erfgoedobject

Molenhof te Rodenborg

bouwkundig element
ID
60891
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/60891

Juridische gevolgen

Beschrijving

De Rodenburgmolen, ook Vannestes Molen of Abdijmolen genoemd, is een stenen stellingmolen die tot 1930 functioneerde als koren- en oliewindmolen.

Historiek

Aan deze 19de-eeuwse windmolen ging echter eeuwenlang een houten standaardmolen vooraf. Deze molen werd voor het eerst in 1237 vermeld in een schenkingsakte van Joanna en Agnes van Rodenburg ten voordele van de pas gestichte vrouwenabdij van Rodenburg (later bekend als de abdij van Groeninge). Vermoedelijk was de molen toen reeds enkele decennia in bedrijf. De windmolen bleef tot aan de Franse Revolutie in het bezit van deze cisterciënzerinnenabdij. De molen had intussen een vrij bewogen geschiedenis gekend. In 1580 werd de molen, die in 1562 nog van nieuwe houten schaliën was voorzien, samen met de omliggende gebouwen gebrandschat door enkele Schotse soldaten voor een som van 50 pond Vlaams. Omdat de abdis de brandbrieven niet onmiddellijk inwilligde, staken zij op 20 juli van dat jaar de hofstede bij de molen in brand. De molen bleef evenwel gespaard en werd in 1590 in cijns gegeven aan Pieter Van Ackere. In de daaropvolgende troebele jaren ging de molen samen met het molenhuis toch in de vlammen op om pas kort voor 1627 te worden heropgebouwd. Vermoedelijk door confiscatie of anderszins vervreemd kwamen de molen en het molenhuis door tussenkomst van Pieter Van de Leene intussen opnieuw in handen van de abdij, van wie Paul Minne in 1634 de molen pachtte. Op de kaart van de kasselrij van Kortrijk van beëdigd landmeter Louis de Bersacques uit 1641 staat de Rodenburg- of Abdijmolen dan ook getekend. Vermoedelijk werd de molen kort daarna verwoest of door een storm neergehaald, want op de kasselrijkaart in Sanderus’Flandria Illustrata van 1646 komt de molen echter niet meer voor. Zeker is evenwel dat tussen 1746 en 1771 op die plaats door Frans Vandenhende opnieuw een windmolen werd gebouwd.  Een plan uit 1780 van de weg van Kortrijk naar Risquons-tout, getekend door de landmeters Vuylsteke en Waegenbaert, bevestigt deze wederopbouw: "Cooren Wind Molen gebouwd by Frans Vandenhende". Geconfisceerd als nationaal goed (zogenaamd ‘zwart goed’) werd de windmolen in 1795, samen met andere bezittingen van de abdij van Groeninge, openbaar verkocht. De nieuwe eigenaar werd Petrus Vanneste.

Omstreeks 1839 werd de standaardmolen afgebroken. Kort nadat de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen haar daartoe op 21 mei 1841 de toelating had verleend, liet de weduwe van Petrus Vanneste op een belendend perceel een nieuwe stenen graanwindmolen bouwen. Om bij windstilte gewapend te zijn tegen de concurrentie van de opkomende mechanische maalderijen werd de windmolen in 1889 uitgerust met een stoomtuig en -ketel. In 1899 verkocht de familie Vanneste, na meer dan honderd jaar de molen te hebben uitgebaat, de stenen molen aan Richard Glorieux, een handelaar uit Marke, en zijn (toekomstige) echtgenote Elvina Tack, eveneens uit Marke. In een aanpalende hoevegebouw werd een bakkerij ingericht, die tot de Eerste Wereldoorlog actief bleef. In 1901 werd de functie van korenmolen uitgebreid met een olieslagerij, die bij windstilte eveneens met stoom werd aangedreven. Ook na de plaatsing in 1905 van een nieuwe stoommachine werd nog zoveel mogelijk gemalen op windkracht, die immers gratis was. Vóór 1914 werd de molen dan ook nog voorzien van een zogenaamd haspelkruis, waarbij de vier afzonderlijke roeden met stroppen om de askop zijn vastgemaakt. In de gebouwen naast de molen richtten Joseph en Ferdinand Glorieux,  de broers van de molenaar, in 1906 een cichoreibranderij in, wat laat vermoeden dat de windmolen ook als cichoreimolen werd ingezet.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de molen en de schoorsteen (voor de stoominstallatie) door de Duitsers gebruikt als uitkijkpost. Een bominslag zorgde voor schade aan de molenromp, die evenwel vrij snel hersteld werd.

Toen in het voorjaar van 1930 tijdens het draaien van het oude haspelgevlucht een halve roede wegvloog, nam molenmaker Gustaaf Deconinck uit Heestert ook de andere helft weg. Kort daarna werden ook de andere geklinknagelde ijzeren roeden verwijderd en werkte de molen enkel nog mechanisch. Tot de Tweede Wereldoorlog gebeurde dit op stoom, daarna op elektriciteit. In 1946 kwam het molenbedrijf in handen van Jan-Baptist Glorieux-De Ruyter. In 1953 werd de olieslagerij buiten bedrijf gesteld. Enkele jaren later, in 1957, verdween ook de schoorsteen, nadat de stoommachine reeds tien jaar eerder was verwijderd. Zoals zoveel maalderijen schakelde het bedrijf over op de productie van veevoeders en vanaf 1968 op de productie van pluimveevoer. In de late jaren 1970 werd uiteindelijk ook de veevoedermaalderij definitief gesloten. In 1982 werd de stad Kortrijk eigenaar van de stellingmolen. Intussen bevond de molen zich in een dermate bouwvallige toestand dat tijdens een storm in november 1983 aan één zijde de buitenste steenlaag bijna volledig afbrokkelde.

In 1984 werd overgegaan tot de restauratie van de molen, die intussen in 1983 was beschermd als monument, met de bedoeling hem opnieuw windmaalvaardig te maken. De restauratiewerken naar een ontwerp van ir.-arch. Walter Snauwaert werden in twee fasen uitgevoerd, die respectievelijk in 1990 en 1992 waren voltooid. Bij deze restauratie, die werd uitgevoerd door Aalbeekse molenbouwer Cottenier, werd de molenromp bijna volledig gesloopt en opnieuw opgemetseld. Een nieuwe kap met een eikenhouten leibedekking dekte de molen af, die tevens van nieuwe vloeren (in abeelhout), balken, poorten, deuren en ramen werd voorzien. Ook een volledig nieuw draaiend werk werd in de molen geïnstalleerd. De restauratie werd tevens aangegrepen om opnieuw een haspelkruis aan te brengen. Alhoewel het oude haspelgevlucht voorheen nooit van een zelfzwichtingssysteem was voorzien, werd van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt om de vier wieken te voorzien van jaloezieklepjes die voor zelfzwichting moesten zorgen. Deze klepjes scharnierden – om roestvorming te vermijden - in kunststoflagertjes en konden manueel geopend en gesloten worden. Onderling waren ze met een trekstang verbonden. De vier trekstangen kwamen bij de askop samen en vormden daar een zwichtkruis of ‘spin’. Door de holle as liep de zwichtstang die aan de staartzijde van de molen kon bediend worden.  Op de Rodenburgmolen na kwamen in Vlaanderen nergens nog haspelkruisen en zelfzwichtingsystemen door middel van jaloezieklepjes voor. Een probleem dat zich echter van meet af aan stelde, was dat het kruis ongeschikt was. Doordat de metalen halve roeden te zwaar waren, kwamen de bouten bij de askop telkens opnieuw los. Nauwelijks een jaar na de wind- en maalvaardige oplevering van de molen werd op 4 juli 1994 vastgesteld dat de molen zich geenszins nog liet kruien. Rond 2000 werd dan ook besloten om de molen niet meer te laten draaien. Bij stormweer vlogen bovendien stukken hout in het rond. Houtrot had intussen immers het houtwerk aan de wieken sterk aangetast. Dit belette niet om in de voormalige olieslagerij in de sokkel van de stellingmolen officieel een bakkerij- en molenmuseum onder te brengen die in september 2001 officieel werd geopend.

Eveneens in 2001 werden in opdracht van de stad Kortrijk door de firma Marc Schokkelé aan de molen schilderwerken uitgevoerd. Deze werken bestonden in het bijzonder uit het herstel van het voegwerk, het schilderen van de molenkuip en de gaanderij, het schilderen van het houtwerk (waaronder ramen, deuren, windplanken, hekwerk en kleppen, en borstwering), het schilderen van het ijzerwerk (waaronder roeden, kruiwerk, muurankers, stormringen, geleiders kruikettingen, ramen, haspelkruis, askop, windhaan en kettingen) alsook het oliën van houtwerk (zoals balken, kruistoel en dakoverstek).

Omstreeks 2004 werden door de firma ’t Gebinte Molenbouw dringende herstellingswerken uitgevoerd aan de molenkap. Deze bestonden hoofdzakelijk uit het vernieuwen van de dakbedekking met eikenhouten schaliën, het herstel van het kruiwerk en het vernieuwen van de bliksemafleider.

In 2007-2008 werden de U-vormige, rond een gekasseid erf geschikte molenhoevegebouwen samen met de andere bedrijfsgebouwen getransformeerd in een Design-Hotel (D-Hotel). Mede in functie van dit project werd het beschermingsbesluit van  03.02.1983 gewijzigd: voor een deel van het beschermd dorpsgezicht werd de non-aedificandi-bepaling opgeheven.

Om de molen uiteindelijk toch opnieuw windmaalvaardig te maken besliste de Stad Kortrijk in 2012 om het haspelkruis met jaloeziekleppen door een traditioneel gevlucht met hekwerk te vervangen. Ook het voegwerk bleek inmiddels aan restauratie toe. Door de dienst Facility van de stad werd in dit kader nog hetzelfde jaar een restauratiedossier opgemaakt dat voornamelijk uit hoofde van veiligheid het demonteren van de jaloeziekleppen, het afbreken en vernieuwen van het balkon, het afregelen van de vang, het vernieuwen van de ramen op de diverse zolders en het schilderen van het vernieuwde houtwerk voorzag. In augustus 2013 werden deze werken door Boers & Peusens Molenonderhoud bvba uit Merelbeke uitgevoerd. In dat jaar werd door dezelfde dienst ook een dossier opgemaakt voor onderhouds- en schilderwerken. Deze werken hielden in concreto de restauratie van het metselwerk op bepaalde plaatsen in. Daarbij werd voegwerk hersteld, werden beschadigde bakstenen vervangen, werd scheurvorming in het metselwerk hersteld en werd op plaatsen waar zich scheurvorming aftekende chemische verankering voorzien. De voorziene schilderwerken betroffen in het bijzonder het houtwerk van poorten en deuren (met inbegrip van hun hang- en sluitwerk), het ijzerwerk (waaronder de ijzeren roeden, de muurankers, de stormringen, het haspelkruis, de askop en de windhaan) alsook de bakstenen muren van de molenkuip. Bij deze gelegenheid werden ook alle balken, de kruistoel en de dakoverstek geolied. Voor deze werken, die in 2014 plaatsvonden, werd beroep gedaan op de firma Jodecor. De van 2012 daterende optie om de stellingmolen opnieuw windmaalvaardig te maken is nog niet in een realisatie omgezet.

Beschrijving

De omstreeks 1842 gebouwde stenen molen betrof een stellingmolen met een gaanderij en vier zolders, opgetrokken in bakstenen van 21x10x4 cm. Vermoedelijk ging het toen nog om een gewone houten of metalen gaanderij, die nog niet was onderbouwd.  Een of twee poorten gaven wellicht toegang tot de gelijkvloerse verdieping, die naar alle waarschijnlijk dienstdeed als opslagplaats voor het maalgoed en het meel. In welke mate het baksteenparement van de conische molenromp op dit niveau door vensters werd doorbroken valt nauwelijks of niet meer af te lezen, behalve aan de westzijde. Op de kapzolder na, die voorzien is van vier ovale vensters, valt op de drie andere zolders licht binnen via de typerende boven elkaar geplaatste steekboogvensters. Aan zowel de west- als de oostzijde geeft vanop de eerste zolder een steekboogvormige deur toegang tot de galerij. Een gebroken kap met wolfsdak dekt de witgeschilderde conische molenromp af.

Gelijkvloerse verdieping

Omstreeks 1901 werd de stellingmolen functioneel uitgebreid met een olieslagerij. De oliemoleninstallatie werd behalve op de benedenverdieping van de stellingmolen grotendeels onder de galerij opgesteld, die daartoe als uitbreiding van de molen heel waarschijnlijk door de huidige onderbouwde, quasi rondlopende gaanderij werd vervangen. Aan de zuidzijde steekt in deze sokkel een rondboog en aan de westzijde een segmentboogpoort. De zuidwestzijde is voorzien van een beeldennis met Mariabeeld. Daar het gelijkvloerse niveau deels met troggewelven en deels met een koepelgewelf is afgedekt, gebeurde deze uitbreiding vermoedelijk in twee fasen. Van de drie koppels pletstenen (kollergangen) die uiteindelijk de oliemolenuitrusting uitmaakten, werd in de molenromp een koppel pletstenen geplaatst waarmee de lijnzaadkoeken werden geplet. Het koppel pletstenen onder de koepelgewelven was uitsluitend voor lijnmeel bedoeld. Onder de troggewelven stond het koppel pletstenen opgesteld waarmee het zaad werd geplet. Met de buil aan de oostzijde van de onderbouwde gaanderij werd het lijnmeel gezeefd. Voor de aandrijving van de olieslagerij werd van meet af aan enkel stoomkracht aangewend. Na de Tweede Wereldoorlog werd deze krachtbron ingeruild voor elektrische motoren. Tot op vandaag zijn de drie kollergangen en de builmolen alsook hun aandrijfwerk nog bewaard.

Eerste zolder

Boven de olieslagerij bleef de molenromp ingenomen door de korenmolen. De eerste zolder, toegankelijk via een houten steektrap, fungeerde daarbij als steenzolder en was – al dan niet van meet af aan – uitgerust met drie koppels maalstenen en een haverpletter. De maalstenen konden van onderaf mechanisch worden aangedreven. Vermoedelijk was dit ook het geval voor de haverpletter.

Tijdens de restauratiecampagne 1984-1990 werd de eerste zolder ontruimd. Daarbij verdwenen onder andere de grote maalstoel die boven het aandrijfwerk was opgesteld. Thans bevinden zich er enkel nog een met een elektromotor aangedreven Patentmolen van de Zweedse fabriek Maskin Fabrikken Möllevangen, vier maalstenen, (een belangrijk restant van) het van onderuit mechanisch aangedreven drijfwerk (waarboven zich destijds een maalstoel bevond), een galg en een brugbalans. Uit de zoldering, waaraan de ezel van het lichtwerk van de huidige maalstoel op de tweede zolder ophangt, steekt nog een houten meelgoot.

Tweede zolder

Een houten steektrap geeft toegang tot de tweede zolder, waar het meel werd gebuild. Dat deze zolder daartoe op een bepaald moment werd uitgerust met twee centrifugaal builmolens, was uitzonderlijk. Deze bloembuilen, die met het principe van de middelpuntvliedende kracht werken, werden omstreeks 1885 uitgevonden en vooral in mechanische maalderijen geïnstalleerd. Daar het gehele, met zijde beklede oppervlak bij het builen gebruikt werd, had deze buil immers een grotere omzet dan de gewone buil, waarbij enkel het vlakoppervlak onderaan werd gebruikt. Dit maakte de Vannestemolen dan ook één van de weinige windmolens in Vlaanderen met centrifugebuilen.

Bij de herinrichting van de windmolen tijdens de restauratiecampagne 1984-1990 werd deze zolder voorzien van een maalstoel die opnieuw  met windkracht werd aangedreven. Daartoe werd het staak- of klauwijzer voorzien van een kamwiel die kon inhaken in het spoorwiel omheen de koning. Om de loper te kunnen lichten in functie van het scherpen staat bij de maalstoel een galg met steenschroef en -beugels opgesteld. Het bijhorende lichtwerk staat in relatie met de ezel aan de zoldering van de onderliggende zolder.

Derde zolder

Een houten steektrap leidt naar de derde zolder.  Op deze zolder, die tegelijkertijd als luizolder fungeert, werd met een graanreiniger het maalgoed gereinigd. Ook na de restauratiecampagne van 1984-1990 bleef het behoud van deze functie bewaard, zoals de behouden mechanische wanmolen aangeeft. Bij deze restauratie werd het met een door een riem aangedreven luiwerk met opspansysteem - (bij de bescherming nog aanwezig) – echter vervangen door een luiwerk dat opnieuw met windkracht werd aangedreven. Om het luiwerk vandaag in werking te stellen moet het luiwiel inhaken in het spoorwiel rond de koning.

Vierde zolder

Een houten steektrap verbindt de luizolder met de kapzolder. Met het wegvallen van het windmalen omstreeks 1930 verdween mettertijd ook een deel van het drijfwerk. Zo was de kapzolder omstreeks 1984 niet meer voorzien van molenas. De restauratiecampagne 1984-1990 maakte de molen opnieuw windmaalvaardig. Daartoe werd in de kapzolder een nieuwe gietijzeren molenas met dito askop ingebracht teneinde de molen opnieuw van een haspelkruis met zelfzwichtende jaloeziekleppen te kunnen voorzien. Op de molenas werd een vangwiel geschoven dat inhaakte in de (nieuwe) bovenbonkelaar bovenaan de koning. Om de molen te kruien werd een gemoderniseerd rollenkruiwerk of zogenaamd Engels kruiwerk voorzien.

Om de molenkap vanop de galerij te kunnen kruien werd de molen tijdens de restauratiecampagne tussen 1984 en 1990 ook uitgerust met een volledig nieuw staartkruiwerk.

In het zuidwesten bevond zich de bakkerij uit 1841 die in 1950 omgebouwd werd tot woonhuis. In het westen staat het oorspronkelijk 18de-eeuws woonhuis, een witgekalkte baksteenbouw van één bouwlaag onder pannen zadeldak met beluikte dakkapel. Het parament wordt onderbroken door licht getoogde vensters en dito deuren met bovenlicht. Deze gebouwen maken deel uit van de voormalige molenhoeve, die zich laat kenmerken door haar gesloten U-vorm rond een gekasseid erf met in het oosten de stenen stellingmolen. De hoevegebouwen zijn intussen verbouwd en uitgebreid tot hotel.

De molen wordt omgeven door vrijstaande bebouwing.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg West-Vlaanderen, Cel Monumenten en Landschappen, archiefnummer W/00659.
  • BECUWE F. 2009: In de ban van Ceres. Klein- en grootmaalderijen in Vlaanderen (ca. 1850 – ca. 1950), Brussel, 27, 32 & 76.
  • BECUWE F. & VEREECKE R. 2017: De Vanneste- of Abdijmolen in Marke (Kortrijk). Beheersplan onroerend erfgoed, Nieuwpoort, Monument in Ontwikkeling bvba, onuitgegeven studie in opdracht van de stad Kortrijk.
  • BONCQUET P. & DECALUWÉ C. 1986: Marke, Landelijk leven en hoevengids Groot Kortrijk, deel 2, Tielt, 42-43.
  • CORNILLY J. 2001:  Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen, deel 1, Arrondissementen Kortrijk, Roeselare, Tielt, Brugge, 135.
  • DEVLIEGHER L. 1984: De molens van West-Vlaanderen, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 9, Tielt, 278-281.
  • FAILLIE M. & R. 1982: Marke I. Een dorpsgeschiedenis, Marke, 64-66.
  • MATTELAER P. 1997: De molens van Zuid-West-Vlaanderen, De Leiegouw 21, 31-64.

Auteurs :  Becuwe, Frank
Datum  : 2020


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Molenhof te Rodenborg [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/60891 (Geraadpleegd op 14-06-2021)