Villa in naoorlogs modernisme

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Antwerpen
Straat Della Faillelaan
Locatie Della Faillelaan 54, Antwerpen (Antwerpen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Actualisatie Antwerpen (actualisaties: 05-01-2006 - 05-01-2007).
  • Adrescontrole Antwerpen (adrescontroles: 23-07-2007 - 23-07-2007).
  • Herinventarisatie Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" (Antwerpen) (inventarisatie: 01-01-2013 - 31-12-2014).
  • Inventarisatie Antwerpen (geografische inventarisatie: 01-01-1976 - 31-12-1992).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Villa in naoorlogs modernisme

Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019.

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Villa in naoorlogs modernisme

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Villa in naoorlogs modernisme naar een ontwerp door de architect Georges Baines uit 1965, gebouwd in opdracht van zijn schoonbroer Jean Reypens.

Historiek en context

Jean Reypens was gehuwd met Michèle Neefs, jongste zus van Baines echtgenote Anne, een echtpaar met vier kinderen. Beheerder van een plantage in Congo, keerde hij na de onafhankelijkheid in 1960 naar België terug. In een uitgestrekt natuurgebied te Molenbeersel, vandaag een deelgemeente van Kinrooi op de grens van Belgisch en Nederlands Limburg, had Reypens in 1961 door Baines al een eerste landhuis laten bouwen. Het opmerkelijke gebouw van Scandinavische allure was ontworpen als een soort belvedère, ingeplant op het hoogste punt van het domein, met een weids uitzicht op het omringende landschap. Omdat het gezin in Molenbeersel naar verluidt niet kon aarden, gaf Reypens al na vier jaar opnieuw opdracht aan schoonbroer Baines om een villa te ontwerpen, ditmaal op een perceel aan de Della Faillelaan te Antwerpen, vlakbij de woning van zijn schoonouders Raymond en Marie-Thérèse Neefs-Stilmant, en naast het perceel waar een andere schoonbroer Freddy Saeys op hetzelfde moment door de architect een villa liet optrekken. Na het verkrijgen van de bouwvergunning in september 1965, gingen de werken in mei 1966 van start, om in juli 1967 te worden voltooid. Aannemer was het Algemeen Bouwbedrijf K. Schoeters uit Reet; ingenieur L. Schram stond in voor de betonberekening.

Waar de eerste woning Reypens te Molenbeersel in 1963 al een Vierde Vermelding had gekregen, werd de tweede woning Reypens te Antwerpen in 1968 daadwerkelijk bekroond met de Prijs Van de Ven. De jury van deze editie, samengesteld uit de architecten Jean-Pierre Blondel, Walter Bresseleers, André Constant, Eugène Delatte, Henri Doyen en Robert Courtois, kende slechts aan twee van de in totaal 52 inzendingen een onderscheiding toe: de woning Reypens en het kantoorgebouw Glaverbel te Watermaal-Bosvoorde door de architecten Renaat Braem, André Jacqmain, Pierre Guillissen en Victor Mulpas. Tot de niet weerhouden projecten behoorden de architectenwoning Jean Van den Bogaerde in Sint-Martens-Latem, en de Modelwijk op de Heizel te Brussel door Braem, Victor Coolens, L’Equerre, René Panis, Groupe Structures en Jean Van Doosselaere. In het juryverslag wordt vooral de tijdloze eenvoud van de woning Reypens geroemd: “D'un programme courant d’habitation, l’architecte Baines a su créer une oeuvre juste, simple et humaine, ne sacrifiant nullement à la mode ni aux poncifs de ce temps. Il construit pour l’homme avec un noble esprit d’économie. Il ne se veut pas, mais il est architecte, nous donnant ainsi une belle leçon de modestie. Cette maison plaît par la rigueur de son plan qui n’exclut cependant pas la souplesse d’occupation.

De woning Reypens behoort nog tot het vroege oeuvre van Georges Baines, die na het beëindigen van zijn architectuurstudies in 1950 een jaar stage liep op het bureau van de architect Léon Stynen, en vervolgens tot 1956 naast zijn zelfstandige praktijk in dienst werkte van de architecten Karel Van Riel en Jos Smolderen. Aan het begin van zijn loopbaan vroeg in de jaren 1950, liet de architect zich opmerken met landhuizen in een sobere, regionaal getinte vormgeving ontleend aan contemporaine Scandinavische voorbeelden. Baines had de Deense moderne architectuur van met name Arne Jacobsen al in een vroeg stadium ontdekt, tijdens een vakantie die hij in 1946 doorbracht bij zijn vader, de zuivelhandelaar Freddy Baines, toen tijdelijk gevestigd in Hellerup nabij Kopenhagen. Uit deze invloedssfeer, die hij van nabij zou blijven volgen, ontwikkelde zich in de loop van de jaren 1960 een elementaire, eigentijdse architectuur, in overeenstemming met de specifieke eigenschappen van de plek en de persoonlijkheid van de opdrachtgevers. Tot deze fase behoren zes van de niet minder dan negen landhuizen die Baines in de Nieuwe Parkwijk "Den Brandt" tot stand bracht. Behalve de woning Reypens, gaat het om de verdwenen, veeleer conventionele woning Lefebvre aan de Acacialaan (voorheen nummer 55) uit 1955, de woning Jack Baines die hij in 1955-1956 in opdracht van zijn broer ontwierp, en de woning Scraeyen uit 1960, beide naast elkaar gelegen aan de Della Faillelaan, de vandaag sterk verbouwde, L-vormige woning Cornet uit 1963 op de hoek van de Acacialaan (nummer 57) en de Pastoor de Conincklaan, en de reeds vermelde woning Saeys uit 1965, palend aan de woning Reypens. Naar het einde van de jaren 1960 tekende zich in Baines landhuisbouw een brutalistische neiging af om de architectonische vorm plastisch te differentiëren in expressieve geledingen, als veruitwendiging van de complexiteit en de dynamiek van de plattegrond. Deze woningen manifesteren zich als clusters van geïndividualiseerde bouwvolumes met een eigen bedaking, die het vernaculaire beeld oproepen van een spontaan gegroeide nederzetting, volgens het idee van het huis als een kleine stad. Tot deze fase behoren de tweede woning Jack Baines uit 1968 aan de Vijverlaan, de woning Van Goethem uit 1969 en de villa Klein uit 1971, beide gelegen aan de Acacialaan.

Architectuur

In zijn vroege landhuizen streeft Georges Baines naar een eigentijdse woningtypologie, met een evenwichtige relatie tussen de ruimten bestemd voor het gemeenschappelijke gezinsleven en deze die aan de privésfeer van de individuele gezinsleden beantwoorden. Daarbij ontwikkelt hij twee basistypes waarvan het ene de twee componenten onderling gearticuleerd in één bouwlichaam incorporeert, en het andere vertrekt van twee onderscheiden, onderling gekoppelde bouwvolumes. Binnen de context van Baines oeuvre vormt de woning Reypens, met zijn zuiver prismatische volume en axiale structuur, het sluitstuk van deze evolutie. De haast palladiaanse allure van het gebouw lijkt ook af te rekenen met het regionalistisch geïnspireerde modernisme van zijn vroegere villa’s, gekenmerkt door langgerekte of complexe plattegronden, onder een zadeldak met flauwe helling. Vergelijking van de twee woningen Reypens te Molenbeersel en Antwerpen wijst in dit verband een fundamenteel verschil uit. Waar de laatste zich met een T-vormige plattegrond in drie richtingen zo breed mogelijk uitstrekt om de weidsheid van het omringende landschap maximaal te capteren, lijkt de tweede zich binnen de besloten, stedelijke verkavelingscontext in een centrifugale dynamiek op zichzelf terug te plooien. Elementair en compact van volumetrie, in een sobere, abstracte vormgeving, ontwierp Baines een uiterst eenvoudig, vrij invulbaar plan, om het gezin een maximum aan vrijheid te bieden in de organisatie van zijn woning. De enige vaste en dragende elementen zijn de buitenmuren die het vierkant vormen, en het holle muurmassief rond de spiltrap exact in de kern. De ruimten rond de centrale trap kunnen gelijkvloers door middel van schuifwanden naar believen worden gecompartimenteerd of tot een doorlopend geheel gemaakt. Inkijk vanaf de straat en wind uit ongunstige richtingen worden zorgvuldig afgeschermd door vrijstaande wandmassieven, die aanvullend op de woning buitenruimtes afzonderen en overgangszones creëren tussen exterieur en interieur, publiek en privédomein.

Vrijstaand ingeplant op een vierkante plattegrond van 11m43 zijde, en noord-zuid georiënteerd, omvat het gebouw twee bouwlagen onder een tentdak met flauwe helling. Traditioneel van opbouw bestaat de constructie uit dragende muren, met vloerplaten van gewapend beton. Voor het gevelparement is wit geschilderd baksteenmetselwerk in halfsteens verband toegepast, met gebruik van eterniet voor de bekleding van lateien en kroonlijst, tropisch hardhout (afzelia) voor het schrijnwerk en natuurleien als dakbedekking. Een door kolommen gedragen luifel, die doorloopt over de patio van de keuken, beschermt het inkomportaal, dat in de middenas de verder nagenoeg blinde voorgevel doorbreekt. De tuin- en zijgevels zijn opgebouwd uit een alternerend ritme van blinde wandmassieven en grote raampartijen van vloer tot plafond, op één na doorlopend over de twee niveaus, met een omlopende kroonlijst in het vlak van de muur als beëindiging. Net als het terras en de keukenpatio, wordt de oprit en de garage die zich achteraan op het perceel bevindt, aan het zicht onttrokken door een stelsel van twee parallelle wanden met doorgang. Het perceel werd oorspronkelijk afgeschermd door een haag van bruine beuk aan de straatzijde, en een rij appelaars op de oostelijke perceelsgrens, naar verluidt een restant van een oude boomgaard.

Volgens de bouwplannen is de plattegrond georganiseerd rond een centrale kern met spiltrap. Aan de noordzijde, in de as van de trap, is een inkomsas afgebakend waarbij de vestiaire met toilet aansluit. Voorst vormt de begane grond een doorlopende ruimte, in functionele zones ingedeeld door vrijstaande kastenwanden, en verder te compartimenteren via schuifwanden. In wijzerzin nemen de keuken, eetplaats en speelruimte de oostelijke helft in, de woonkamer met open haard en de kantoorhoek de westelijke helft. Bij de keuken sluit een half overdekte buitenpatio met een vaste betonnen tafel aan; de speelruimte en woonkamer staan via glaspuien in verbinding met het zuidelijk georiënteerde terras en de tuin. Op de verdieping beslaat de suite van de ouderslaapkamer met dressing en badkamer over de volledige breedte de zuidzijde. Drie kinderkamers, en een tweede badkamer zijn rond de drie overige zijden van de trap gegroepeerd, met een overloop die ook dienst doet als berg- en naaikamer. Het interieur werd oorspronkelijk gekenmerkt door wanden in wit geschilderd baksteenmetselwerk, met een tegelvloer en een houten zoldering op de begane grond, vasttapijt en een zoldering uit zichtbeton op de verdieping. Waar een kastenwand met doorgeefluik de keuken afscheidde van de eetplaats, schermde een kastenwand met pivoterend televisietoestel de speelruimte af van de woonkamer. Opvallende elementen zijn verder de stalen spiltrap met treden uit afzeliahout, en de elementaire open haard uit beton. Begin jaren 1980 werd de keukenpatio vermoedelijk gedicht tot veranda.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 18#47987 en 18#48949.
  • S.n. 1968: Habitation à Anvers 54, della Faillelaan, La Maison 24.3, 128-130.
  • DELATTE E. 1968: Le Concours 1968, La Maison 24.5, 216-238.
  • STRAUVEN F. 2006: Op zoek naar een eigentijdse vorm voor het particuliere wonen, in FRAMPTON K., STRAUVEN F., GÜBLER J. & VERPOEST L., Georges Baines, Gent, 12-49.

Bron: -

Auteurs: Braeken, Jo

Datum tekst: 2014

Alle teksten

Relaties

maakt deel uit van Della Faillelaan

Della Faillelaan (Antwerpen)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.