erfgoedobject

Stedelijke Jongensschool 18, Stedelijke Meisjeschool 17, en Stedelijke Kindertuin 14

bouwkundig element
ID: 6557   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6557

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historiek en context

Scholengroep in eclectische stijl, die tussen 1895 en 1905 in twee fasen werd opgetrokken door de Stad Antwerpen, naar ontwerpen van stadsbouwmeester Gustave Royers. Het geheel bestond oorspronkelijk uit een lagere meisjesschool met geïntegreerde kindertuin, een lagere jongensschool met turnzaal en een conciërgewoning, ondergebracht in parallelle bouwvolumes. Royers tekende het ontwerp begin 1895, de bouw begroot op 15 maanden werd in mei van dat jaar bij openbare aanbesteding toegewezen aan de aannemer Max. Hargot, voor een bedrag van 202.635 Belgische frank. De ingebruikname van de scholengroep volgde op 3 november 1896. Al in 1901 tekende Royers de plannen voor de uitbreiding van de scholengroep met een portierswoning, een tweede turnzaal voor de meisjesschool en een nieuwe kleuterschool, aangebouwd tegen de zuidzijde van het bestaande complex. De werken voor deze tweede fase, begroot op 12 maanden, werden in april 1904 bij openbare aanbesteding toegewezen aan de aannemer Frans Torfs, voor een bedrag van 132.800 Belgische frank. De nieuwe kindertuin opende zijn deuren in 1905.

Gustave Royers die in 1875 is dienst trad bij de stad Antwerpen, stond van 1888 tot 1907 als hoofdingenieur-directeur aan het hoofd van de dienst Werken. In die functie volgde hij Pieter Dens op als stadsbouwmeester. Tot zijn belangrijkste bouwkundige realisaties behoren de oranjerie van de Kruidtuin uit 1883, de brandweerkazerne uit 1885 aan het Kipdorp, de vismijn uit 1891 in de Scheldestraat, de Schippersbeurs uit 1894 in de Lange Nieuwstraat, de lagere school op het Stuivenbergplein en de Stedelijke Nijverheidsschool in de Rodestraat beide uit 1898, en de ambtswoning van de hoofdhavenmeester uit 1899 aan de Oudeleeuwenrui. Van historische betekenis was het aandeel van Royers in de waterbouwkundige aanleg van de Antwerpse haven tijdens zijn ambtsperiode, met het graven van het Lefebvredok, het Amerikadok, het Eerste Havendok en de bouw van de Royerssluis. Gustave Royers die in 1875 is dienst trad bij de stad Antwerpen, stond van 1888 tot 1907 als hoofdingenieur-directeur aan het hoofd van de dienst Werken. In die functie volgde hij Pieter Dens op als stadsbouwmeester. Tot zijn belangrijkste bouwkundige realisaties behoren de oranjerie van de Kruidtuin uit 1883, de brandweerkazerne uit 1885 aan het Kipdorp, de vismijn uit 1891 in de Scheldestraat, de Schippersbeurs uit 1894 in de Lange Nieuwstraat, de lagere school op het Stuivenbergplein en de Stedelijke Nijverheidsschool in de Rodestraat beide uit 1898, en de ambtswoning van de hoofdhavenmeester uit 1899 aan de Oudeleeuwenrui. Van historische betekenis was het aandeel van Royers in de waterbouwkundige aanleg van de Antwerpse haven tijdens zijn ambtsperiode, met het graven van het Lefebvredok, het Amerikadok, het Eerste Havendok en de bouw van de Royerssluis.

Architectuur

Inplanting

De scholengroep bestaat uit drie klassenvleugels met aanhorigheden die rond een onregelmatige speelplaats gegroepeerd zijn: ten oosten (straatzijde) de lagere meisjesschool en ten westen de lagere jongensschool uit 1895-1896, ten zuiden de kleuterschool uit 1905-1906. Beide turnzalen uit 1895-1896 en 1904-1905 flankeren de klassenvleugel van de meisjesschool. De conciërgewoning uit 1904-1905 sluit hier ten zuiden bij aan. Volgens het oorspronkelijke programma uit 1895-1896, telde de lagere jongensschool twaalf klassen. Via een galerij was de klassenvleugel verbonden met het inkomportaal aan de straat, waarbij de turnzaal aansloot. De driehoekige speelplaats voorzien van wc’s en urinoirs bevond zich achter de klassenvleugel, in de westelijke hoek van het terrein. De lagere meisjesschool van acht klassen en de kleuterschool van twee klassen en twee speelzalen (gelijkvloers) deelden de klassenvleugel aan de straat, met een gemeenschappelijk inkomportaal en vestibule in de middenas. De onregelmatige speelplaats tussen de jongens- en meisjesschool was door een schutting opgedeeld in een zone voor meisjes met wc’s en een zone voor kleuters. Een ondiepe, lage vleugel aan de noordzijde ervan herbergde de keuken, wasplaats en wc’s van de kleuters, en de conciërgewoning. Bij de uitbreiding van 1904-1905, werden de klassen, speelplaats, keuken en het sanitair van de kleuters geïntegreerd in de meisjesschool, die nu ook een turnzaal kreeg. Voor de kleuterschool werd een nieuwe vleugel van vier klassen en vier speelzalen opgetrokken, met in de lage aanbouw de keuken, wasplaats en wc, en aan de zuidzijde de eigen speelplaats. Ook hier verbond een galerij de klassenvleugel met het eigen inkomportaal aan de straat, waartegen de nieuwe conciërgewoning aanleunde. De oorspronkelijke scholengroep uit 1895-1896 en de uitbreiding uit 1904-1905 werden door Gustave Royers volgens een eenvormig architectuurschema ontworpen.

Opstanden en plattegronden

Het complex vormt een cluster van onderling verbonden bouwvolumes onder zadel- en platte daken, de klassenvleugels van de lagere scholen en de conciërgewoning met twee bouwlagen, de kleuterschool, turnzalen en sanitair- en keukenvleugels met één bouwlaag. De gebouwen zijn opgetrokken uit rood baksteenmetselwerk in kruisverband, met gebruik van blauwe hardsteen voor de plint, puilijst, doorgetrokken lekdrempels, vensterposten en portieken, witte natuursteen voor speklagen, sluit- en gevelstenen, en gietijzer voor de ronde verluchtingsroosters.

Het gevelfront van in totaal dertien traveeën bestaat van links naar rechts uit de conciërgewoning, het inkomportaal van de kleuterschool, de turnzaal en klassenvleugel van de meisjesschool, het inkomportaal en de turnzaal van de jongensschool. Als eenvormige pendants flankeren de inkomportalen en turnzalen volgens een repeterend schema de dubbelhuisopstand van de klassenvleugel, daar waar de opstand van de conciërgewoning afwijkt van het schema. De acht traveeën brede lijstgevel van de klassenvleugel wordt in kolossale orde geritmeerd door rechthoekige spaarvelden die het merendeel van de traveeën bundelen. De klemtoon ligt op het gedesaxeerde middenrisaliet dat wordt gemarkeerd door het inkomportaal en een klassiek hoofdgestel met het Antwerps stadswapen in de fries en een tandlijst. Het rondboogportaal is gevat in een omlijsting met pilasters, een geprofileerde booglijst, een voluutsleutel, metopen en palmtakken in de zwikken, en wordt bekroond door een entablement met de inscriptie “MEISJESSCHOOL”. Verder regelmatige registers van brede steekboogvensters met sluitsteen, in de vorm van een voluut met fronton in het risaliet. Een houten kroonlijst vormt de gevelbeëindiging.

De twee flankerende inkomportalen zijn identiek aan dat van de meisjesschool, met respectievelijk de inscripties “KINDERTUIN Nr 14” en “JONGENSSCHOOL” in het entablement. Beide turnzalen onderscheiden zich door een puntgevel op gestrekte uiteinden bekroond door een topstuk met bolornament. Geleed door de puilijst en gevat in dubbele spaarvelden met tandlijst, doorbreekt een segmentboogvenster het bovenste register. Het interieur wordt overspannen door een opengewerkte houten dakspant. De opstand van de conciërgewoning, nadrukkelijk horizontaal geleed en axiaal van opzet, wordt geopend door twee getoogde drielichten met vensterposten. Een klassiek hoofdgestel met tandfries en houten kroonlijst vormt de gevelbeëindiging; getuit dakvenster op schouderstukken, met een rondboogopening en topstuk.

De klassenvleugels van de jongens- en meisjesschool vormen rechthoekige volumes van acht traveeën en twee bouwlagen onder een zadeldak (vervangen door een plat dak voor de jongensschool. Deze van de kleuterschool is beperkt tot één bouwlaag, en telt acht traveeën aan de noordzijde en twaalf traveeën aan de zuidzijde. De opstanden aan de speelplaatsen beantwoorden aan een gelijkaardig ordonnantieschema en materiaalgebruik als het gevelfront aan de straat. Opgetrokken uit bak-, natuur- en hardsteen, worden de traveeën per twee gebundeld door rechthoekige spaarvelden met kolossale lisenen. Verder zijn zij opgebouwd uit registers van grote steekboogvensters met sluitsteen en lekdrempel; de traphal tekent zich in de oostgevel van de jongensschool af door een hoog rondboogvenster. De zuidgevel van de kleuterschool onderscheidt zich door een bundeling per drie traveeën en bovenlichten. Beglaasde ijzeren luifels beschermen de begane grond. De plattegrond wordt in de lengte opgedeeld door een centrale gang, die de klaslokalen ontsluit, en waar in de jongens- en meisjesschool ook de traphal bij aansluit. Behalve de klassen omvat de meisjesschool onder meer de portiersloge en de jongensschool het kantoor van de hoofdonderwijzer. De kleuterschool volgt een specifieke typologie met vier klassen aan de noordzijde en vier speelzalen aan de zuidzijde van de centrale gang met bovenlichten. Een lage aanbouw huisvest de keuken, wc’s, de was- en bergplaats.

  • Stadsarchief Antwerpen, dossiers MA#82523, MA#82979, 697#2493-2498, 697#3029-3032, 696#2604 en 697#3328.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2019


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Stedelijke Jongensschool 18, Stedelijke Meisjeschool 17, en Stedelijke Kindertuin 14 [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6557 (Geraadpleegd op 19-11-2019)