erfgoedobject

Twee appartementsgebouwen in art-decostijl

bouwkundig element
ID
6628
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6628

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historiek en context

Ensemble van twee appartementsgebouwen in art-decostijl op de hoek van Charlottalei en Consciencestraat, in 1928 samen ontworpen door de architect Louis Van Rijmenant. Opdrachtgevers waren ‘négociant’ Paul Rosenblum voor het hoekpand (nummer 34) genaamd “Belvédère”, en Poolse diamantair Leibus Berger voor het aanpalende gebouw (nummer 32). Leibus Berger (°Wengrow, 1885) en zijn echtgenote Esther Rachel Rothban (°Wengrow, 1884) waren in 1911 vanuit hun geboorteplaats naar Antwerpen geëmigreerd. Het gezin had twee zonen Gabryel en David, en een dochter Liba, in Polen geboren tussen 1904 en 1908. Hij deed in 1931 nogmaals beroep op Van Rijmenant voor een appartementsgebouw in de Korte Lozannastraat, maar zag uiteindelijk van dat project af.

De bouw van beide appartementsgebouwen die inclusief alle wijzigingen een viertal jaar in beslag zou nemen, van 1928 tot 1932, gaf aanleiding tot een hoogoplopend conflict tussen beide bouwheren. Oorzaak was de uitbreiding van nummer 32 met een achterbouw, een oorspronkelijk niet geplande ingreep die de toch al beperkte open ruimte aan de achterzijde van zowel nummer 34 als het aanpalende appartementsgebouw Consciencestraat 4, reduceerde tot een enge lichtschacht. Najaar 1928 ging Berger als eerste van start met de bouw van nummer 32, uitgevoerd door de aannemer Gebroeders Moons uit Borgerhout. In afwachting van de vordering van deze werf, stelde Rosenblum de bouw op zijn perceel uit tot januari 1929, uitgerekend om het impact van Berger’s complex inzake lichtinval, uitzicht en ruimtelijk gevoel te kunnen inschatten. In februari 1929, kort nadat de bouw van “Belvédère” op nummer 34 van start was gegaan, verzocht Berger het stadsbestuur om zijn bouw met een extra verdieping te mogen verhogen. Rosenblum volgde zijn voorbeeld in juli van hetzelfde jaar, zodat de uniformiteit van het ensemble gevrijwaard bleef. De volgende stap was de toevoeging van de gewraakte achterbouw door Berger op nummer 32, die ondanks protest van Rosenblum conform de stedelijke bouwvoorschriften in 1931 werd vergund tot op een hoogte van zes verdiepingen. Vervolgens voegde Rosenblum aan de achterzijde van nummer 34 extra balkons toe op de bovenste twee verdiepingen. Aanvankelijk geweigerd, werd de achterbouw van nummer 32 in 1932 uiteindelijk nog met twee bijkomende verdiepingen verhoogd. Het hoekgebouw “Belvédère”, kreeg begin jaren 1960 een extra penthouse, onzichtbaar vanaf de straat.

Het complex is representatief voor de architectuurproductie uit de late jaren 1920 van Louis Van Rijmenant, die zich destijds allicht op het hoogtepunt van zijn carrière bevond. Hij lijkt in Antwerpen actief te zijn geweest van kort na de Eerste Wereldoorlog tot begin jaren 1940. Afgezien van het aantal verdiepingen, is het appartementsgebouw Charlottalei 32 wat de opstand betreft quasi identiek aan het eveneens in 1928 ontworpen, en deels voor eigen rekening gebouwde, dubbele appartementsgebouw Perreman-Van Rijmenant aan de Jan Van Rijswijcklaan.

Architectuur

Beide appartementsgebouwen vormen een architecturale eenheid door het uniforme materiaalgebruik, en sterke overeenkomsten inzake gevelopstand en detaillering, maar zijn verder als individuele entiteiten geconcipieerd. Het gevelfront heeft een parement uit witte natuursteen met gebruik van blauwe hardsteen voor de plint en rood baksteenmetselwerk als invulling van de penanten. Kenmerkend is de plastische volumetrie met een nadrukkelijk verticale geleding vanaf de puilijst, door oplopende erkerpartijen, vensteromlijstingen en typische hoekkettingen. Het art-decokarakter komt vooral in de gevelbekroningen tot uiting, daar waar de portalen en het smeedwerk nog een latente beaux-arts-invloed verraden. Aan de inplanting op een hoekperceel ontleent dit vroege hoogbouwcomplex, dat in Antwerpen tot de meest markante appartementsgebouwen uit het interbellum behoort, zijn monumentale karakter.

Appartementsgebouw Berger (nummer 32)

Met een gevelbreedte van drie ongelijke traveeën, omvat het complex een souterrain en acht bouwlagen onder een plat dak. Asymmetrisch van opzet, horizontaal geleed door de puilijst en de kroonlijst met tandlijst, en nadrukkelijk verticaal geleed door kolossale pilasters, legt de gevelcompositie de klemtoon op het brede zijrisaliet. Dit laatste wordt gemarkeerd door het gewelfde rondboogportaal met cartouchesleutel, oplopende erkers van een ingesnoerde driezijdige vorm, en als typisch bekroning een getrapt art-deco-topstuk met doorgetrokken middenstijl, cannelures en bloemenguirlandes. Verder beantwoordt de opstand aan een regelmatig schema met vensters in oplopende omlijstingen. Het sierlijke smeedwerk van de inkomdeur en de borstweringen bleef behouden; het oorspronkelijk houten schrijnwerk is grotendeels vernieuwd.

Het appartementsgebouw heeft een U-vomige plattegrond, waarbij de in totaal acht huurflats van hoge standing telkens een volledige verdieping beslaan, ontsloten door de gemeenschappelijke inkomhal en de centraal ingeplante traphal met lift. De indeling van de appartementen op de verdiepingen is identiek en omvat volgens de bouwplannen een suite van eetkamer en woonkamer aan de straatzijde, en daarbij aansluitend aan weerszij van de hal een ontbijtkamer en een eerste slaapkamer. De rechtervleugel herbergt de badkamer en de twee overige slaapkamers; de linkervleugel biedt ruimte aan de keuken met terras. Sinds de uitbreiding van 1932 is de oorspronkelijke meidenkamer geïntegreerd in de keuken, waarbij een extra trappenhuis met lift, twee meidenkamers en een badkamer aansluiten bestemd voor het huispersoneel. Het gelijkvloerse appartement boet aan ruimte in door de inkomhal, en is beperkt tot en suite van salon en eetkamer, een keuken met meidenkamer, en twee slaapkamers met badkamer; de conciërgeloge en -woning beslaat de linkervleugel. In het souterrain beschikken de flats over een individuele kelder.

Appartementsgebouw “Belvédère” (nummer 34)

Met een gevelbreedte van zeven ongelijke traveeën, omvat het complex negen bouwlagen onder een plat dak. Asymmetrisch van opzet is de gevelcompositie opgebouwd rond de polygonale hoekpartij, die boven de daklijst is doorgetrokken onder de vorm van een belvedère met een getrapte, blinde attiek met tandlijst als bekroning. Op het rondboogportaal en de intussen gewijzigde garagepoorten na, is de begane grond opengewerkt voor een winkelpui met hoekportaal en marmeren bekleding. De bovenbouw wordt horizontaal gemarkeerd door de doorgetrokken, blinde borstweringen met rozetmotief van de balkons op de eerste en bovenste verdieping. Hoger opgetrokken erkerpartijen met attiek, twee traveeën breed rechthoekig en ingesnoerd driezijdig van vorm, bepalen het alternerende verticale ritme van de overige traveeën. Verder beantwoordt de opstand aan een regelmatig schema met registers van brede raampartijen, vensters en tweelichten in oplopende omlijstingen. Het smeedwerk van de inkomdeur, en het schijnwerk van de winkelpuien bleven behouden, in tegenstelling tot het oorspronkelijk houten schrijnwerk van de vensters, dat grotendeels werd vernieuwd.

De plattegrond beslaat nagenoeg het volledige perceel, met een winkel, garage en conciërgewoning op de begane grond. Volgens de bouwplannen telt het complex in totaal acht flats van hoge standing, ontsloten door de gemeenschappelijke inkom- en traphal met lift. Alle woon- en slaapvertrekken zijn aan de straatzijde gesitueerd, met de traphal, en dienstvertrekken aan de achterzijde bij de lichtschacht. Tot de uitrusting behoort een goederenlift en een stortkoker voor huisvuil. De zes appartementen op de derde tot en met de achtste verdieping, zijn identiek qua indeling, en bestaan uit een suite van hall, salon, woon- en eetkamer zijde Charlottalei, drie slaapkamers en een badkamer zijde Consciencestraat, de vestiaire, keuken met office en terras en twee meidenkamers achteraan. De eerste en tweede verdieping omvatten een ruime duplexflat met binnentrap, vermoedelijk bestemd voor bouwheer Paul Rosenblum, en een kleinere flat. Op het eerste niveau biedt de duplexflat ruimte aan een royale suite van hall, woon- en eetkamer, een slaapkamer met ‘en suite’ kleedkamer en badkamer, de vestiaire en de keuken met terras en office. Twee overige slaapkamers met badkamer en twee meidenkamers vormen het tweede niveau. De flat die de rest van de tweede verdieping inneemt heeft een gelijkaardige indeling als de hogere verdiepingen, met slechts één slaapkamer en één meidenkamer. Ondergronds beschikken de appartementen over een individuele kelder.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1928#30215, 1929#32670, 1930#36969, 1931#38915, 1931#39764, 1931#40706, 1932#41224 en 1932#41469 (nummer 32), 1928#30214, 1929#34180 en 1931#40738 (nummer 34); foto’s GP#4704 en FOTO-OF#5362; vreemdelingendossiers 481#140926 en 968#13975.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Twee appartementsgebouwen in art-decostijl [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/6628 (Geraadpleegd op 10-05-2021)