Papinglohoeve

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Maldegem
Deelgemeente Maldegem
Straat Kleitkalseide
Locatie Kleitkalseide 193, Maldegem (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Maldegem (adrescontroles: 05-05-2008 - 05-05-2008).
  • Inventarisatie Maldegem (geografische inventarisatie: 01-06-2002 - 31-03-2003).
  • Project beschermingsdatabank 2013-2016 (beschermingen: 01-01-2013 - 30-06-2016).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Papinglohoeve

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Papinglohoeve met omgeving

Deze bescherming is geldig sinds 18-09-1981.

is beschermd als monument Papinglohoeve met omgracht erf

Deze bescherming is geldig sinds 09-06-2004.

Beschrijving

De hoeve met haar onmiddellijke omgeving is beschermd als dorpsgezicht bij ministerieel besluit van 18 september 1981 en beschermd als monument bij ministerieel besluit van 9 juni 2004.

Historiek

De historische hoeve Papinglo klimt op tot de 12de eeuw. De Sint-Baafsabdij had in het Maldegemveld een grote ontginningshoeve zogenaamd Papinglo. De naam Papinglo, voor het eerst vermeld in 1170, betekent het bos van de lieden van Papo, en wijst op een Frankisch familiedomein. Op de nederzetting werd rond 1170 een monastieke stichting opgericht met een kapel en een proosdij (woonplaats voor de proost van de geestelijke gemeenschap) afhangende van de Sint-Baafsabdij van Gent. In 1183 beginnen reeds de ontginningswerken. Hoewel het domein van Papinglo reeds zeer vroeg verschillende hoeven bezat vond de grote ontginning van het gebied vooral later, in de 18de eeuw plaats. Na de omvorming van de Sint-Baafsabdij tot kapittel in 1536-37 werd de proost van Papinglo scholaster van het kapittel. Bij de oprichting van de nieuwe bisdommen in 1560 werd het domein eigendom van het bisdom Gent.

De Papinglohoeve, op de plaats van de vroegere kapel van de proosdij, was volgens een inspectieverslag van 1749 totaal vervallen en onbewoond. In 1756-57 werd onder bisschop Maximilianus Antonius Vander Noot van Gent de hofstede volledig heropgebouwd onder leiding van J.J. Hacker. Onder prins Ferdinandus Maria de Lobkowitz, bisschop van Gent van 1779 tot 1795, werd de heide verder ontgonnen, nieuwe bossen en geometrische drevenpatronen aangelegd, nieuwe hoeven gebouwd. Onder het Franse bewind werd het domein geconfisqueerd en als 'zwart goed' verkocht.

Beschrijving

Voorheen omwalde hoeve, door de vernieuwde aanleg van de Aalterbaan in 1957 doorheen het erf, verdween een deel van het erf en kwam een klein deel met omgrachting aan de overkant van de baan te liggen.

Op de plaats van de oude toegangspoort staat nu een ijzeren inrijhek, geflankeerd door voetgangershekjes aan vier ronde bakstenen pijlers. Aan de buitenste pijlers zijn nog bakstenen muurtjes gemetseld. Links van de toegang is een drenkput voor het vee. Ten oosten, naast het huis, is een boomgaard aangeplant. Gekasseide opritten leiden naar het huis en de dienstgebouwen. Zowel voor als achter het huis staat een ijzeren pomp op gemetste voet.

Het boerenhuis is ingeplant ten noorden van het met gras begroeide erf. Een opvallend detail vormt het witgeschilderd ijzeren hekwerk vlak voor het huis over de volledige gevelbreedte met groengeschilderde pijlertjes en een toegangshekje ter hoogte van de voordeur. Het boerenhuis dateert in zijn huidige vorm vermoedelijk uit de 19de eeuw met een oudere bouwkern van circa 1756. Het oorspronkelijke bouwjaar van het boerenhuis, 1756, is aangegeven door middel van zwarte dakpannen in het rode zadeldak. Er zijn evenwel aanwijzingen die doen vermoeden dat het huis later vergroot is achteraan en aan de rechter zijde met toevoeging van één kamer. Vermoedelijk is ook de voorgevel later vernieuwd. De zeshoekige dakruiter met zinken dak werd verwijderd in 1987. De naar het zuiden gerichte witgepleisterde voorgevel telt zeven traveeën op een grijs geschilderde plint en wordt afgelijnd door een kroonlijst en een gootlijst met klossen. De deur is gevat in een grijs geschilderde omlijsting van gesinterde baksteentjes met een eenvoudig recht kroonlijstje. Boven de rechthoekige plankendeur met waterberd is een bovenlicht voorzien met een eenvoudige houten ruitvormige tracering. De rechthoekige vensters met houten kruiskozijnen worden afgesloten door groen-wit geschilderde persiennes, het eerste en het tweede venster zijn blinde imitatiekruiskozijnen. Het gedeelte boven de tussendorpel van het eerste venster fungeert als venstertje van de opkamer. De kamers onder het laag doorlopende manke zadeldak aan de achterkant van het huis, een slaapkamer en de keuken, zijn vermoedelijk een 19de-eeuwse toevoeging. In de keuken bevond zich vroeger een bakhuis dat echter reeds geruime tijd gesloopt is. In de gewitte achtergevel hebben twee rechthoekig houten raamkozijnen nog de typische diefijzers en groen-wit geschilderde luiken. Ook de afwerking van de zijgevels, zonder de typische muurvlechtingen, doen een 19de-eeuwse bouwcampagne vermoeden. In de westelijke zijgevel verwijzen drie ijzeren haken in de geveltop naar een vroegere hondenkar.

Interieur

Binnenshuis is er een minder gebruikelijke doch interessante ruimteverdeling, die voor het gebied zelfs zeldzaam is. De voordeur biedt toegang tot de woonkamer met direct links een houten omkokering van de houten steektrap naar de opkamer en de zolderverdieping, ernaast bevindt zich een toegang tot de kelder onder de opkamer en een muurkast. De betegelde kelder, overkluisd met een balklaag, is verdeeld in drie kleine kelderruimten met getraliede venstertjes in de zijgevel. De woonkamer is voorzien van een vernieuwde tegelvloer en een samengestelde balklaag zonder decoratie. In het midden tegen de rechter muur staat een grote schouw, met erin geplaatst een kleinere, beiden met houten wangen en schouwbalk voorzien van marmerimitatie. De kamer ernaast, vermoedelijk toegevoegd of toch heringericht in de 19de eeuw heeft een vloerbekleding van rode plavuizen, een stucplafond met centraal een gegoten rozetmotief, een eenvoudig zwart marmeren schouwtje en stucboezem met pilastertjes en kroonlijst.

Erf

Op het achtererf, ten noorden van het huis, en parallel ermee is een bakstenen gebouwtje met varkensstallen en toilet onder zadeldak met pannen opgetrokken. Dergelijke varkensstallen met houten luikjes in de gevel die de bediening van de gemetste voederbakken binnenin mogelijk maken, zijn uiterst zeldzaam geworden. Dit typisch agrarisch bedrijfsgebouwtje verkeert inmiddels in dusdanige bouwvallige staat dat een eventuele reconstructie noodzakelijk kan zijn.

Haaks ten opzichte van het boerenhuis en evenwijdig aan elkaar staan de schuren en stallen onder met pannen gedekt zadeldak. Hoewel reeds opgetekend in de 18de eeuw zijn er zo goed als geen bouwsporen uit die tijd met zekerheid vast te stellen. De stallen ten westen vertonen witgeschilderde gevels op een gepikte plint, voorzien van groengeschilderde staldeuren. De oorspronkelijke indeling, namelijk koeienstallen, veulenstal en paardenstallen, is niet bewaard. Thans is binnenin één grote stal ingericht met gegoten tussenschotten. De schuur ten oosten op het erf, evenwijdig met de stallen, werd na de brand in 1945 heropgebouwd met gedeeltelijk behoud van de muren. De schuur telt zeven traveeën onder een zadeldak met pannen, en een aangebouwd open wagenhuis. In de bakstenen erfgevel zitten twee grote inrijpoorten, oorspronkelijk getoogd maar bij de heropbouw voorzien van rechte lateien. Rechts aangebouwd zijn nog de sporen te vinden van een open wagenhuis onder een lessenaarsdak met golfplaten.

  • Rijksarchief Gent, Fonds Bisdom, Sint-Baafs, reeks B, 2575.
  • VAN MALDEGHEM J., Maldegems erfgoed, Deel I, Maldegem, 1977, p. 39-41.
  • VAN MALDEGHEM J., De Maldegemse kerkdorpen Donk en Kleit, Maldegem, 1995, p. 19-26.
  • VERSTRAETE D., Prévoté de Papinglo à Maldegem, Monasticon Belge, Tome VII, Province de la Flandre Orientale, Deuxième volume, Liège, 1977, p. 129-135.

Bron: -

Auteurs: Bogaert, Chris & Lanclus, Kathleen

Datum tekst: 2003

Aanvullende informatie

Typisch voor de ontginning van de omgeving door de Gentse bisschoppen is de percelering, de rechtlijnigheid van de dreven (aangelegd van zuid naar noord en van oost naar west). De meeste van de dreven zijn officiële wegen geworden, maar vooral aan de zuidkant van het domein, waar overwegend zaai- en weiland lag en ligt, bestaan nog dreven, beplant met eiken, die een bijzonder karakter geven aan de omgeving.

  • Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen, beschermingsdossier DO000664, Papinglohoeve met omgeving (wijk Kleit), (1981).

Daemen, Caroline (24-04-2015 )

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Kleitkalseide

Kleitkalseide (Maldegem)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.