erfgoedobject

Banque Centrale Anversoise

bouwkundig element
ID: 5338   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/5338

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historiek en context

Bankgebouw in beaux-artsstijl, opgetrokken in opdracht van de Banque Centrale Anversoise naar een ontwerp door de architecten Joseph Hertogs en Max Winders uit 1912. De bouw ging van start begin 1913, en werd wellicht nog voor het uitbreken van Eerste Wereldoorlog voltooid. Het betreft het enige gemeenschappelijke bouwproject van Joseph Hertogs, die kon bogen op een lange succesvolle loopbaan, en Max Winders van wie de carrière pas van start was gegaan. In 1928 kreeg het complex een uitbreiding aan de achterzijde, naar een ontwerp door Hertogs en zijn toenmalige associé Gerard De Ridder. Voor de bouw van de bank werd het perceel gedeeltelijk ingenomen door het hotel van schepen Gaspar Jozef van Horne, een voornaam burgerhuis in Lodewijk XIV-stijl uit 1729-1731, dat tot het vroege oeuvre van de architect Jan Pieter van Baurscheit de Jonge behoort.

De Banque Centrale Anversoise werd in 1871 opgericht door een groep handelaars en reders uit de Duitse kolonie van Antwerpen. De bank verwierf in 1872 een pand in de Sint-Katelijnevest, dat Joseph Hertogs in 1890 verving door een nieuw bankgebouw in klassiek geïnspireerde eclectische stijl, met een neogotische annex in de Twaalfmaandenstraat uit 1898, aangepast in 1904. Dit complex werd in 1916 verkocht aan de Agence Maritime Walford, en later geïncorporeerd in het nieuwe kantoorgebouw van haar opvolger, de Agence Maritime Internationale, dat werd opgetrokken naar ontwerp van Hertogs uit 1925.

Actief vanaf omstreeks 1885, geldt Joseph Hertogs als een van de meest succesvolle architecten in Antwerpen. Zijn loopbaan in dienst van de vermogende, overwegend liberale mercantiele burgerij, leverde een vijfhonderdtal bouwprojecten op, vooral burger-, heren- en landhuizen, winkels- en warenhuizen, kantoor- en bankgebouwen. Deze evolueren van eclecticisme en neorenaissance, naar een klassiek geïnspireerde beaux-artsstijl. Vroeg in zijn loopbaan liet hij zich al opmerken met de synagoge Shomre Hadass uit 1891-1893 in de Bouwmeestersstraat. Omstreeks de eeuwwisseling, zijn rijpe eclectische periode, drukte hij met monumentale bouwwerken als het Hansahuis uit 1897/1901 op de hoek van Suikerrui en Ernest Van Dijckkaai en Grands Magasins Leonhard Tietz uit 1900 aan de Meir, zijn stempel op het Antwerpse stadsbeeld. De beaux-artsstijl van de Banque Centrale Anversoise is representatief voor het latere oeuvre van de architect, uit het decennium vóór de Eerste Wereldoorlog. Tot de belangrijke realisaties uit deze periode behoort het hotel Thys - later Smidt van Gelder - uit 1905 aan de Belgiëlei, waarvan de klassieke ordonnantie aan het Parijse Lodewijk XIV-hotel is ontleend. De laatste jaren van zijn loopbaan kort vóór zijn overlijden in 1930, was Hertogs geassocieerd met Gerard De Ridder.

Max Winders, die tot 1907 voor zijn vader architect Jean-Jacques Winders had gewerkt, bleef actief tot 1960. Aan zijn schoonvader, de bankier Jean Baptiste Ferdinand Carlier, mede-eigenaar van de Banque d’Anvers en directeur bij de Nationale Bank, dankte de architect zijn introductie in het milieu van de ‘haute finance’. Zo ontwierp Winders vóór en na de Eerste Wereldoorlog talrijke bankgebouwen in Antwerpen, naast de filialen van de Nationale Bank in Sint-Niklaas en Leuven, het gereconstrueerde laatgotische “Tafelrond”. Op dit historische monument na bleef hij doorgaans trouw aan een monumentale beaux-artsstijl naar Frans model, in overeenstemming met het aura van traditie en solvabiliteit eigen aan de banksector. De belangrijkste realisaties uit zijn vroege periode vóór de Eerste Wereldoorlog zijn de diamantbeurs "Fortunia" op de hoek van de Pelikaanstraat en de Vestingstraat en de Banque de l’Union Anversoise aan de Graanmarkt. Opmerkelijke realisaties uit het interbellum, geïnspireerd op eigentijdse Parijse architectuurmodellen, zijn de Banque Hypothécaire et Immobilière d'Anvers uit 1924 aan de Maria-Theresialei, en de Caisse Hypothécaire Anversoise uit 1929 aan de Meir.

Architectuur

Het gebouw met een gevelbreedte van zeven traveeën, omvat drie bouwlagen onder een plat dak. Monumentaal van allure, onderscheidt het statige gevelfront zich door een verzorgd parement uit witte natuursteen, op een hoge geprofileerde en geboste plint uit graniet. De opstand beantwoordt aan een tweeledig schema, samengesteld uit de eerste twee bouwlagen in kolossale orde, en de attiekverdieping. Twee hoger opgetrokken zijrisalieten met een driehoekig pseudo-fronton als bekroning, geflankeerd door blinde hoekpenenten met paneelwerk, bepalen de symmetrie van de compositie. Het linker risaliet wordt gemarkeerd door het inkomportaal omlijst door pilasters met leeuwenkopchutes, een trigliefsleutel en een entablement; rankwerkcartouches met Mercuriusstaf vullen het timpaan van de frontons. De eerste twee bouwlagen worden geritmeerd door kolossale, composiete pilasters in het risaliet en halfzuilen in de tussenliggende traveeën, afgewerkt door een klassiek hoofdgestel met gelede architraaf, fries en gekorniste kroonlijst op klossen en eierlijst. Oorspronkelijk droeg de fries het opschrift “BANQUE CENTRALE ANVERSOISE”, geflankeerd door golfmeanders in de risalieten. De attiekverdieping onderscheidt zich door een sobere pilastergeleding met chutes en stafwerkkapiteel, en een hoofdgestel en attiekbalustrade als gevelbekroning. Verder registers van rechthoekige vensters, op de begane grond met stafwerksleutel, op de eerste verdieping met sluitsteen, guirlande en onderdorpel, op de attiekverdieping in geriemde omlijsting met oren en een blinde borstwering van entrelacs. Fraaie smeedijzeren vleugeldeur en venstertralies op de begane grond; bewaard houten vensterschrijnwerk.

De plattegrond is georganiseerd rond de bewaarde, langgerekte lokettenhal, die loodrecht op de voorbouw is ingeplant. Zes traveeën lang en twee bouwlagen hoog, met pijlers op de begane grond, composiete rondzuilen op galerij met smeedijzeren borstwering, wordt afgedekt met een bovenlicht onder een ijzer- en glaskap; de omlijste kantoordeuren op de galerij hebben alternerend oculi en gebogen frontons als bekroning. Volgens de bouwplannen namen naast de inkomhal met trappenbordes, een spreekkamer, een administratie- en twee directiekantoren de straatzijde in. Parallel hiermee strekt zich over de volledige breedte van het gebouw de bewaarde ‘salle des pas perdus’ uit, met de trap naar de ondergrondse kofferzaal ter linkerzijde, de monumentale bordestrap naar de bovenverdiepingen ter rechterzijde, en een door composiete pilasters en kolommen gemarkeerd transept, waar zich van bij oorsprong twee liften bevonden. De marmeren trappen onderscheiden zich door smeedijzeren leuningen in Neo-Lodewijk XVI-stijl. Oorspronkelijk werd de aansluitende lokettenhal gelijkvloers aan drie zijden omringd door bediendenkantoren. Behalve de kofferzaal, bood de ondergrond ruimte aan kleedkamers en sanitair voor het personeel, het archief en een refter met keuken, verlicht via een ‘cour anglaise’ achteraan het gebouw. De plattegronden van de eerste en de ondiepe attiekverdieping ontbreken in het bouwdossier. De uitbreiding uit 1928 betrof extra archiefruimte in de ondergrond, waarboven twee kantoorniveaus met bovenlichten.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1913#2873 en 1928#29841.
  • BAUDOUIN F. 1995: Jan Peter van Baurscheit de jonge, architect, 1699-1768, Lira Elegans 4, 130-134.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2017


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Banque Centrale Anversoise [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/5338 (Geraadpleegd op 21-09-2019)