Teksten van Woning Van den Branden

Woning Van den Branden 1962-63

Woning Van den Branden Lievevrouwestraat 66, Ranst 1960-62 (ontwerp), 1962-63 (bouw)

De woning Van den Branden vertegenwoordigt een volgende stap in de ontwikkeling van een biomorfe vormentaal. In dit geval experimenteert Braem in mindere mate met de plattegrond, die zich conformeert naar de vooruitstrevende eigentijdse landhuisbouw, maar des te meer met de uiterlijke vormgeving die breekt met de strakke rechtlijnigheid van het moment en lijkt te refereren aan de nautilusschelp.

De woning Van den Branden is gelegen op een vrij ruim, volledig omhaagd, trechtervormig hoekperceel in de dorpskern van Ranst. Het vrijstaande landhuis is vrij centraal op het perceel ingeplant, geintegreerd in een verhoogde berm. Voor het concept van het wonen op de verdieping werd het terrein immers aan de achterzijde opgehoogd om de 'voordeur' gelijkgronds te situeren op het niveau van de woonkamer. De zuidgevel, parallel met de Lievevrouwestraat, kijkt maximaal uit op het gazon van de 'voortuin' en de ruimere omgeving, de noordgevel wordt omsloten door een meer beschutte, met naaldbomen beboste tuin. De plattegrond vormt een regelmatige rechthoek. De onderbouw/souterrain herbergt de garage, een ruime kelder, een was- en een stookplaats. De verheven woonverdieping vertoont een vrije, vloeiende planopbouw, vrijwel volledig ingenomen door de ruime woonkamer. Deze gaat over in een bijna gevelbreed balkon, en is slechts gescheiden van de inkomhal, het trappenhuis en de keuken door een deels beglaasde houten wand. De ellipsvormige bakstenen haard met schouwpijpen kreeg een centrale opstelling, waarbij de aanpalende ruimte aan de westzijde met een vide doorloopt in de bovenverdieping. Zo ontstaat een combinatie van een lage brede en een hoge smalle ruimte, vergelijkbaar met de woonkamer in Braem's eigen woning. De inkom met vestiaire bevindt zich in het midden van de noordgevel. De bovenverdieping vertoont verder een vrij klassieke indeling met drie slaapkamers onder gewelfde zoldering en een badkamer, verbonden door een gang met ingebouwde kastenwand en een hal. Op de ouderslaapkamer sluit een tweede zijdelings balkon aan, uitwendig met een ingewerkte bank, inwendig uitkragend boven de vide van de woonkamer.

De uiterlijke vorm van de woning Van den Branden wordt beheerst door de vloeiende curven van de sterk geaffirmeerde zijgevels, die via steunberen vanuit een met gras begroeide berm lijken op te rijzen. Deze soepele lijnvoering wordt begeleid door de sierlijke ronding van het uitkragende dakschild (beton met roofing), dat aan de noordzijde over de bovenverdieping doorloopt tot boven de begane grond, en aan de zuidzijde een verlengstuk krijgt in de draagstructuur van het bovenbalkon. De uitlopende blinde zijgevelvlakken in witgeschilderd baksteenmetselwerk worden slechts geopend door een grote ovale oculus ten oosten, en een smal traplicht ten westen. De zuidgevel vormt boven de zwartgeschilderde onderbouw een volledig opengewerkt betonskelet met uitkragende balkkoppen, gedicht met schrijnwerk waarin glasvlakken en glasal-panelen. De curven van de ijzeren draagstructuur van het terras, oorspronkelijk witgeschilderd aan de buitenzijden en zwart aan de binnenzijden, en de hoog oprijzende schoorsteen verlenen een krachtig accent. In de vrij gesloten achtergevel wordt de centrale inkom benadrukt door een luifel. Het schijnwerk van ramen deuren en garagepoort is uitgevoerd in afzelia.

De woning Van den Branden is intact bewaard. In het interieur werd ruim gebruik gemaakt van hout met name voor de trap evenals voor de scheidingswand en de zoldering in Noors grenen van de woonkamer, waarin nog de oorspronkelijke inbouw-verlichtingsarmaturen. Keuken en badkamer beschikken nog over de oorspronkelijke inrichting, wand- en vloerbetegeling.

  • AAM, 126.

Bron: Jo Braeken, erfgoedonderzoeker (VIOE)
Auteurs:  Braeken, Jo


Je kan deze pagina citeren als: Braeken, Jo: Woning Van den Branden [online], https://id.erfgoed.net/teksten/61081 (geraadpleegd op 26-02-2021)


Woning Van den Brande (10N2)

Woning Van den Brande van 1962-63 naar ontwerp van R. Braem. Rechthoekige organische structuur, met beschilderde bakstenen zijgevels, onder gebogen dak. Geopende westelijke voorgevel met betonnen skelet waarin vensterpartijen verlevendigd door fraaie balkons.

Vormgeving geïnspireerd op Expressionisme en Art Nouveau en waarin R. Braem tot uitdrukking wil brengen dat architectuur ook een schakel is in het natuurlijke organisatieproces van het milieu.

  • STRAUVEN FR., Renaat Braem, De dialectische avonturen van een Vlaams Functionalist, Brussel, 1983.

Bron: Plomteux G., Steyaert R. & Wylleman L. 1985: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 10N2 (Ho-Ra), Brussel - Gent.
Auteurs:  Wylleman, Linda
Datum: 1985


Je kan deze pagina citeren als: Wylleman, Linda: Woning Van den Branden [online], https://id.erfgoed.net/teksten/125324 (geraadpleegd op 26-02-2021)


Woning Van Den Branden (synchronisatie Braem)

Van het echtpaar Van den Branden-Caers krijgt Braem in 1958 opdracht een woning voor een gezin met twee kinderen te ontwerpen in Ranst. Bij het zoeken naar voorbeelden voor een eigen nieuwbouwwoning, had de dubbelwoning De Martelaere-Brewaeys in Deurne, een ontwerp van Braem uit 1948-1950, hun aandacht getrokken. Op dat moment is het echtpaar in het bezit van een dubbel perceel bouwgrond aan de Doggenhoutstraat, onderdeel van de Rijksweg van Antwerpen naar Nijlen, die dwars door de dorpskern van Ranst loopt. In hetzelfde jaar ontstaat een ontwerp voor een brede rijwoning in halfopen bebouwing, waarvan de gevelcompositie, het raamtype en de materiaalcombinatie van roomkleurige baksteen met kalungihout duidelijk ontleend zijn aan de dubbelwoning in Deurne. Ook de prismatische erker van dit gebouw wordt door Braem in zijn eerste schetsen voor de woning Van den Branden hernomen.

Vanaf 1960 nemen de bouwplannen een andere wending, met de aankoop van een bouwgrond aan de tegenoverliggende Lievevrouwestraat. De grootte van dit hoekperceel laat niet alleen een volledig vrijstaande woning toe, wat beter beantwoordt aan de wensen van de opdrachtgevers, maar biedt ook een meer geïsoleerde inplanting ten opzichte van de Rijksweg. In de loop van 1961 maakt Braem een volledig nieuw ontwerp, dat aan hetzelfde programma beantwoordt als het voorgaande, maar waarvan het golvende profiel een omslag inluidt in zijn vormgeving. Hij knoopt daarmee opnieuw aan bij het organische concept van de woning Brauns in Kraainem uit 1950-1953. De bouwaanvraag, die in februari 1962 wordt ingediend, stuit op een weigering, maar naar verluidt weet Braem de zaak te 'regelen', vermoedelijke door tussenkomst van zijn jeugdvriend Leopold Hendrickx, leidend ambtenaar op de centrale administratie voor Stedenbouw. Zonder enige toegift aan het ontwerp wordt de woning in de loop van 1962-1963 opgetrokken. Braem zet hiermee een volgende stap in de ontwikkeling van een eigen biomorfe vormentaal, waarin hij gaandeweg een aan de natuur ontleende, plastische expressie nastreeft. In de woning Van den Branden experimenteert hij in mindere mate met de plattegrond, die zich conformeert aan de vooruitstrevende eigentijdse landhuisbouw, maar des te meer met de uiterlijke vorm, die breekt met de strakke rechtlijnigheid van het moment. Het volume wordt bepaald door de logaritmische spiraal, die hij eerder introduceerde in zijn concept voor het 'Landhuis in Brabant' uit 1945. Via de draagstructuur van het balkon tekent deze vorm zich als een referentie aan de nautilusschelp af in de dwarsdoorsnede van het gebouw. Zoals in het appartementsgebouw De Vel en de Kindertuin in Antwerpen, die eveneens omstreeks 1960 ontworpen worden, duikt ook in de woning Van den Branden onverhuld zichtbeton op voor de structurele onderdelen, hier met een 'brute', plastisch gebouchardeerde textuur.

Het landhuis in witgeschilderde baksteen is centraal op het perceel ingeplant, in een verhoogde berm. Het terrein is aan de achterzijde opgehoogd om de ingang op het niveau van de woonkamer te brengen. De woonkamer bevindt zich vanwege het uitzicht en de lichtinval immers op de bel-etage, een principe van wonen op de verdieping waaraan Braem waar mogelijk de voorkeur geeft. Aan de zuidelijke zijde paalt de woning aan het open gazon van de voortuin, terwijl de noordelijke zijde wordt beschut door een met naald- en loofbomen beboste achtertuin. De uiterlijke vorm van deze architectuur wordt beheerst door de curven van de gesloten zijgevels, die via steunberen vanuit de grasberm lijken op te rijzen. Deze vloeiende lijnvoering wordt begeleid door de ronding van het betonnen dakschild, dat aan de noordelijke zijde over de bovenverdieping doorloopt tot tegen het inkomniveau. In de voorbereidende schetsen evolueert het concept van dit schaaldak uit een aanvankelijk beoogd zadeldak met flauwe helling. De zuidgevel vormt een opengewerkt betonskelet met overstekende balkkoppen, schrijnwerk in afzeliahout en witte glasalpanelen, bovenop een zwartgeschilderde onderbouw. De stalen boogstructuur van het terras en het balkon, een ellipsvormig zijraam en de conische schoorsteen verlenen krachtige accenten aan de compositie. In de achtergevel wordt de centrale ingang benadrukt door een geknikte betonnen luifel. De woonverdieping heeft een open plan, grotendeels ingenomen door de ruime woonkamer, die overgaat in het terras. Centraal in de ruimte staat het ellipsvormige volume van de open haard uit gesinterde baksteen, met schouwpijpen uit eterniet. De haard schermt het kantoor in het westelijke gedeelte van de woonkamer af, dat met een vide doorloopt tot in het dakgewelf. Voor dit onderdeel maakt Braem ook een alternatief ontwerp dat de open haard als een organische sculptuur tegen de zijwand plaats. De vide wordt opgedeeld door een kleine mezzanine, die vanaf de ouderslaapkamer doorloopt in het buitenbalkon met zitbank. Zo vormt de woonkamer een combinatie van een lage ruimte met een vlakke houten zoldering met ingebouwde verlichting, en een hoge gewelfde ruimte. Een volledig houten, deels transparante wand scheidt de woonkamer af van het trappenhuis, de hal, de vestiaire en de keuken, die een smalle strook aan de noordzijde innemen. Op de verdieping bevinden zich drie slaapkamers en een badkamer, waarbij aan de gangzijde wandkasten zijn ingebouwd in de dakhelling. Het souterrain biedt ruimte aan de garage, de was- en de stookplaats en een berging. De woning Van den Branden is intact bewaard.

  • Archives d'Architecture Moderne, Archief Renaat Braem, Dossiernummer 126.
  • Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, Archief Renaat Braem, 393.

Bron: Braeken J. (ed.) 2010: Renaat Braem 1910-2001. Architect, Relicta Monografieën 6. Archeologie, Monumenten en Landschapsonderzoek in Vlaanderen, Brussel.
Auteurs:  Braeken, Jo
Datum: 2010


Je kan deze pagina citeren als: Braeken, Jo: Woning Van den Branden [online], https://id.erfgoed.net/teksten/134347 (geraadpleegd op 26-02-2021)