Het kasteel van Schoonbeek dateert in oorsprong tenminste uit de 16de eeuw, de oudste gedeelten dateren van de vroege 17de eeuw. Aan het einde van de 18de-begin 19de eeuw werd het complex grondig verbouwd. Ten noorden van het kasteel is een neerhof met dienstgebouwen gesitueerd. Het kasteel is gelegen in een park, aangelegd in landschappelijke stijl.
Het Kasteel van Schoonbeek wordt reeds vermeld in 1361 als leen van de graven van Loon, uitgebaat door de familie van Schoonbeke. De van Schoonbekes zullen het hof met 50 bunder land tot in 1463 uitbaten. Nadien komt het goed via erfenissen en huwelijken in bezit van de families Chiney (15de eeuw), de Thibouts (15de eeuw), de Geloes (15de-16de eeuw), de Cortenbach (1533-1710), Emmerix (1710), de Méan de Beaurieux (tot 1777), Ambrosius Rigault (1777-78), Jacques Philippe de Preston (aankoop in 1784) en van Renesse. Sinds 1991 is het kasteeldomein in bezit van de Hemricourt de Grünne, een adellijk geslacht met wortels in de 12de eeuw en een band met de kastelen van Hamal en Hex. De familie baat een landbouwbedrijf van circa 350 ha uit. In de 16de eeuw omvat het landgoed onder meer zeven bunder land, vier bunder weiland, zestien bunder bos, een boomgaard en visvijver. De kasteelheer bezat het visrecht op de Demer en tolrecht van passanten op de Demerdijk.
De oudste gedeelten van het kasteel worden door een gevelsteen op de kroonlijst van de oostelijke gevel van de oostelijke vleugel 1628 gedateerd. De kern is vrijwel zeker ouder: in de centrale vleugel werd een laat-gotisch venster uit de tweede helft van de 16de eeuw hergebruikt, dat waarschijnlijk afkomstig is van één van de begin 19de eeuw afgebroken gedeelten. De funderingen van de 17de-eeuwse toren rusten op die van de waterburcht uit de 14de-15de eeuw.
De oudste voorstelling van het waterkasteel is het grondplan zoals afgebeeld op de Villaretkaart (1745). Binnen een brede walgracht liggen een viertal, met elkaar verbonden eilanden, die uiteindelijk naar de waterburcht leiden. De toegang bevindt zich aan de noordzijde via een dreef gericht op het dorp van Schoonbeek. Enkele jaren later verschijnt het goed op de Ferrariskaart (1771-1777) als "Chateau de Schoonbeeck": het grachtensysteem, gevoed door de onmiddellijk ten zuiden stromende Demer, vormt een vierkant blok, waarbinnen zich drie delen bevinden, elk gescheiden door een gracht. Het eigenlijke kasteel is een langgerekt, U-vormig complex aan de oostelijke zijde. De open zijde wordt door een brug verbonden met het neerhof ten noorden, het kasteel is ten zuiden verbonden met de kapel, die zich buiten de U-vorm in de gracht bevindt. Het neerhof bevindt zich op het L-vormige terrein ten zuiden en ten westen van het eigenlijke kasteel: er zijn vier kleine gebouwen en een tuin te onderscheiden. Dit gedeelte is met de hoger vermelde brug verbonden met de binnenplaats van het kasteel, en ten noorden via een brug met de weg naar het gehucht Schoonbeek. Deze laatste was de oorspronkelijke ingang tot het complex. Een derde blok, eveneens volledig omgracht, ligt ten westen van dit geheel, en bevat de boomgaard. De functie van de cirkel, afgebeeld ten zuiden van de boomgaard in de gracht, kon niet worden achterhaald, maar op andere sites kreeg een dergelijk eilandje vaak een sierbeplanting en vormde een met een roeibootje te bezoeken sierelement. De thans nog bestaande dreef ten oosten van het geheel bestond ook reeds: een brug voert over de Demer, doch slechts een klein voetpad verbindt het kasteel doorheen de moerassige vallei van de Demer met de dorpskern van Beverst. De hoofdingang is duidelijk naar het noorden, naar het gehucht Schoonbeek gericht. Volgens de literatuur bezat het kasteel in de 18de eeuw eveneens een brouwerij.
Het kasteel is eveneens afgebeeld in de Atlas der Buurtwegen (1846). Het kasteel heeft in de tussentijd een grondige wijziging ondergaan, waarschijnlijk door een aantal opeenvolgende bouwcampagnes van graaf Jean de Preston (1753-1829), die het goed in 1780 kocht. Deze Ierse graaf was eveneens de opdrachtgever voor de bouw van het Kasteel de Donnea in Guigoven. Het is grosso modo in deze vorm dat het kasteel tot ons is gekomen. De oudste verbouwing is de verlenging van de oostelijke vleugel in noordelijke richting: de ingang van het kasteel wordt verlegd naar het oosten, met een poortgebouw in het verlengde van de oostelijke vleugel en een brug over de gracht naar de platanendreef. Deze uitbreiding is boven de poort 1785 gedateerd. In de loop van de volgende veertig jaar wordt het zuidelijke gedeelte van het U-vormige complex afgebroken, namelijk de zuidelijke dwarsvleugel en de zuidelijke gedeelten van de oost- en westvleugel. Met hergebruik van oude materialen wordt een nieuwe, centrale verbindingsvleugel aan de noordzijde van de oorspronkelijke U-vorm gebouwd, en een torenachtig uitbouwsel aan het noordelijke uiteinde van de westelijke vleugel: de voltooiing van deze bouwcampagne wordt daar door een gevelsteen 1828 gedateerd. Op het einde van de 18de eeuw wordt ook het dienstgebouw onmiddellijk ten noorden van het kasteelcomplex gebouwd, door de kapel verbonden met het poortgebouw.
Het U-vormige koetshuis ten noorden dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw. Bij de bouw ervan werden mogelijk de op de Ferrariskaart weergegeven neerhofgebouwen geïntegreerd, en werd materiaal ervan hergebruikt. Ten westen hiervan bevindt zich de L-vormige oranjerie met serre, eveneens daterend uit de tweede helft van de 19de eeuw. Tussen deze gebouwen en het hoger vermelde koetshuis bevindt zich een poort, op de plaats van de oorspronkelijke ingang, door een brug over de gracht verbonden met een eveneens door een gracht omgeven stuk grond waarop zich een open schob bevindt (eind 19de eeuw).
In de eerste helft van de 19de eeuw (Atlas der Buurtwegen) wordt het grachtensysteem uitgebreid. Het omvat nu een veel ruimer gebied dan het oorspronkelijke vierkant, en ook het Engelse park, eveneens aangelegd door graaf de Preston, is erbinnen opgenomen. Resten van het oorspronkelijke grachtensysteem bleven als een vijver in dit park bewaard. In de loop van de tweede helft van de 19de eeuw verdwijnt een haakse vleugel, die in de Atlas der Buurtwegen ten zuiden van het centrale gebouw is afgebeeld, tussen de twee nog bestaande vleugels. Op de topografische kaart van 1871 wordt binnen de bestaande grachten een schematisch weergegeven park in landschappelijke stijl afgebeeld. Ruim bochtende paden, twee rechte dreven die de rand van de gracht volgen en een dichte sierbeplanting bepalen de aanleg. Op de topografische kaart van 1937 is het noordelijke tuingedeelte omgevormd tot een nutsfunctie (vermoedelijk moestuin). Ten oosten van het kasteel verschijnt aan de overzijde van de Waterkasteelstraat voor het eerst een kapel op kaart. Aansluitend is eveneens een grote boomgaard ingericht.
In zijn huidige vorm heeft het eigenlijke kasteel grosso modo een H-vorm: een centrale vleugel verbindt de twee resterende delen van de oorspronkelijke parallelle vleugels. Op deze manier werd een binnenplaats gecreëerd, open naar het zuiden. Ten noorden hiervan werd in het verlengde van de westelijke vleugel een haakse vleugel op het centrale gedeelte geplaatst. Ten oosten, in het verlengde van de oostelijke vleugel werd het poortgebouw gebouwd. Onmiddellijk aansluitend hierop bevindt zich de kapel, en de aldus gevormde noordelijke binnenplaats wordt aan de noordzijde afgesloten door een dienstgebouw, haaks op de kapel geplaatst.
Ten noorden hiervan bevindt zich het neerhof: een U-vormig koetshuis met paardenstallen ligt samen met het dienstgebouw aan een gekasseid erf, met rechts de mestvaalt. In het verlengde van het koetshuis en verbonden met een poort, ten westen van het gekasseid erf, bevinden zich de L-vormige oranjerie en een glazen serre. De poort leidt via een brug over de gracht. Daar bevindt zich een open schob op bakstenen pijlers.
Zoals vermeld zijn de oudste gedeelten de oost- en westvleugel, die zich ten zuiden van het centrale gedeelte uitstrekken. De oostvleugel heeft aan het noordelijke uiteinde een torenachtig uitbouwsel, dat reeds op de Ferrariskaart te onderscheiden is. Dit gedeelte, en de twee aansluitende traveeën van de oostvleugel die door een duidelijke bouwnaad van de rest gescheiden zijn, is op een gevelsteen in de kroonlijst 1628 gedateerd. Ook de medaillons- en ruitenfries onder de kroonlijst van dit gedeelte verwijst naar de eerste helft van de 17de eeuw. Twee gedichte kalkstenen kloosterkozijnen met negblokken dateren de rest van de vleugel in de tweede helft van de 17de eeuw. Het gebouw werd echter begin 19de eeuw grondig aangepast.
De gebouwen vertonen de kenmerken van de 17de-eeuwse Maasstijl: baksteenbouw voorzien van mergelstenen banden, hoekbanden en steigergaten. De oorspronkelijke vensters zijn de voormalige kloosterkozijnen (de tussendorpel werd verwijderd), voorzien van mergelstenen negblokken (eerste helft 18de eeuw) en de hoger vermelde kalkstenen kloosterkozijnen (tweede helft 17de eeuw). De gevels zijn verankerd met gesmeed ijzeren muurankers met krullen. De westvleugel telt zes traveeën, de oostvleugel vijf. De gevels hebben twee bouwlagen onder leien wolvendaken, op een verhoogde begane grond met bakstenen of mergelstenen (aan de zijde van de gracht) plint. De toren is voorzien van een hoog leien schilddak. Beide vleugels werden aan het eind van de 18de - begin van de 19de eeuw aanzienlijk ingekort. De zuidelijke zijgevels zijn vrijwel zeker creaties uit de vermelde periode, met hergebruik van materiaal afkomstig van de afgebroken gedeelten. Ook de mijtervormige lateien van de vensters aan de zijde van de zuidelijke binnenplaats zijn moeilijk te verenigen met de bouwstijl van de rest van het gebouw (17de eeuw). Waarschijnlijk zijn de vensters reconstructies uit het begin van 19de eeuw en werden zij aangebracht in functie van het toen gewijzigde interieur. De laatclassicistische vensters in de oostvleugel beiden een duidelijk aanwijzing voor deze begin 19de-eeuwse wijziging van het interieur: ze zijn rechthoekig in een vlakke kalkstenen omlijsting, typisch voor deze periode, en de aankleding van deze vertrekken -hal, wachtkamer en salon-, is in een overgangsstijl tussen classicisme en Directoire.
De centrale vleugel is een creatie uit eind 18de - begin 19de eeuw, zij het met hergebruik van een aantal oude materialen, waarschijnlijk afkomstig van de toen afgebroken delen (gesmeed ijzeren muurankers, mergelstenen banden, mogelijk de mergelstenen kroonlijsten en de bak- en mergelstenen schoorstenen). In de noordelijke gevel bevindt zich het laatgotische venstertje, met een accoladevormige latei, uit de tweede helft van de 16de eeuw. De muuropeningen uit de periode van de bouw zijn de laatclassicistische vensters in een rechthoekige, vlakke, kalkstenen omlijsting, de huidige ingang in de noordelijke gevel (een rondboogdeur in een kalkstenen omlijsting met smalle, flankerende venstertjes) en de rechthoekige deur met ovaalrond bovenlicht, eveneens in kalkstenen omlijsting in de zuidelijke gevel. Het gebouw telt drie traveeën en twee bouwlagen onder een mansardedak aan de noordzijde, en een zadeldak aan de zuidzijde (leien). Een klokkentorentje boven de middentravee van de noordgevel werd waarschijnlijk eveneens opgetrokken van hergebruikt materiaal, waartoe mogelijk ook de windvaan met de datering 1786 mag gerekend worden.
In 1828 werd de westvleugel van de noordelijke binnenplaats toegevoegd, in het verlengde van de oude westelijke vleugel. Het gebouw telt twee traveeën en twee bouwlagen onder een leien mansardedak. Het jaartal duidt waarschijnlijk het einde aan van de grote verbouwingscampagne die begon in 1785 en het kasteel zijn huidig uitzicht gaf. Het bakstenen gebouw is voorzien van muuropeningen van hergebruikt materiaal, mergelsteen en kalksteen.
Het kasteel bezit een interessante bibliotheek opgebouwd door historicus en genealoog Theodoor de Renesse (1854-1927), oud-gouverneur van de provincie Limburg.
Het poortgebouw, in het verlengde van de oostvleugel, is aan de buitenzijde een zuivere classicistische constructie in baksteen onder een leien mansardedakje. Het gebouw is voorzien van een rondboogpoort in een rechthoekige geblokte omlijsting met op de architraaf de datering 1785 en daarboven een driehoekig fronton met het wapenschild van de Preston. De poort is geflankeerd door twee kleine, getraliede vensters in een vlakke kalkstenen omlijsting. De westgevel heeft een minder duidelijke ordonnantie: de poort aan deze zijde is getoogd, in een kalkstenen omlijsting met de stijlkenmerken die eerder aan de overgangsperiode rococo-classicisme kunnen toegeschreven worden. Ook het bekronende venster in een kalkstenen omlijsting met driehoekig fronton is merkwaardig. Dat er gebruik werd gemaakt van ouder materiaal blijkt uit de gesmeed ijzeren muurankers en het getoogde venstertje in een rechthoekige omlijsting van kleine mergelsteenblokken. Een stenen brug verbindt dit poortgebouw met de platanendreef.
De kapel van één travee die aansluit bij het poortgebouw werd begin 19de eeuw ondergebracht in de L-vormige vleugel die ook het dienstgebouw bevat, en waarschijnlijk dateert uit eind 18de eeuw. Het is een bakstenen gebouw onder een leien zadeldak, voorzien van hergebruikte, gesmeed ijzeren muurankers. De rechthoekige en getoogde vensters hebben een rechthoekige omlijsting van hergebruikte mergelsteenblokken. De getoogde deuren hebben een gelijkaardige, verankerde omlijsting. De achtergevel is voorzien van rondboogvormige bakstenen muuropeningen uit de tweede helft van de 19de eeuw. De kapel heeft een rondboogvenster in mergelstenen omlijsting. Het interieur dateert uit het begin van de 19de eeuw. In de kapel zijn veertien graven van de familie Preston bewaard.
Het neerhof omvat, naast het dienstgebouw, een U-vormig koetshuis uit de tweede helft van de 19de eeuw van zeven traveeën en een bouwlaag onder een mansardedak (leien en mechanische pannen). Ook hier werden oude materialen hergebruikt (mergelstenen hoekbanden). Mogelijk bleven in de haakse vleugels gedeeltelijk de authentieke neerhofgebouwen uit de 17de eeuw bewaard. De centrale vleugel is voorzien van twee getoogde poorten in een bakstenen omlijsting met mergelstenen aanzet- en sluitstenen. De sluitstenen dragen het opschrift "ANNO" en een vrijwel onleesbaar jaartal "18..". De getoogde deur met een oculus als bovenlicht heeft een gelijkaardige omlijsting. Vier rondboogvensters zijn voorzien van houten roedenverdeling. Boven de poorten en deur bevinden zich laadvensters. De linkse vleugel heeft een rondboogdeur, de rechtse vleugel een getoogde poort waarboven zich twee getoogde vensters in een rechthoekige mergelstenen omlijsting met negblokken bevinden. De voorgevels van beide gebouwen zijn voorzien van een aandak met vlechtingen en topstuk.
In de westelijke zijgevel van dit gebouw bevindt zich een grafsteen met het opschrift: "D.O.M. / HIC IACET / CLEMENTINA WALBURGA / DE BREDeRODE / IN HOC CONVENTU / SCHOLARIS / OBIIT II IULY A(1689 / AETATIS SUAE 13 /R I P / CETTE PIERRE DE L'AN / 1689 A ETE RENDUE A LA / FAMILLE COMTE DE RENESSE / PAR MONSIEUR P.REGOUT / DE MAESTRICHT APRES L'INCENDIE / DU COUVENT DES PENITENTES / EN JUIN 1866". De grafsteen is omgeven door de wapenschilden van de families Brederode, Reede, Arkel, Oostum, Renesse van Wulp, Zallandt, Renesse van Elderen en Lijnden.
Een L-vormige vleugel bevat de orangerie aan de westzijde en een glazen serre aan de noordzijde. Beide gebouwen dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw. De bakstenen orangerie telt acht traveeën en een bouwlaag onder een zadeldak (mechanische pannen) en is voorzien van grote bakstenen rondboogvensters met mergelstenen sluit- en aanzetstenen, en een gelijkaardige deur, alle voorzien van metalen roedenverdeling.
De noordgevel van het noordelijke poortgebouw behield resten van de oude, 17de-eeuwse kern (muurankers, mergelstenen hoekbanden en overhoekse muizetandfries). De bakstenen korfboogpoort is voorzien van een mergelstenen sluitsteen. Aan de zuidelijke zijde bevindt zich boven de poort een kalkstenen gevelsteen met twee wapenschilden.
De Demer loopt ten zuiden van de omgrachting van het kasteel. Ten zuiden daarvan bevinden zich enkele graslanden en populierenaanplanten. De Winterbeek doorkruist het domein in het uiterste zuiden. Een dreef met platanen, aangelegd in 1812, vormt de oostelijke grens van het kasteeldomein en maakt de verbinding tussen de Waterkasteelstraat ten noorden van het kasteel en de Nijverheidsstraat ten zuiden ervan.
Binnen de walgracht bewaard park dat eind 18de-begin 19de eeuw vermoedelijk reeds een aanleg in vroeg-landschappelijke stijl kreeg. Zo is op de kaart van de Atlas der Buurtwegen (1841) de rechte gracht te midden het park aangevuld met een tweetal aanhangsels. In het park bleven ook enkele tuinpaviljoenen uit het begin van de 19de eeuw bewaard. Het huidige, druk kronkelende padenpatroon vertoont weinig overeenkomst met de bochtende paden op de 19de-eeuwse topografische kaarten. Op postkaarten uit de jaren 1930 heeft de onmiddellijke tuin rondom het landhuis een meer formele aanleg gekregen. Zo is tussen de vijver en het landhuis een bescheiden parterre aangelegd. Deze aanleg bleef tot begin 21ste eeuw bewaard. Aansluitend is langs de vijver een dreef van geknotte bomen aangeplant. De moestuin in het noordelijk tuingedeelte, voor het eerst afgebeeld op de topografische kaart van 1937, met koude bakken en ingedeeld in vier kwadranten, is heden tot grasveld verworden.
In 1989 werd door leden van de Belgische dendrologische inventaris volgende bomen op het domein opgemeten: zilveresdoorn met ingesneden blad (Acer saccharinum ‘Laciniatum’) 316 cm (stamomtrek standaard opgemeten op 150 cm hoogte), zwarte els (Alnus glutinosa) 184 cm, palmboompje (Buxus sempervirens) 50 cm, Californishce cipres (Chamaecyparis lawsoniana) 218 en 201 cm, Japanse cipres (Chamaecyparis pisifera ‘Filifera’) 149 cm, Japanse cipres (Chamaecyparis pisifera ‘Squarossa’) 162 cm en bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea’) 362 en 330 cm.
Auteurs: Schlusmans, Frieda; Daemen, Caroline; Michiels, Marijke
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Schlusmans F., Daemen C. & Michiels M. 2026: Kasteeldomein Schoonbeek [online], https://id.erfgoed.net/teksten/452668 (geraadpleegd op ).
De oudste gedeelten van het kasteel worden door een gevelsteen op de kroonlijst van de oostelijke gevel van de oostelijke vleugel gedateerd 1628. De kern is vrijwel zeker ouder: in de centrale vleugel werd een laatgotisch venster uit de tweede helft van de 16de eeuw hergebruikt, dat waarschijnlijk afkomstig is van één van de begin 19de eeuw afgebroken gedeelten.
De oudste voorstelling van het waterkasteel is het grondplan zoals afgebeeld op de Ferrariskaart (1771-1777): het grachtensysteem, gevoed door de onmiddellijk ten zuiden stromende Demer, vormt een vierkant blok, waarbinnen zich drie delen bevinden, elk gescheiden door een gracht; het eigenlijke kasteel is een langgerekt, U-vormig complex aan de oostelijke zijde, de open zijde door een brug verbonden met het neerhof ten noorden, ten zuiden met de kapel, die zich buiten de U-vorm in de gracht bevindt; het neerhof bevindt zich op het L-vormige terrein ten zuiden en ten westen van het eigenlijke kasteel: we onderscheiden vier kleine gebouwen en een moestuin; dit gedeelte is met de hoger vermelde brug verbonden met de binnenplaats van het kasteel, en ten noorden via een brug met de weg naar het gehucht Schoonbeek: dit was de oorspronkelijke ingang tot het complex; een derde blok, eveneens volledig omgracht, ligt ten westen van dit geheel, en bevat de boomgaard; wat de cirkel, afgebeeld ten zuiden hiervan, in de gracht, voorstelt, kon niet worden achterhaald. De thans nog bestaande dreef ten oosten van het geheel bestond ook reeds: een brug voert over de Demer, doch slechts een klein voetpad verbindt het kasteel doorheen de moerassige vallei van de Demer met de dorpskern; de hoofdingang is duidelijk naar het noorden, naar het gehucht Schoonbeek gericht.
De chronologisch volgende voorstelling van het kasteel is die in de Atlas der Buurtwegen, van 1846. Het kasteel heeft in de tussentijd een grondige wijziging ondergaan, waarschijnlijk door een aantal opeenvolgende bouwcampagnes van graaf Jean de Preston (1753-1829), die het goed in 1780 kocht. Het is grosso modo in deze vorm dat het kasteel tot ons is gekomen. De oudste verbouwing is de verlenging van de oostelijke vleugel in noordelijke richting: de ingang van het kasteel wordt verlegd naar het oosten, met een poortgebouw in het verlengde van de oostelijke vleugel en een brug over de gracht naar de platanendreef; deze uitbreiding is boven de poort gedateerd 1785. In de loop van de volgende 40 jaar wordt het zuidelijke gedeelte van het U-vormige complex afgebroken: de zuidelijke dwarsvleugel en de zuidelijke gedeelten van de oost- en westvleugel; met hergebruik van oude materialen wordt een nieuwe, centrale verbindingsvleugel aan de noordzijde van de oorspronkelijke U-vorm gebouwd, en een torenachtig uitbouwsel aan het noordelijke uiteinde van de westelijke vleugel: de voltooiing van deze bouwcampagne wordt daar door een gevelsteen 1828 gedateerd. Op het einde van de 18de eeuw wordt ook het dienstgebouw onmiddellijk ten noorden van het kasteelcomplex gebouwd, door de kapel verbonden met het poortgebouw.
Het U-vormige koetshuis ten noorden dateert uit de tweede helft van de 19de eeuw; bij de bouw ervan werden mogelijk de op de Ferrariskaart weergegeven neerhofgebouwen geïntegreerd, en werd materiaal ervan hergebruikt. Ten westen hiervan bevindt zich in L-vorm de oranjerie met serre, eveneens daterend uit de tweede helft van de 19de eeuw. Tussen deze gebouwen en het hoger vermelde koetshuis bevindt zich een poort, op de plaats van de oorspronkelijke ingang, door een brug over de gracht verbonden met een eveneens door een gracht omgeven stuk grond waarop zich een open schob bevindt (eind 19de eeuw).
In de eerste helft van de 19de eeuw (Atlas der Buurtwegen) wordt het grachtensysteem uitgebreid; het omvat nu een veel ruimer gebied dan het oorspronkelijke vierkant, en ook het Engelse park, eveneens aangelegd door graaf de Preston, is erbinnen opgenomen; resten van het oorspronkelijke grachtensysteem bleven als een vijver in dit park bewaard.
In de loop van de tweede helft van de 19de eeuw verdwijnt tenslotte een haakse vleugel, die in de Atlas der Buurtwegen ten zuiden van het centrale gebouw, tussen de twee nog bestaande vleugels is afgebeeld.
In zijn huidige vorm heeft het eigenlijke kasteel grosso modo een H-vorm: een centrale vleugel verbindt de twee resterende delen van de oorspronkelijke parallelle vleugels; op deze manier werd een naar de zuidelijke zijde open binnenplaats gecreëerd. Ten noorden hiervan werd in het verlengde van de westelijke vleugel een haakse vleugel op het centrale gedeelte geplaatst, ten oosten, in het verlengde van de oostelijke vleugel het poortgebouw.
Onmiddellijk aansluitend hierop bevindt zich de kapel, en de aldus gevormde noordelijke binnenplaats wordt aan de noordzijde afgesloten door een dienstgebouw, haaks op de kapel geplaatst.
Ten noorden hiervan bevindt zich het neerhof: een U-vormig koetshuis met paardenstallen ligt samen met het hogervermelde dienstgebouw aan een gekasseid erf, met rechts de mestvaalt.
Ten westen hiervan, in het verlengde van het koetshuis en met een poort ermee verbonden bevinden zich in L-vorm de oranjerie en een glazen serre.
De vermelde poort leidt via een brug over de gracht; daar bevindt zich een open schob op bakstenen pijlers.
Het oorspronkelijke grachtensysteem werd begin 19de eeuw uitgebreid en geïntegreerd in de Engelse tuin, die zich ten westen van het kasteel bevindt.
Zoals vermeld zijn de oudste gedeelten de oost- en westvleugel, die zich ten zuiden van het centrale gedeelte uitstrekken; de oostvleugel heeft aan zijn noordelijke uiteinde een torenachtig uitbouwsel, dat reeds op de Ferrariskaart te onderscheiden is. Dit gedeelte, en de twee aansluitende traveeën van de oostvleugel, door een duidelijke bouwnaad van de rest gescheiden, is op een gevelsteen in de kroonlijst 1628 gedateerd; ook de medaillons- en ruitenfries onder de kroonlijst van dit gedeelte verwijst naar de eerste helft van de 17de eeuw; twee thans gedichte kalkstenen kloosterkozijnen met negblokken dateren de rest van de vleugel in de tweede helft van de 17de eeuw. Het gebouw werd echter begin 19de eeuw grondig aangepast.
De gebouwen vertonen de kenmerken van de Maasstijl uit de 17de eeuw: baksteenbouw, voorzien van mergelstenen banden, hoekbanden, en steigergaten; de oorspronkelijke vensters zijn de voormalige kloosterkozijnen (de tussendorpel werd verwijderd), voorzien van mergelstenen negblokken (eerste helft 18de eeuw) en de hoger vermelde kalkstenen kloosterkozijnen (tweede helft 17de eeuw). Gesmeed ijzeren muurankers met krullen. De westvleugel telt zes traveeën, de oostvleugel vijf, doch bereikt een gelijke lengte door de torenachtige uitbouw aan de noordzijde; twee bouwlagen onder wolvedaken (leien), op een verhoogde begane grond met bakstenen of mergelstenen (aan de zijde van de gracht) plint. De toren is voorzien van een hoog schilddak (leien). Aangezien beide vleugels eind 18de eeuw - begin 19de eeuw aanzienlijk ingekort werd dient het nodige voorbehoud in acht genomen met betrekking tot de authenticiteit van de elementen en de ordonnantie van de gevels; de zuidelijke zijgevels zijn vrijwel zeker creaties uit de vermelde periode, met hergebruik van materiaal afkomstig van de afgebroken gedeelten. Ook de mijtervormige lateien van de vensters aan de zijde van de zuidelijke binnenplaats zijn moeilijk te verenigen met de bouwstijl van de rest van het gebouw (17de eeuw). De vensters van de westvleugel zijn nooit kruiskozijnen geweest; het ontbreken van mergelstenen banden is trouwens moeilijk te verenigen met dit venstertype; waarschijnlijk zijn al deze vensters begin 19de eeuw - reconstructies en werden zij aangebracht in functie van het toen gewijzigde interieur. Een duidelijk aanwijzing voor deze begin 19de-eeuwse wijziging van het interieur bieden de laat-classicistische vensters in de oostvleugel, rechthoekig in een vlakke kalkstenen omlijsting, typisch voor deze periode, en de aankleding van deze vertrekken -hal, wachtkamer en salon-, in een overgangsstijl tussen Lodewijk XVI en Directoire.
De centrale vleugel is een duidelijke creatie uit eind 18de- begin 19de eeuw, zij het met hergebruik van een aantal oude materialen, waarschijnlijk afkomstig van de toen afgebroken delen (gesmeed ijzeren muurankers, mergelstenen banden, mogelijk de mergelstenen kroonlijsten en de bak- en mergelstenen schoorstenen); in de noordelijke gevel bevindt zich het hoger vermelde, laatgotische venstertje, met een accoladevormige latei (tweede helft 16de eeuw). De muuropeningen uit de periode van de bouw zijn de laat-classicistische vensters in een rechthoek, vlakke, kalkstenen omlijsting, de huidige ingang in de noordelijke gevel -een rondboogdeur in een kalkstenen omlijsting met smalle, flankerende venstertjes en de rechthoekige deur met ovaal bovenlicht, eveneens in kalkstenen omlijsting in de zuidelijke gevel. Het gebouw telt drie traveeën en twee bouwlagen onder mansardedak aan de noordzijde, zadeldak aan de zuidzijde (leien). Een klokkentorentje boven de middentravee van de noordgevel werd waarschijnlijk eveneens opgetrokken van hergebruikt materiaal, waartoe mogelijk ook de windvaan met de datering 1786 mag gerekend worden.
In 1828 werd de westvleugel van de noordelijke binnenplaats toegevoegd, in het verlengde van de oude westelijke vleugel. Het gebouw telt twee traveeën en twee bouwlagen onder mansardedak (leien). Het jaartal duidt waarschijnlijk het einde aan van de grote verbouwingscampagne die begon in 1785 en het kasteel zijn huidig uitzicht gaf. Het bakstenen gebouw is voorzien van muuropeningen van hergebruikt materiaal, mergelsteen en kalksteen.
Het poortgebouw, in het verlengde van de oostvleugel is aan de buitenzijde een zuivere Lodewijk XVI-constructie: baksteen onder mansardedakje (leien), voorzien van een rondboogpoort in een rechthoekige geblokte omlijsting met op de architraaf de datering 1785 en daarboven een driehoekig fronton met het wapenschild van de Preston. De poort is geflankeerd door twee kleine, getraliede vensters in een vlakke kalkstenen omlijsting.
De westgevel heeft een minder duidelijke ordonnantie: de poort aan deze zijde is getoogd, in een kalkstenen omlijsting met de stijlkenmerken die eerder aan de overgangsperiode Lodewijk XV - Lodewijk XVI kunnen toegeschreven worden. Ook het bekronende venster in een kalkstenen omlijsting met driehoekig fronton is merkwaardig. Dat er gebruik werd gemaakt van ouder materiaal blijkt uit de gesmeed ijzeren muurankers en het getoogde venstertje in een rechthoekige omlijsting van kleine mergelsteenblokken.
Een stenen brug verbindt dit poortgebouw met de platanendreef.
De kapel van één travee, die aansluit bij het poortgebouw werd begin 19de eeuw ondergebracht in de L-vormige vleugel die thans ook het dienstgebouw bevat, en waarschijnlijk dateert uit eind 18de eeuw. Bakstenen gebouw onder zadeldak (leien), voorzien van hergebruikte, gesmeed ijzeren muurankers. Rechthoekige en getoogde vensters in een rechthoekige omlijsting van hergebruikte mergelsteenblokken. Getoogde deuren in een gelijkaardige, verankerde omlijsting. De achtergevel is voorzien van de tweede helft van de 19de eeuw -, rondboogvormige bakstenen muuropeningen.
De kapel heeft een rondboogvenster in mergelstenen omlijsting.
Het interieur dateert uit begin 19de eeuw.
Het neerhof omvat, naast hoger vermeld dienstgebouw, een U-vormig koetshuis uit de tweede helft van de 19de eeuw. Zeven traveeën en een bouwlaag onder mansardedak (leien en mechanische pannen). Ook hier werden oude materialen hergebruikt (mergelstenen hoekbanden). Mogelijk bleven in de haakse vleugels gedeeltelijk de authentieke neerhofgebouwen uit de 17de eeuw bewaard. De centrale vleugel is voorzien van twee getoogde poorten in een bakstenen omlijsting met mergelstenen aanzet- en sluitstenen; laatstgenoemde dragen het opschrift ANNO en een vrijwel onleesbaar jaartal (18..). Getoogde deur in een gelijkaardige omlijsting met oculus als bovenlicht, en vier rondboogvensters met houten roedeverdeling; laadvensters boven poorten en deur. De linkse vleugel heeft een rondboogdeur, de rechtse vleugel een getoogde poort waarboven twee getoogde vensters in een rechthoekige mergelstenen omlijsting met negblokken; de voorgevels van beide gebouwen zijn voorzien van een aandak met vlechtingen en topstuk.
In de westelijke zijgevel van dit gebouw bevindt zich een grafsteen met het opschrift: D.O.M./ HIC IACET/ CLEMENTINA WALBURGA/ DE BREDeRODE/ IN HOC CONVENTU/ SCHOLARIS/ OBIIT II IULY A(1689/AETATIS SUAE 13/R I P/ CETTE PIERRE DE L'AN/ 1689 A ETE RENDUE A LA/ FAMILLE COMTE DE RENESSE/ PAR MONSIEUR P.REGOUT/ DE MAESTRICHT APRES L'INCENDIE/ DU COUVENT DES PENITENTES/ EN JUIN 1866. De grafsteen is omgeven door de wapenschilden van de families Brederode, Reede, Arkel, Oostum, Renesse van Wulp, Zallandt, Renesse van Elderen en Lijnden.
Een L-vormige vleugel bevat aan de westzijde de oranjerie en aan de noordzijde een glazen serre. Beide gebouwen dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw. Bakstenen oranjerie van acht traveeën en een bouwlaag onder zadeldak (mechanische pannen), voorzien van grote bakstenen rondboogvensters met mergelstenen sluit- en aanzetstenen, en een gelijkaardige deur, alle voorzien van metalen roedeverdeling.
De noordgevel van het noordelijke poortgebouw behield resten van de oude, 17de-eeuwse kern (muurankers, mergelstenen hoekbanden en overhoekse muizentandfries). Bakstenen korfboogpoort met een mergelstenen sluitsteen. Aan de zuidelijke zijde bevindt zich boven de poort een kalkstenen gevelsteen met twee wapenschilden.
In het park bleven een paar tuinpaviljoenen uit begin 19de eeuw bewaard.
Bron: SCHLUSMANS F. 1996: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kantons Bilzen - Maasmechelen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14n3, Brussel - Turnhout.
Auteurs: Schlusmans, Frieda
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Schlusmans F. 1996: Kasteel van Schoonbeek [online], https://id.erfgoed.net/teksten/623 (geraadpleegd op ).