9/1958 werd het Eerste Gebod, hoek Halfmaartstraat, beschermd als monument. Door ontploffing en zware brand echter in het Tweede Gebod in 1967 werden laatstgenoemd pand en ook het belendende Derde Gebod totaal verwoest. Het Eerste Gebod, dat eveneens zwaar was beschadigd, kwam bouwvallig te staan en werd uiteindelijk gesloopt. Bij ministerieel besluit van 6/11/1985 werden de resterende panden van deze reeks, op het nummer 122 of Vierde Gebod na, beschermd als monument en het geheel (nummers 110 tot 128) opgenomen in het beschermde stadsgezicht van het historische Sint-Geertruidomein dat met zijn abdijcomplex, tuinen, afhankelijkheden en huurwoningen tot einde 18de eeuw het volledige huidige bouwblok innam begrensd door de Mechelsestraat, Dijle, Halfmaartstraat, Karel Van Lotharingenstraat en Vaartstraat (zie Sint-Geertruiabdij). Op 19.04.2001 werd ten slotte ook het Vierde Gebod beschermd als monument. Heden is, ter invulling van de verdwenen eerste drie geboden, een vervangende nieuwbouw gepland.

De "Tien geboden" werden opgevat als een architecturaal ensemble samengesteld uit twee reeksen van telkens vijf nagenoeg identieke, vrij smalle en in de hoogte uitgewerkte privé-woningen: het Eerste tot het Vijfde Gebod met renaissance-vormgeving, het Zesde tot Tiende Gebod in laatgotische stijl. Het concept van deze eenheidsbebouwing wordt voor de nummers 120 tot 128 door een aantal auteurs op stilistische basis toegeschreven aan de Leuvense bouwmeester Amand van Bullestraten. Voor het geheel werd een sober typeplan aangehouden met voor- en achterkamer op drie niveaus, de bovenverdiepingen bereikbaar via een houten spiltrap. Vermoedelijk lagen ook op het vrij diepe perceel van bij oorsprong, annex aan het rechthoekige woonhuisvolume, achterin een kleine binnenplaats of hofken en een achterhuis.

Nummers 110 tot 118 of het "Tiende" tot "Zesde Gebod" werden geconcipieerd als een aaneenschakeling van laatgotische, als breedhuizen opgevatte panden onder één doorlopend zadeldak, gevat tussen zijtrapgevels. De verankerde, volledig met kalkzandsteen (Gobertange) bezette voorgevels hebben als karakteristieken een afgeschuinde sokkel en door druiplijsten benadrukte registers met in twee traveeën gekoppelde kruisvensters in skeletstructuur, overspannen door enkelvoudige ontlastingsbogen en op de bovenste bouwlaag doorgaans door een wigvormig ontlastingssysteem, verder een brede blinde muurpartij rechts boven de rechthoekige deur onder tweelicht en als gevelbeëindiging een geprofileerde kroonlijst en een markant dakvenster met flankerende aanzetten, steekboogvenster onder (volgens oude foto's) laadbalk en decoratieve getrapte afwerking met druiplijsten en overhoekse toppilastertjes. De achtergevels vertonen een kenmerkende, door speklagen sterk horizontaal geritmeerde bak- en zandsteenbouw, met kruis-, kloostervensters en deur in een aan de voorgevel overeenkomstige ordonnantie. Een zelfde bouwtrant typeert ook de begrenzende blinde zijtrapgevels van nummer 110 en 118. Nummers 120 tot 128 of het "Vijfde" tot "Eerste Gebod", eveneens drie bouwlagen hoog, werden ontworpen als diephuizen met voortopgevel en achterpuntgevel onder individuele, evenwel onderling dwars verbonden steile zadeldaken. De gevelfronten aan de Mechelsestraat werden opgevat als een ritmische opeenvolging van door druiplijsten en hoekpilasters belijnde en alternerend bekroonde topgevels, met kalkzandstenen (Gobertange) parement voor de benedenbouw met afgeschuinde sokkel en een karakteristiek contrasterende bak- en zandsteenverwerking voor de bovenbouw. Ordonnantie in repeterend schema voor de rijhuizen en in spiegelbeeld voor het hoekhuis: beneden, tussen het drielicht en kruisvenster, een ietwat uit de as geplaatste rechthoekige deur onder tweelicht; in de bovenbouw een klooster-, kruisvenster en eveneens brede blinde muurpartij; in de top een groter en lager middenvenster tussen twee kleinere zijvensters en hogerop een balkgat voor de laadbalk. De renaissance-invloeden manifesteren zich in de dubbele uitzwenking van de verhoogde geveltoppen, het decor en de topbekroningen met afwisselend driehoekige en gebogen frontons, en in het bijzonder in de merkwaardige hoofdgevel (kant Half-Maartstraat) van het - inmiddels verdwenen - Eerste Gebod, die met zijn superpositie van de klassieke ordes en verwerking van antieke ornamenten algemeen beschouwd wordt als één van de exponenten van stijlbewuste renaissancetoepassing ten lande. Voor de soberder uitgewerkte achterpuntgevels met aandaken en vlechtingen, werd een aan de voorgevel verwante bak- en zandstenen bouwtrant aangehouden evenals een overeenkomstige vensterordonnantie op de bovenverdiepingen, en in de top een bolkozijn onder rechthoekig luikvenster en hogerop een balkgat. Van deze tweede reeks vijf "geboden" resten heden, als laatste relicten - op enkele ruïnes van de eerste drie geboden na - , enkel nog nummer 120 (het Vijfde Gebod) en nummer 122 (het Vierde Gebod). Heden is het uitzicht van deze panden in grote mate mee bepaald door minder of meer ingrijpende aanpassingen die voornamelijk vanaf circa 1850 werden doorgevoerd en door de restauraties die vanaf de beginjaren 1990 werden ingezet, vaak in samenhang met een herinrichting in wooneenheden. Voor een getrouwe benadering van de oorspronkelijke - alleszins vroegere - toestand waren, naast de nog in situ bewaarde toestand, voornamelijk oude schetsen en foto's en diverse 19de-eeuwse bouwaanvragen hiervoor richtinggevend, en in het bijzonder ook de minutieuze opmetingsplannen en gedetailleerde fotografische opnamen van 1967 van het Eerste Gebod, door ingenieur-architect R. Vandendael, Behoudens zijn aangepaste pui (1889) en verdwenen dakvenster, bleef nummer 110 of "Tiende Gebod" het best bewaarde huis. Nummer 112 of het "Negende Gebod" daarentegen werd in 1904 onherkenbaar aangepast met een gewijzigde vensterordonnantie, cementbepleistering en neoclassistische pui. De restauraties van deze panden, respectievelijk in 1999 door ingenieur-architect D. Depoorter en in 1993-1994 door ingenieur-architect J. Martens, hielden onder meer het herstel in van de oorspronkelijke vensterordonnantie (nummer 112) en -indeling, de reconstructie van de gelijkvloerse puien en dakvensters, en de vernieuwing van de bedaking met natuurleien.

Bij nummer 114 of het "Achtste Gebod" klimmen de aanpassingen tot lijstgevel met centrale venstertravee in de bovenbouw en totaal opengewerkte begane grond vermoedelijk op tot einde 19de- begin 20ste eeuw.

Nummers 116 en 118, respectievelijk het "Zevende" en "Zesde Gebod", behielden tot op heden nog vrij herkenbaar hun globale gevelopstand, niettegenstaande in nummer 116 inmiddels het dakvenster werd gesupprimeerd, de pui aangepast en sinds 1851 de kruisen van de bovenvensters zijn verwijderd. In 1867 verdwenen deze ook bij nummer 118 samen met de afbraak van het dakvenster, die in 1972 echter werden herplaatst tijdens de restauratie door het architectenburo Vanderbist en Reynaert, gelijktijdig met de huidige pui-indeling. Bij nummer 120 of het "Vijfde Gebod" dateert het geveluitzicht met centraal een drielicht met deurvenster en balkon onder rechthoekige bovenvensters en de inbreng van een gevelbrede winkelpui op de begane grond voornamelijk van de wijzigingen in 1912.

Tot voor kort vertoonde nummer 122 of het "Vierde Gebod" nog zijn vermoedelijk in 1872 "gemoderniseerde" lijstgevel met cementbepleistering en centrale vensterpartij in klassieke omlijsting en zijn wellicht na de oorlogsbombardementen in 1945-1946 gehalveerde bedaking en achtergeveltop. Het huidig uitzicht met deels gereconstrueerde oorspronkelijke voorgevelordonnantie en herstel van de dakvorm en achtertopgevel dateert van de restauratie in 2000-2001, door D. Depoorter.

Afgezien van muuropeningen die later werden gedicht - en al dan niet tijdens restauratiewerken werden heropend -, bleven de achtergevels van deze huizen nog vrij herkenbaar bewaard, zij het dat de meesten heden schuil gaan achter latere aanbouwsels of uitbreidingen. Nummer 120, met nog behouden linker schouderstuk, heeft een terugwijkende verbindingsmuur met nummer 118.

De ontmantelingswerken en het onderzoek in functie van de restauraties brachten bij meerdere panden de originele ruimtelijke en structurele opbouw aan het licht: getuige nog de globaal behouden inwendige planschikking en de bewaarde constructieve elementen als het originele, niet nokdragende eiken gebint met Vlaamse spanten voorzien van telmerken die aangeven dat de bouw van deze huizenrij werd ingezet met nummer 110; verder onder meer nog de eikenhouten plafonds met moer- en kinderbalken voorzien van bewerkte sloffen, op geprofileerde zandstenen consoles (nummers 110, 112, 116, 118, 122), resten van troggewelfjes (nummer 122) en kelder met bakstenen tongewelf en waterput (onder meer nummer 110). De achterhuizen werden veelal in de loop van de 19de en 20ste eeuw aangepast of verbouwd, zo niet herbouwd: de aan het voorplein van de Sint-Geertruikerk palende, één bouwlaag hoge constructies na de Tweede Wereldoorlog.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg Vlaams-Brabant, archief Monumenten en Landschappen, beschermingsdossier Stadsgezicht voormalig Sint-Geertruidomein (06.11.1985); Mechelsestraat nummers 110 tot 128: beschermingsdossiers (20.09.1958, 06.11.1985 en 19.04.2001), restauratie- en wederopbouwdossiers.
  • Stadsarchief Leuven, Gemeentegoederen, dossier 12181; Modern Archief, dossier 10139 (06.10.1851); dossier 12238 (bouwvergunning 22.03.1867); dossier 12724 (bouwvergunning 17.06.1867); dossier 23051 (bouwvergunning 16.09.1872); dossier 47988/118026 (bouwvergunning 14.03.1889); dossier 66181 (bouwvergunning 04.07.1904 en 22.08.1904); dossier 73603 (bouwvergunning 18.04.1912); dossier 104152 (bouwvergunning 14/8/1945 en 28/3/1946); dossier 105200 (bouwvergunning 05.12.1946); dossier 122706 (bouwvergunning 13.04.1972).
  • Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, fototheek, A31179, A69066, B16674.
  • BSHARA K., GOEMINNE T., NEDELCU E., VAN GILS M., The Ten Commandments, onuitgegeven studieproject K.U.Leuven, R. Lemaire Centre for Conservation, 1999-2000.
  • BOONEN W., Geschiedenis van Leuven geschreven in de jaren 1593-1594, uitgegeven door E. Van Even, Leuven, 1880, anast. herdruk, 1996, pp. 389-390.
  • MARTENS J., IMPE A., PAESMANS G., “Het Tiende Gebod” in Leuven, in M&L, jaargang 1/6, 1982, p. 40-49.
  • MEULEMANS A., Atlas van Oud-Leuven, Leuven, 1981, pp. 215-221.
  • MEULEMANS A., Oude Leuvense straten en huizen. De rechterzijde van de Borchtstraat, in Mededelingen van de Geschied- en Oudheidkundige Kring voor Leuven en Omgeving, jaargang 10/1, 1970, p. 18.
  • STEVEN F., SCHWILDEN J. & T., Edmonts Fierlants (1819-1869). Photographies d'art et d'architectures, tentoonstellingscatalogus Mont-sur-Marchienne 28.05-04.09.1988, nummer 1076.
  • UYTTERHOEVEN R., Leuven Weleer. Langs bekende handelsstraten naar Sinte-Geertrui en Tempelhof, deel 1, Leuven, 1985, figuur 17.
  • VAN EVEN E., Louvain dans le passé et dans le présent, Leuven, 1895, p. 181, 465.

Bron     : Mondelaers Lydie & Verloove Clara i.s.m. Van Roy Diane, Van Damme Marjolijn en Meulemans Katharina. 2009. Inventaris van het bouwkundig erfgoed. Provincie Vlaams-Brabant. Leuven binnenstad. Herinventarisatie. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. VLB2 (onuitgegeven werkdocument)
Auteurs :  Mondelaers, Lydie, Verloove, Claartje
Datum  : 2009

Aanvullende informatie

De panden nummers 124-128 meer bepaald het Eerste, Tweede en Derde Gebod, zijn inmiddels vervangen door nieuwbouw.

Auteurs : Jacobs, Els
Datum: 15-02-2019

Relaties

  • Is deel van
    Mechelsestraat
    Mechelsestraat (Leuven)

  • Is deel van
    Sint-Geertruidabdij en omgeving
    Halfmaartstraat, Karel van Lotharingenstraat, Mechelsestraat, Sint-Geertruiabdij, Vaartstraat (Leuven)

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Stadswoningen De Tien Geboden [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/42361 (Geraadpleegd op 22-07-2019)