erfgoedobject

Wederopbouwhoeve 't Geuzegat

bouwkundig element
ID: 54904   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/54904

Juridische gevolgen

Beschrijving

De wederopbouwhoeve ‘’t Geuzegat' situeert zich ten westen van de Vladslovaart op ongeveer twee kilometer van de dorpskern van Mannekensvere. Volledig vernield tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de hoeve in de jaren 1920 heropgebouwd. De hoevegebouwen werden daarbij U-vormig ingeplant rond een vierkant erf, met in het zuiden de boerenwoning, in het noorden de schuur met wagenhuis en in het westen de koestalvleugel. De hoge zuidgevel van deze vleugel roept vanop afstand het beeld op van een imposante schuurgevel. De toegang tot het erf bevindt zich aan de oostzijde en wordt geaccentueerd door twee hekpijlers. Het restant van de walgracht aan de west- en zuidkant gaat terug tot de late middeleeuwen.

De hoeve ‘’t Geuzegat’ vóór de Eerste Wereldoorlog

De hoeve ‘’t Geuzegat’ staat op de kabinetskaart van graaf de Ferraris (1770-1778) aangegeven als "het Blauwhof". In oorsprong gaat de hoeve minstens terug tot 1678. Op de in dat jaar uitgegeven Caerte figurative de tous les coins (sic) de dîmes appartenants à l’ordre St.-Jean de Jérusalem, dans la commanderie de Slijpe, et sis à Slijpe, Leffinghe, Willeskerke, Mannekensvere et Steene, au pays et territoire du Franc de Bruges, dressée par Jean Sappart et Jean Sappart junior, arpenteurs jurés de Franc de Bruges is de hoeve immers reeds aangegeven. De hoevenaam ‘Geuzegat’ verwijst naar een meer noordwaarts gelegen stuk grond, gelegen in de ‘Molenhoek’ in het noorden van Mannekensvere, dat ook reeds in 1677 werd vermeld. Vermoedelijk gaat de polderhoeve, gelegen in het Middelland van het IJzerestuarium, evenwel terug op een laatmiddeleeuwse omwalde site, die zich laat kenmerken door een door een brede walgracht omgeven rechthoekige bewoningszone.

De hoeveconfiguratie zoals voor het laatste kwart van de 18de eeuw weergegeven op de Ferrariskaart, kende in de loop van de 19de eeuw slechts beperkte wijzigingen. Zo werd van de twee gebouwen die de oostelijke erftoegang flankeerden, het noordelijke gebouw rond het midden van de 19de eeuw niet meer weergegeven op zowel de Atlas der Buurtwegen (1846) als de P.C. Popp-kaart (circa 1860). In de (genoemde) atlas wordt de hoeve - wellicht naar de toenmalige pachter – benoemd als ‘Ferme Coster’. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bestond de hoeve voornamelijk uit een boerenhuis met opkamer, een schuur met wagenhuis, een open schuur of hangar en een kalverstal, varkensstal, koestal en paardenstal. Ten zuiden van het boerenhuis bevond zich een bakhuis en een buitentoilet. Sinds 1859 was de hoeve ‘’t Geuzegat’ ook uitgerust met een buitenrosmolen, die eigendom was van de pachter. Centraal op het erf bevond zich een mestvaalt. In de nabijheid van de stallen waren aal- en regenputten voorzien. Naar de gebouwen leidden verharde wegen, terwijl tegenaan de gebouwen voetpaden waren voorzien. Het erf met de hoevegebouwen werd afgezoomd door een walgracht waarop in het westen een wed of drenkplaats aansloot. De gracht werd in het oosten onderbroken door een dam met twee hekpijlers met toegangshek, dat toegang verleende tot het erf.

De hoeve ‘’t Geuzegat’ tijdens de Eerste Wereldoorlog

De val van Antwerpen op 10 oktober 1914 leidde ertoe dat het Belgische leger vanaf 16 oktober stelling innam achter de IJzer en de Ieperlee. Ter hoogte van Mannekensvere bouwden de Belgische soldaten hun stellingen uit aan de linkeroever van de IJzer nabij de Uniebrug, nadat ze op 15 oktober 1914 de kerktoren hadden opgeblazen. Op 18 oktober kwamen de eerste Duitsers vanuit Slijpe langs de hoeve ‘’t Geuzengat’ Mannekensvere binnen om aan de andere kant van de IJzer stelling te nemen. Toen op 25 oktober de toestand in Diksmuide al te kritiek werd, besliste het Belgische hoofdkwartier het gehele gebied tussen de spoorlijn Diksmuide-Nieuwpoort en de IJzer onder water te zetten. Het stijgende water verhinderde in de daaropvolgende dagen de verdere Duitse opmars. Op 1 november waren alle Duitsers teruggedreven tot achter de IJzer, met uitzondering van deze op de linkeroever van Tervate en op enkele kleine enclaves midden de overstromingen. Gedurende enkele dagen werd nog zwaar gevochten rond Diksmuide, dat op 10 november echter definitief in Duitse handen viel. Dit betekende het einde van de Slag aan de IJzer. De inwoners van Mannekensvere, waaronder ook de pachters van de hoeve ‘’t Geuzegat’ waren intussen allemaal geëvacueerd. De bewegingsoorlog was definitief gestrand aan de IJzer. De stellingoorlog in de loopgrachten was begonnen en zou bijna vier jaar duren. Bij de bevrijding in het najaar van 1918 bleek Mannekensvere volledig geruïneerd. Mede door de aanwezigheid van Duitse batterijen had de oorlog zowel de dorpskern als het omgevende, met voornamelijk hoeves ingezaaide landschap van Mannekensvere volledig in puin geschoten. De hoeve ‘’t Geuzegat’, eigendom van de Brugse familie Saeys-Roels en uitgebaat door de weduwe Verhelst-Commeyne en haar kinderen, was zelfs dermate verwoest dat de hoevegebouwen op het erf zich nog nauwelijks aftekenden. Ook het bijhorende wei- en akkerland had de oorlog volledig omgewoeld. In functie van een waardebepaling bij de wederopbouw was het niet meer mogelijk om de vooroorlogse gebouwen precies op te meten.

De wederopbouwhoeve ‘t Geuzegat

In de periode 1922-1923 werd de volledig vernielde hoeve ‘’t Geuzegat’ door toedoen van de Dienst der Verwoeste Gewesten heropgebouwd. Voor het ontwerp en de opvolging van de bouwwerken werd beroep gedaan op Jules Heyneman (1875-1952) en Alfred Neirynck (1878-1963), twee architecten uit Uitkerke (Blankenberge). Zeer actief betrokken bij de wederopbouw van hoeves waren beiden niet. Voor Neirynck bleef het bij deze ene wederopbouwhoeve, terwijl Heyneman daarnaast ook nog de wederopbouw van de ‘Schoorbakkehoeve’ in Schore (Middelkerke) naar een ontwerp van architect Théodore Raison opvolgde.

De wederopbouw van de hoeve gebeurde op de vooroorlogse locatie. Muurrestanten en funderingen van de vooroorlogse hoevegebouwen konden daarbij echter niet gerecupereerd worden. De walgracht, die eeuwenlang de hoeve omsloot maar door de oorlogsverrichtingen was aangeslibd en met puin gevuld, werd na de oorlog opnieuw uitgegraven. Vandaag is ten westen en ten zuiden van het erf nog een belangrijk restant van de walgracht bewaard. Het verdere tracé tekent zich af in het microreliëf van de omgevende weiden. Aan de noordzijde zijn deze sporen afgedekt met een betonverharding en een recente landbouwloods. Het erf is momenteel verhard met kiezel, maar op sommige plaatsen is de oude verharding in oorlogspuin, waaronder abristenen, nog zichtbaar. Twee bakstenen hekpijlers (voorzien van steunberen) met aan de oostzijde telkens een beglaasde Marianis accentueren de originele erftoegang aan de oostzijde. Het oorspronkelijk houten hek is verdwenen.

De boerenwoning werd bij de wederopbouw op ongeveer dezelfde plaats aan de zuidzijde van het hoeve-erf herbouwd. De verankerde bakstenen woning laat zich kenmerken door een hoger en lager bouwvolume onder een zadeldak van Boomse pannen. De noordelijke en zuidelijke langse gevels zijn gevat tussen tuitgevels met aandaken, schouderstukken en vlechtingen. Het dakvenster aan de zuidzijde gaat eveneens terug op de wederopbouwfase. De erf- of noordgevel telt vijf traveeën. Ter hoogte van de opkamer steekt een beluikt rechthoekig vensterraam met bovenlicht onder een segmentboog. Daaronder bevindt zich ter hoogte van de halfverzonken kelder een beluikte vierkante kelderopening met nog origineel kelderraam. De erfgevel van het lagere bouwvolume wordt onderbroken door twee segmentbogige toegangsdeuren. Deze deuren flankeren de twee beluikte vensterramen met bovenlicht, die eveneens door een segmentboog zijn overspannen. De zuid- of achtergevel telt vier traveeën. Opnieuw wordt het gevelvlak van de opkamer opengewerkt door een beluikt rechthoekig vensterraam met bovenlicht, overspannen door een segmentboog, en een beluikte vierkante kelderopening met nog origineel kelderraam. Van de drie beluikte vensteropeningen in het lagere volume betreft de opening ter hoogte van de keuken een recentere aanpassing, ingegeven door het wegbreken in de keukenruimte van de geïncorporeerde bakoven en de kolenberging. De vrij gesloten oostelijke zijgevel is, zoals initieel voorzien, enkel door twee rechthoekige vensterramen onder segmentbogen doorbroken. In de aangepaste westelijke zijgevel steekt ter vervanging van een venster- en deuropening een groter vensterraam. De vensteropening in de geveltop bleef behouden. Tegenaan de westgevel leunt onder een pannen lessenaarsdak een aangebouwd toilet. Dit gebouwtje werd samen met de gehele westgevel tegen de regenaanslag beschermd met een metalen gevelbekleding. Alle ramen, deuren en luiken werden in het laatste kwart van de 20ste eeuw vernieuwd, net als de vensterdorpels die oorspronkelijk uit rode Boomse tegels bestonden.

Het interieur van de boerenwoning onderging nauwelijks aanpassingen. De oorspronkelijke ruimtelijke indeling bleef nagenoeg ongewijzigd. De gelijkvloerse verdieping bestaat nog altijd uit een inkomsas, een woonkamer, een laagkamer en een keuken. De opkamer en de toegang tot de zolder alsook de kelder onder de opkamer bleven eveneens bewaard. De aankleding van de diverse ruimtes kende eveneens weinig onomkeerbare aanpassingen. In de keuken, het inkomsas, de laagkamer en de opkamer bleef de enkelvoudige balklaag bewaard. Een balklaag met moer- en kinderbalken dekt nog altijd de woonkamer af. Geprofileerde balksleutels ondersteunen de moerbalken. Bakstenen troggewelven overspannen de huiskelder onder de opkamer. Een gordingenkap dekt de zolder van zowel het lagere als het hogere volume af. De oude tegelvloer bleef bewaard in de keuken en de opkamer. Op de zolder zijn alle ruimtes gevloerd met houten planken. Origineel zijn ook de keldervloer van rode Boomse tegels, de eveneens met rode Boomse tegels afgedekte bakstenen trap naar de kelder, de trap in ‘blauwe klompjes’ naar de opkamer en de houten trap met luik naar de zolderverdieping. In de woonkamer en de opkamer zijn de originele schouwen bewaard. Een imposante Vlaamse schouw kenmerkt de westelijke muur van de woonkamer. Twee betonnen wangen flankeren de pijp van ‘blauwe klompjes’ en schragen de houten schouwbalk. Op de opkamer accentueert een schouw met eenvoudige houten wangen en schouwbalk de oostgevel. Origineel zijn ook nog de oude paneeldeuren, net als de opgeklampte zolderdeuren. Het origineel hang- en sluitwerk is nog grotendeels bewaard.

De stalvleugel aan de westzijde van het erf behield zijn oorspronkelijke gevelarchitectuur. Achter een hogere voorbouw, die vanuit het zuiden de indruk wekt van een monumentale schuur, gaat een lager en langer bouwvolume schuil. Beide verankerde bakstenen volumes steken onder een pannen zadeldak, gevat tussen zijtuitgevels met schouderstukken en aandaken met vlechtingen. De tuitstukken doen daarbij dienst als verluchtingsschouwen. De beeldbepalende zuidelijke zijgevel van de voorbouw wordt geritmeerd door een centrale verjongende steunbeer, twee schuin oplopende steunberen en twee nissen, opgevat als een vereenvoudigde Brugse travee. Rood geschilderde toegangsdeuren, vensterramen en een laaddeur onder een met zink afgedekte houten luifel doorbreken deze traveeën. Zoals initieel voorzien steekt rechts van de centrale steunbeer nog een houten luikje, links van de linker travee een vensteropening, rechts van de rechter travee een klein laadvenster en boven de centrale steunbeer een nog kleiner laadvenster. Het houtwerk van de deuren, vensters en luiken in deze gevel is nog deels origineel. In de oostelijke erfgevel van de hoge voorbouw zijn twee van de drie deuropeningen herleid tot vensteropeningen. De andere muuropeningen evenals het dakvenster met laaddeur en sleepdak bleven behouden, net als hun origineel houtwerk. In de westelijke achtergevel werden de twee vensteropeningen dichtgemetseld bij het aanbouwen van een kalverstal onder lessenaarsdak. Twee schuin oplopende steunberen schragen zowel de oost- als de westgevel. In de erfgevel van de lange achterbouw steken zes deuropeningen, waarvan drie dichtgemetseld, en een later ingebrachte vensteropening. De poortopening en de smalle vensteropening met diefijzers in de voederstal net als de vensteropeningen in de stallen bleven bewaard. In het dakveld steken vier laadvensters met tuitgevel en schouderstukken, die het lange bouwvolume, dat door een dwarsmuur met schouderstukken, aandaken en een verluchtingsschouw als tuitstuk in twee compartimenten is opgedeeld, ritmeren. De noordelijke, als tuitgevel opgevatte zijgevel van de stallen wordt geritmeerd door drie steunberen. Tussen de centrale steunbeer met versnijdingen en de twee schuin oplopende steunberen op de hoeken werd het baksteenparement telkens door een deur- en een vensteropening doorbroken. Beide deuren en vensters zijn mettertijd echter vervangen door een rechthoekige poortopening. Ter hoogte van de zolder wordt de centrale steunbeer geflankeerd door een verluchtingsspleet in de vorm van een (binnenin dichtgemetselde) chicane. In de achtergevel werd de poortopening ter hoogte van het voederhok dichtgemetseld. De van diefijzers voorziene smalle vensteropening bleef evenwel bewaard, net als de zeven vensteropeningen, die zorgen voor de nodige verlichting en verluchting in de stallen. Nog afleesbaar zijn de acht deuropeningen die zijn dichtgemetseld.

De voorbouw van de stalvleugel behield bijna volledig zijn oorspronkelijke indeling. Enkel het eendenkot, de kippenlegplaats en het konijnenhok werden tot één ruimte samengevoegd, terwijl de voormalige paardenstal van een tussenmuur werd voorzien. Ruimtelijk bleven de andere ruimtes, namelijk het stookkot, het kookkot, de kamer van de stalknecht met onderliggende aardappelkelder en de kunstmeststoffenberging met onderliggende bietenkelder ongewijzigd. De paardenstal behield de bakstenen vloer en het plafond, dat uit een bepleisterde betonnen roostering bestaat. Een houten steektrapje geeft er nog steeds toegang tot het kamertje van de voormalige stalknecht, dat van een betonnen vloer en betonnen plafond is voorzien. Een identiek plafond dekt ook het kookkot, de achterliggende ééngemaakte ruimte en de kelders af. De kelders behielden hun betonnen vloeren. Ook de opgeklampte deuren tussen de diverse ruimtes zijn nog bewaard.

In het lagere stalvolume bewaart het voederhok de bakstenen vloer in kleine rode bakstenen alsook de houten steektrap met valluik.

De stallen die samen met het voederhok onder een pannen zadeldak steken en het lagere volume uitmaken, laten de oorspronkelijke indeling nog zeer goed aflezen. Een overlangse muur verdeelt het gebouw, op het voederhok na, in twee. Het westelijke gedeelte was destijds ingericht met hoofdzakelijk varkensstallen, terwijl de oostelijke vleugel onderdak bood aan het vee. Intussen is het stalvolume volledig in gebruik als koestal. Ondanks deze aanpassing bleef in de oostvleugel het originele pad in kleine rode bakstenen bewaard. Ook de zes deuropeningen, waarvan weliswaar drie dichtgemetseld, zijn nog herkenbaar. De houten zoldering waarmee de stallen bij de wederopbouw werden afgedekt, is nog deels bewaard. Een gordingenkap met twee en vijf spanten overdekt respectievelijk het voederstal- en het koestalgedeelte. De makelaar rust niet op een hanenbalk, maar is door twee kruiselings geplaatste balken ondersteund.

Aan de noordzijde wordt het erf, zoals voor de Eerste Wereldoorlog, begrensd door de schuur en het wagenhuis die onder één pannen zadeldak zijn bijeengebracht. Kenmerkend voor deze verankerde baksteenbouw zijn de twee zijgevels met schouderstukken, aandaken met vlechtingen en tuitstukken die als verluchtingsschouw fungeren. Drie zware versmallende steunberen ritmeren beide gevels, die in de top voorzien zijn van een radvormig uilengat. In de westgevel zijn de twee vensterraampjes met afzaten nog authentiek. In de oostgevel steekt naar de zolder boven het wagenhuis nog altijd een rechthoekig laadvenster onder een korfbogige ontlastingsboog. In de erfgevel steken twee poorten naar respectievelijk de schuur en het wagenhuis. Beide poortopeningen werden mettertijd weliswaar aangepast. In het westelijke gedeelte, de schuur, werd de korfboogopening herwerkt tot een rechthoekige muuropening onder een betonnen latei. In het oostelijke gedeelte, het wagenhuis, werden de twee korfboogvormige poortopeningen herleid tot één rechthoekige opening, eveneens onder een betonnen latei. Boven de muurpenant tussen beide korfbogen is het dakvenster, vroeger afgedekt door een sleepdak, inmiddels geminimaliseerd tot een beluikt laadvenster die het dakvlak niet langer doorbreekt. In het baksteenparement tussen de schuur- en de wagenhuispoort is de verluchtingsspleet in de vorm van een chicane wel nog bewaard. Dat de schuur bij de wederopbouw als een dwarsschuur werd opgevat, laat de korfboogopening in de achtergevel nog zeer duidelijk aflezen. De opening is dichtgemetselde, maar ter hoogte van de boog zijn de ijzeren duimen nog bewaard. In de achtergevel van het wagenhuis stak een rondbogige poortopening, die heden – op een kleine vensteropening na – is dichtgemetseld. Ook hier zijn de ijzeren duimen nog aanwezig.

In de schuur is aan de erfzijde de doorrit met de dwarsvloer nog gevloerd met bakstenen. Het wagenhuis heeft nog zijn dilt of zoldering met los rondhout op balken. Een gordingenkap overdekt de gehele schuur- en wagenhuisvleugel.

  • Algemeen Rijksarchief, Verwoeste Gewesten, nummer 9731.
  • Algemeen Rijksarchief, Fonds Manuscrits et Gravés, nummer 1007. Mestdagh 1991, 204-205 & 231.
  • MESTDAGH H. 1991: Mannekensvere. Archeologische inventaris Vlaanderen. Band XIV, Gent.
  • VERHAEGHE F. 1980: Bijdragen tot het archeologisch onderzoek van de middeleeuwse rurale bewoning in de Belgische kustvlakte in: GOTTSCHALK M.K.E. & VERHULST A. (red.), Transgressies en occupatiegeschiedenis in de kustgebieden van Nederland en België, Gent, Belgisch Centrum voor Landelijke Geschiedenis nr. 66, 37-64.

Bron     : -
Auteurs : Becuwe, Frank
Datum  : 2018


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Wederopbouwhoeve 't Geuzegat [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/54904 (Geraadpleegd op 25-05-2019)