omvat de aanduiding als beschermd monument Kasteel van der Vorst
Deze bescherming is geldig sinds
omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel van der Vorst
Deze vaststelling is geldig sinds
omvat de aanduiding als beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Kasteel Vander Vorst: omgeving
Deze bescherming is geldig sinds
is deel van de aanduiding als beschermd stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Kasteel van der Vorst en watermolen met omgeving.
Deze bescherming is geldig sinds
is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Van der Vorst en watermolen
Deze vaststelling was geldig van tot
Het kasteel van Loonbeek (of Kasteel Vander Vorst) is ingeplant aan de voet van de zuidoostelijke beboste helling van het IJsedal, bekend als het Margijsbos, in een straatbocht, vlak naast de IJse. Een monumentale poort, uitgespaard in de blinde buitengevel van het wagenhuis, leidt naar een ruim binnenplein omsloten door het kasteel en de bijgebouwen.
Rond het midden van de 12de eeuw maakte Loonbeek samen met Huldenberg deel uit van het domein Neerijse dat op zijn beurt een onderdeel vormde van het uitgestrekt domaniaal goed van de abdij van Corbie aan de Somme. Deze benedictijnerabdij bezat er niet alleen het geestelijk gezag maar trad tevens op als grondheer. Geleidelijk aan werden haar wereldlijke bezittingen ingepalmd door de Brabantse hertogen. Zo kwam bijvoorbeeld Huldenberg in het bezit van het plaatselijke, gelijknamige geslacht van 'ministeriales', trouwe volgelingen van de hertog van Brabant.
Over het ontstaan van de heerlijkheid Loonbeek zijn geen precieze gegevens bekend. Verbesselt veronderstelt - vermoedelijk naar analogie met Neerijse - dat een vertegenwoordiger-beheerder van dit deel van het domein van Corbie hier aan de basis lag. In 1246 was er reeds sprake van een kleine nederzetting, zoals blijkt uit een oorkonde van de abdij van Park. In 1375 wordt Willem vander Cruysse vermeld als heer van Loonbeek waarna de heerlijkheid achtereenvolgens in het bezit komt van de familie van Wilre en van Huldenberg (15de eeuw).
Een denombrement van 1495 bevat de eerste concrete informatie over de samenstelling van de heerlijkheid Loonbeek. Dit vol leen van de hertog van Brabant was op dat moment in handen van Jan van Huldenberg die er de meier en de schepenen benoemde en er de lage justitie bezat. Bij "thuys vande loenbeken mette water dair omgaend" hoorde een "winhove", een "water moelen" en een "capelle castrael", de huidige Sint-Antoniuskapel. Verder omvatte de heerlijkheid circa 200 bunder land, beemd, heide en bos. Rond de 103 bunder werd hiervan in beslag genomen door "den bosch vande loenbeke", later vermeld als "Mallegijs oft Mergijs bosch" en "Sergijs bosch".
Op 10 december 1500 verkocht Wouter van Huldenberg de heerlijkheid Loonbeek aan ridder Jan van der Vorst. Deze rechtsgeleerde en latere kanselier van Brabant, die naar de bijnaam Ghys of Gijs luisterde, leende wellicht zijn naam aan het "Sergijs bosch", het huidige Margijsbos.
In 1579 werden het kasteel, de molen en enkele pachthoven van de heer alsook een groot deel van het dorp door de Geuzen verwoest en in brand gestoken. Wanneer het kasteel precies werd heropgebouwd is niet bekend.
In 1663 werd Loonbeek tot baronie verheven ten gunste van Filips vander Vorst. De familie Vander Vorst, die eveneens talrijke bezittingen had in het keurvorstendom Keulen, verbleef blijkbaar slechts occasioneel in Loonbeek. Dit neemt niet weg dat er respectievelijk rond 1724 en 1761 belangrijke verbouwingswerken werden uitgevoerd. Voor de periode 1777-1785 is er zelfs sprake van de bouw van een bakstenen muur rond het kasteel.
Tot en met het einde van het ancien régime bleef de heerlijkheid onafgebroken in het bezit van deze invloedrijke familie. In 1811 verkochten ze hun bezittingen in Loonbeek aan graaf en baron Florimond de Quarré.
Na zijn overlijden in 1852 werden zijn goederen in Loonbeek (circa 200 hectare) geërfd door zijn neef Prosper Christyn graaf de Ribaucourt uit Perk. Bij een bezoek aan zijn erfgoed noteert de graaf dat het kasteel wordt gebruikt als pachthof en dat de aanplantingen in het Margijsbos door het wanbeheer van de boswachter veel te wensen overlaten.
De leggers bij de Poppkaart van circa 1860 vermelden naast het kasteel, de kapel, een hoeve, een huis, stal en schuur, een gebouw en de watermolen als eigendom van de Ribaucourt. Hierbij hoorden 121 hectare 33 are bos, 65 hectare 74 are land, zeven hectare weide, één hectare 49 are vijvers, één hectare 24 are hooiland en één hectare tuin, in totaal bijna 200 hectare.
Kort na de opname van Popp, in de periode 1860-1870, liet de Ribaucourt vijver en ringgracht dempen, werden delen van het kasteel en de bijgebouwen gesloopt en de kapel in 1873 aan de gemeente geschonken.
Tot na de Eerste Wereldoorlog bleef het nu totaal verkommerde kasteel in het bezit van graaf Eugène de Grünne, waarna het met grote delen van het domein in 1923 werd aangekocht door de Brusselse industrieel A. Smits die het als pachthof verhuurde. Voor zichzelf liet hij in het Margijsbos een ruime villa optrekken in "Normandische" stijl.
De daarop volgende jaren werd het kasteeldomein steeds verder versnipperd onder diverse eigenaars. In 1969 werden de restanten van het kasteel, op dat moment nog steeds als hoeve in gebruik, aangekocht door mevrouw C. de Hontheim die de gebouwen in 1975 liet restaureren. Sinds kort, voor het moment van bescherming, heeft het kasteel, dat opnieuw een residentiële functie heeft gekregen, een nieuwe eigenaar.
Een gravure van J. Harrewijn geeft een beeld van het volledig omgrachte kasteel met aanhorigheden op het einde van de 17de eeuw, gezien vanuit het noordoosten. Het kasteel met U-vormige plattegrond is opgetrokken in traditionele bak- en zandsteenstijl en telt twee bouwlagen afgedekt met schilddak dat, voor zover zichtbaar, alleszins langs de noordoostzijde is voorzien van dakkapellen met trapbekroning. Twee, drie bouwlagen tellende, vierkante hoektorens met peperbus- en bolspitsbekroning vormen de beëindiging van de kortere dwarsvleugels. Hoofd- en zijvleugels omsluiten een binnenkoer, aan de vierde zijde afgesloten met een gecreneleerde muur met ingangsportiek.
Van dit 17de-eeuwse concept bleef de hoofdvleugel (noordwesten) grotendeels en de linker dwarsvleugel (noordoosten) op de bovenste verdieping van de hoektoren na, volledig bewaard.
Voor het kasteel ligt het eveneens omwalde neerhof, bereikbaar via een houten brug en er visueel van gescheiden door een zuilenportiek. Aan de noordoostelijke rand zijn de achtergevels zichtbaar van twee bijgebouwen. Het volume met schilddak is inmiddels verdwenen. In de langsbouw met zadeldak herkennen we de huidige stalvleugel.
In zijn huidige vorm dateert het kasteel voornamelijk uit de 17de eeuw - een preciezere datering is in de huidige stand van onderzoek niet mogelijk - met verbouwingen die op basis van een opschrift en stilistische kenmerken rond 1724 kunnen worden gesitueerd.
Het tot een L-vorm gereduceerde, twee bouwlagen tellende kasteel met gebogen schilddak (natuurleien) op houten modillons vertoont alle karakteristieken van een sobere bak- en zandsteenarchitectuur: een natuurstenen plint (slechts gedeeltelijk zichtbaar sinds de demping van de omwalling), hoekkettingen, kloosterkozijnen en kruisvensters met dubbele ontlastingsboogjes en in de voorgevel een kordonlijst en speklaag in het verlengde van de bovendorpels van respectievelijk de gelijkvloerse en de verdiepingsvensters. Dat de hoofdvleugel aan de rechterzijde werd ingekort blijkt onder meer uit het ontbreken van hoekkettingen, minder verzorgd metselwerk en de afwerking met aandak met vlechtingen en schouderstukken.
De hoofdingang wordt risalietvormig geaccentueerd door een met speklagen horizontaal geritmeerde klokgevel met wapenschild van Karl vander Vorst en driehoekige frontonbekroning. De makelaar van de korfboogpoort draagt het jaartal 1724.
De erop aansluitende brede dwarsgang staat in verbinding met een meer bescheidener korfboogpoort in de achtergevel met wapenschild als sluitsteen. De verdieping van de tot een tweelagige stomp herleide hoektoren is langs de drie zijden opengegewerkt met korfboogvormige vensters. Het algemeen voorkomen wordt verstoord door een overdaad aan formeel misplaatste, recent aangebrachte dakkapellen.
De oorspronkelijke binnenindeling met ruime kamers die op een langs de achtergevel lopende gang uitgeven is nog grotendeels herkenbaar. Niettegenstaande de aanpassingen van circa 1870 en 1975 bleven nog opvallend veel originele elementen bewaard: natuurstenen en rode tegelvloeren, laatgotische en bescheiden 18de-eeuwse schouwen, moerbalken met 17de-eeuwse stucdecoratie in de grote kamer met 19de-eeuwse marmeren schouw, een fragmentarisch bewaarde eiken balustertrap en een gaaf dakgebint.
Aan de overzijde van het voorplein en tegen de straat aan bevinden zich de haaks op elkaar ingeplante stal- en wagenhuisvleugel, afgedekt met zadeldak( oude Vlaamse pan en kunstleien), en restanten van een vroeger omvangrijker "neerhof": A.J.L. Jacobs spreekt van "remises, granges, écuries, celliers, brasserie" en een fontein in het midden van het plein.
Ogenschijnlijk dateert de stalvleugel met korfboogvormige poort en deuren en kleine rechthoekige vensters uit de 17de eeuw. Het wagenhuis met monumentaal ingangsportiek in kalkzandsteen en hardsteen - een korfboogpoort geflankeerd door dorische pilasters met kroonlijst en driehoekig fronton - dateert vermoedelijk van rond 1724, periode waarin ook de inkompartij van het kasteel werd vernieuwd. Het wapenschild in het fronton is naar verluidt een kopie van het originele dat rond 1945 werd verwijderd. De op een rij verticale luchtspleten en steigergaten na gesloten straatgevel wordt belijnd met de doorgetrokken geprofileerde kroonlijst, natuursteen voor het wagenhuis, gepleisterde imitatie voor de oudere stalvleugel. Merkwaardig is de binnenkoergevel met een kalkzandstenen pilasterportiek dat opvallend veel gelijkenis vertoont met de vrijstaande arcade op de gravure van Harrewijn uit 1694. Werd deze bij de bouw van het wagenhuis geïncorporeerd? Het is duidelijk dat ook het wagenhuis aan de rechterzijde werd ingekort. Eén buitenmuur staat nog overeind.
In tegenstelling tot het stroomafwaarts langs de IJse gelegen kasteel d'Overschie te Neerijse of het stroomopwaarts gelegen kasteel van Huldenberg, bleef de aanleg rond het kasteel van Loonbeek tijdens de 18de eeuw rudimentair en in oppervlakte beperkt. Van uitgekiende 'spiegelvijvers', 'sterrebossen', een complex patroon van dreven en vista's... is nauwelijks sprake. Het beeld dat de kabinetskaart van de Ferrariskaart (1770-1778) oproept stemt nog grotendeels overeen met de situatie op het einde van de 17de eeuw die wordt afgebeeld op de gravure van Harrewijn: een 'waterkasteel' aan de voet van een beboste heuvelflank, met name het Margijsbos. De hoofdas werd gevormd door een circa 700 meter lange, rechtgetrokken sectie van de IJse, die eindigt bij de watermolen. De rivierloop werd bij deze rechttrekking vermoedelijk verplaatst van de dalweg (de lijn van de laagste punten) naar de noordrand van het dal. Deze operatie - een procédé dat voor het centraal-Brabantse heuvelland niet zo uitzonderlijk is - was niet alleen molentechnisch interessant, maar vormde zowel in Huldenberg, Loonbeek als Neerijse het basisgegeven waarop een - in het geval van Loonbeek - minder complexe vorm van parkaanleg werd geënt.
De Ferrariskaart geeft de toestand van het domein weer in optimale vorm. Er waren vier vijvers op lijn:
Op de figuratieve kaart die in 1755 werd opgemaakt naar aanleiding van een proces tussen de pastoors van Huldenberg en Neerijse (Brussel, A.R.A., Kaarten en plannen in hoofdstuk nummer 463) komen de drie laatstgenoemde vijvers niet voor. Als mag worden aangenomen dat deze kaart voldoende gedetailleerd is, wat gezien de functie ervan lang niet zeker is, dan werden deze vijvers uitgegraven tussen 1755 en 1770. Op de 19de-eeuwse kaarten worden ze als één kadastraal perceel en als één, lepelvormige, vijver afgebeeld: op de 'primitieve' kadasterkaart (1830) met een oppervlakte van drie hectare 26 are. De oevers van de drie vijvers waren afgezoomd met een hoogstammige rijbeplanting en tussen de vijvers en de IJse en evenwijdig met deze laatste, liep vanuit zuidwestelijke richting een met bomen beplante dreef naar het kasteel toe. Deze dreef, oorspronkelijk een privé-perceel (sectie A nummer 47), wordt in 1853 opgenomen in het openbaar domein naar aanleiding van de ontdubbeling van de Sint-Jansbergsesteenweg.
Het aanpalende Margijsbos heeft zijn primitief wegenpatroon behouden: geen ster- of andere geometrische patronen, loofgangen of andere tekenen van formele aanleg. Het hellingbos wordt doorkruist door enkele hellingopwaarts kronkelende wegen, op de 19de-eeuwse kadasterkaarten respectievelijk de Keijser straet, de Kapelledreef, de Molenweg en (alleen op de kadastrale kaart van Popp, 1860) de sentier de Weert.
Nadat in 1856 de kleine, tweede, vijver uit het kaartbeeld verdwijnt, wordt twee jaar later ook het perceel van de 'lepelvijver' niet meer als water maar als 'land' omschreven; samen met de dijken rond de vijvers vormt het voortaan een nieuwe perceel. In 1864 wordt ten slotte ook het huisvijverperceel niet meer als water maar als weide ingetekend. Daarmee zijn dan ook de meest opvallende elementen van de historische aanleg verdwenen of, juister gezegd, verdoezeld, want alleen in de onmiddellijke omgeving van het kasteel werd de vijver echt gedempt. De buitenoevers van de huisvijver zijn nog duidelijk zichtbaar in het reliëf en de begroeiing (rietkragen) en het verdwijnen van de 'lepelvijver' in de 19de eeuw was vermoedelijk het resultaat van een geleidelijke verlanding. In het microreliëf zijn de oorspronkelijke oevers nog duidelijk te bespeuren. De 'lepelvijver' zal pas in 1970 uit het kadastrale beeld verdwijnen. Het uiteinde van de historische 'lepelsteel' werd vermoedelijk benut om bij een in 1975 gebouwde villa opnieuw een kleine vijver aan te leggen. De rest van het vroegere vijverperceel is momenteel begroeid met elzenhakhout (Alnus). In 1984 werden de Canadapopulieren (Populus canadensis (x))gekapt en niet meer aangeplant, hier en daar met 'spaartelgen' op oude stronken van gewone es (Fraxinus exelsior, met stamomtrekken tot 1,86 meter). Na de verlanding van de vijver heeft zich een rijk, beekbegeleidend bostype (Alno-Padion) ontwikkeld, dat onmerkbaar overgaat in de beboste hellingen van het Margijsbos.
Elementen van formele park- of tuinaanleg zijn nog nauwelijks aanwezig. Op het perceel van de voormalige huisvijver werden nog restanten opgemerkt van oude meidoorn- of haagbeukhagen. Daarnaast is er het dreefje bij de toegangspoort van het woongedeelte, bestaande uit vijf (oorspronkelijk zes), zwaar afgetopte en ingesnoeide zomerlindes (Tilia platyphyllos) met stamomtrekken tot 2,11 meter. De sierbeplanting beperkt zich voor de rest tot een jonge plataan (Platanus hispanica (x)) en jonge magnolia (Magnolia x soulangeana). Vermeldenswaardig zijn ten slotte de oude beuken (Fagus, met stamomtrekken tot 2,69 meter) in het bosplantsoen langs de oude Kapelledreef, aansluitend bij het kasteel.
Auteurs: Van der Veken, Bert
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)