erfgoedobject

Geheel van drie eclectische burgerhuizen

bouwkundig element
ID: 6394   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6394

Juridische gevolgen

Beschrijving

Geheel van drie burgerhuizen in eclectische stijl, naar een ontwerp door de architecten Léonard en Henri Blomme uit 1901. Opdrachtgever Maurice Emile Jean Henri Gevers (°1855), was een zoon van Henri Jacques Gevers-Coveliers (1821-1895), vennoot van de in de Kaasstraat gevestigde suikerraffinaderij Gevers frères. Zelf vervulde de ondernemer functies als beheerder van de Banque de Crédit Commercial, en voorzitter van de Raad van Bestuur van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde van Antwerpen. Maurice Gevers was gehuwd met Gabrielle Louise Désirée Grisar (1860-1926), die als kleindochter van Charles Grisar (1789-1863) behoorde tot de jongere tak van het handelaars- en scheepsmakelaarsgeslacht Grisar, dat zich in 1804 vanuit het Duitse Nievern (Rheinland-Pfalz) in Antwerpen gevestigd had. Na haar overlijden liet Maurice Gevers-Grisar verderop in de Albertstraat een vastgoedproject bestaande uit twee gekoppelde burgerhuizen optrekken, ontworpen door de architecten Fernand de Montigny en Louis Somers.

De hotels Gevers-Grisar behoren tot het latere gemeenschappelijke oeuvre van de gebroeders Blomme, die tussen 1876 en 1906 voor tal van bouwprojecten samenwerkten. Daarnaast voerden beiden ook in eigen naam belangrijke architectuuropdrachten uit, en bekleedde Léonard Blomme van 1869 tot 1899 het ambt van provinciaal architect voor het arrondissement Mechelen. Tot hun belangrijkste gezamenlijke realisaties behoren het Jongensweeshuis uit 1876-1881 in de Durletstraat, het Gemeentehuis van Borgerhout uit 1886-1889, en tijdens de jaren 1890 een reeks vastgoedprojecten voor de Naamlooze Maatschappij voor het Bouwen van Burgershuizen in de wijk Zurenborg. In tegenstelling tot de neo-Vlaamserenaissance-stijl die al deze projecten consequent kenmerkt, inspireerden de gebroeders Blomme zich voor de hotels Gevers-Grisar en het verwante woon- en handelscomplex Coetermans uit 1905 in de Cellebroedersstraat op de veeleer klassieke Florentijnse renaissance. In dezelfde periode ontwierp Henri Blomme het verdwenen, neobarokke Grand Hotel Weber op de hoek van Frankrijklei en De Keyserlei.

Het geheel van drie rijwoningen omvat een souterrain en drie bouwlagen, met bijkomende mezzanine voor het middenpand, onder een zadeldak. Uniform behandeld en volkomen symmetrisch van opzet, is het gevelfront samengesteld uit twee identieke zijpanden van twee ongelijke traveeën, die in spiegelbeeld het geaccentueerde middenpand van drie traveeën flankeren. Dit laatste had volgens de bouwplannen een vandaag ontbrekende attiekbalustrade als bekroning. De lijstgevels hebben een parement uit roomkleurige Silezische brikken in kruisverband, met overvloedig gebruik van witte natuursteen voor constructieve en decoratieve onderdelen als deur- en vensteromlijstingen, vensterposten, waterlijsten, friezen en ornamenten, en blauwe hardsteen oor de plint. Horizontaal geleed door de doorlopende plint en brede puilijst, wordt de opstand beëindigd door een klassiek hoofdgestel met verspringende, houten kroonlijsten op modillons en tandlijst.

Het middenpand (nummer 21) is axiaal-symmetrisch van compositie, waarbij de bovenverdiepingen worden gemarkeerd door kolossale pilasters, een bow-window met zijlichten en een smeedijzeren borstwering als bekroning op de eerste verdieping, en een rondboogvierlicht op de tweede verdieping, beide afgewerkt met een entablement. Asymmetrisch van ordonnantie, ligt de klemtoon in de zijpanden (nummers 19 en 23) op de brede zijtravee, gemarkeerd door oplopende drielichten met balkon, balustrade en entablement op de eerste twee bouwlagen , en een rondboogtweelicht met entablement in de topgeleding. Van de drie portalen met geprofileerde omlijsting, entablement en bovenlicht, onderscheiden deze in de zijpanden zich door een leeuwenkopsleutel en een driehoekig fronton. Verder bestaat het geveldecor uit fijn gesculpteerde rozetten, guirlandes, meander- of spiraalfriezen, ter versiering van vooral borstweringen en entablementen, met een opvallende rol voor de lauwerkransen met cartouche op de pilasters van het middenpand, en de grote medaillons op de middenpenant van de zijpanden. Het gevernist houten schrijnwerk van de drie fraai bewerkte inkomdeuren is bewaard, evenals dat van de vensters.

Identiek van plattegrond en gekoppeld volgens repeterend en spiegelbeeldschema, beantwoorden de drie rijwoningen aan de klassieke typologie van het burgerhuis, dat uit een voorbouw en een smalle achterbouw in entresol bestaat. Volgens de bouwplannen wordt de gebruikelijke enfilade van salon, eetkamer en veranda met terras, op de begane grond geflankeerd door de vestibule met trappenbordes, de traphal en een ‘cabinet’ met ‘monte plats’. Oorspronkelijk bevond de keuken zich in het souterrain. De plattegronden van de bovenverdiepingen ontbreken in het bouwdossier.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossier 1901#1612.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Geheel van drie eclectische burgerhuizen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6394 (Geraadpleegd op 14-07-2020)