erfgoedobject

Directeurswoning Keller

bouwkundig element
ID
70369
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/70369

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als beschermd monument Directeurswoning Keller
    Deze bescherming is geldig sinds 10-05-2019

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Herenhuis
    Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009

  • is aangeduid als beschermd monument Directeurswoning Keller
    Deze bescherming was geldig van 12-10-2018 tot 10-05-2019

Beschrijving

De directeurswoning Keller is een monumentale directeurswoning in neoclassicistische stijl, die in haar huidig voorkomen tot stand kwam na de aanzienlijke aanpassingswerken die de industrieel Charles-Joseph Keller (1856-1929) in 1905 liet uitvoeren aan een bestaande stadswoning uit 1873. Charles-Joseph Keller stond vanaf 1892 aan het hoofd van de vestiging van de Frans-Belgische maatschappij ‘Société Belge des Explosifs Favier’ in Vilvoorde. In zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van de kruitfabriek in Vilvoorde kocht Keller in 1893 een ruime stadswoning in de d’Aubreméstraat. De woning bevond zich aan één van de hoofdassen van de nieuwe stationswijk, die vanaf 1872 aangelegd werd op de voormalige terreinen van het landgoed d’Aubremé. In 1905 liet Keller belangrijke werken uitvoeren aan de bestaande herenwoning naar de ontwerpplannen van architect A. Rombaut. De plannen bij de bouwaanvraag tonen aan dat de geplande verbeteringswerken betrekking hadden op zowel het interieur als het exterieur. Aan weerszijden van het hoofdvolume werd een zijtravee toegevoegd, waarbij ruimte voorzien werd voor een nieuwe inkompartij met vestibule en een ruime traphal. In de gevelbrede uitbouw achterin voorzag Rombaut een monumentale ontvangstruimte, die hij op de plannen aanduidde als grand hall. In de ruimtes op de gelijkvloerse verdieping aan de straatzijde werd een ruime wachtkamer en bureau ondergebracht. Door de uitbreidingswerken werd de gevelbreedte van de lijstgevel op zeven traveeën gebracht. De voormalige directeurswoning Keller is een representatieve en herkenbare directeurswoning in stedelijke context met een bijzonder kwaliteitsvolle neoclassicistische afwerking, zowel wat betreft exterieur als interieur.

Historiek en context

De directeurswoning Keller werd opgetrokken aan één van de hoofdwegen van de nieuwe stationswijk in Vilvoorde. Deze werd vanaf 1871 aangelegd door de familie Dumonceau-Zaman op aansturen van de industrieel Joseph Emmanuel Zaman (1812-1894) op de voormalige gronden van hun landgoed d’Aubremé. De aanleg van de wijk geldt als één van eerste initiatieven inzake gecoördineerde stadsplanning in de Zennestad. Het oorspronkelijke stedenbouwkundig ontwerp voorzag in een uitgebreid orthogonaal stratennet met elf nieuwe straten rond een centraal plein of plantsoen. De plannen werden verschillende malen bijgesteld. Ondanks de moeizame doorstart en overname van het ontwikkelingsproject door de ‘Société anonyme du Nouveau Quartier de Vilvorde’ werd de wijkaanleg rond de eeuwwisseling in een sterk versoberde versie voltooid door de Stad Vilvoorde.

In de onafgewerkte woonwijk in de stationsbuurt liet notaris François Vander Burght in 1873 als één van de eerste een ruime stadswoning bouwen. Slechts een tweetal straten waren op dat ogenblik genivelleerd en deels geplaveid: de hoofdas parallel met de spoorwegbedding en het station (de huidige Benoît Hanssenslaan) en de verbindingsweg tussen het centrum en het station in het verlengde van de Leuvensestraat (de huidige d’Aubreméstraat). Enkel in deze straat waren tegen 1873 al een aantal woonhuizen opgetrokken, waaronder het Hôtel du Nouveau Quartier recht tegenover het oude station. Notaris Vander Burght verwierf aan dit tracé een ruim en diep perceel dat volgens het oorspronkelijke stedenbouwkundig ontwerp van 1872-1874 tussen de d’Aubreméstraat en het nooit gerealiseerde stadsplantsoen zou liggen. Het bouwperceel werd op dat ogenblik dwars doormidden gesneden door de overwelfde Woluwe-stroom. Vander Burght liet er een ruime, halfvrijstaande stadswoning bouwen. De bronnen over de eerste bouwfase van de woning Vander Burght uit 1873 zijn schaars. De woning werd dat jaar kadastraal geregistreerd als belastbaar volume in eigendom van de notaris. Vander Burght was als plaatselijke notabele geen onbekende voor de erfgenamen d’Aubremé en zou in 1875 de verkoopakte voor de overdracht van hun terreinen aan de ‘Société du nouveau quartier de Vilvorde’ verlijden.

In 1889 verkocht notaris François Vander Burcht het goed aan een zekere Guillielmus Josephus Nelis uit Brussel, die de stadswoning in 1893 opnieuw doorverkocht aan Charles-Joseph Keller (1856-1929). Deze industrieel afkomstig uit Libin-Bas in Luxemburg was sedert 1892 aangesteld als gedelegeerd bestuurder van de ‘Société Belge des Explosifs Favier’ en leidde in die hoedanigheid de kruitfabriek in Vilvoorde. De fabriek werd in 1887 opgericht in de industriële zone aan het kanaal Brussel-Antwerpen en legde zich toe op de productie van springstoffen bestemd voor de Belgische steengroeven. Voor zijn benoeming als gedelegeerd bestuurder van de Frans-Belgische maatschappij was hij van bij de oprichting reeds actief als operationeel directeur in de kruitfabriek. Als fabrieksdirecteur en ondernemer kwam hij tevens op voor de Liberale Partij en zetelde hij van 1895 tot 1907 in de gemeenteraad. Daarnaast maakte hij deel uit van de administratieve beheerraad voor het middelbaar staatsonderwijs voor jongens in Vilvoorde. Hij overleed op 30 april 1929 en ligt begraven in de familiekelder op de stedelijke begraafplaats. Keller trad in 1885 in het huwelijk met Jeanne Marie Julie Carez (1859-1894) met wie hij twee dochters had.

In 1905 liet Keller belangrijke uitbreidingswerken uitvoeren aan de herenwoning in de d’Aubreméstraat. Op 22 maart 1905 stelde de stedenbouwkundig ambtenaar vast dat op het eigendom funderingswerken in uitvoer waren voor een ruime uitbouw achter de woning, zonder dat hiertoe de vereiste toelatingen aangevraagd waren. Keller diende pas op 3 april de bouwaanvraag in en bezorgde het stadsbestuur naderhand vijf bouwplannen met grondplannen, opstanden en een doorsnede van de hand van architect A. Rombaut. Deze tonen aan dat Keller het bouwvolume van de herenwoning wenste te verdubbelen. De plannen voorzagen in twee nieuwe zijtraveeën en een ruime uitbouw achter de woning. In de oostelijke zijtravee diende op het gelijkvloers een nieuwe inkompartij met vestibule te komen, terwijl de rechtertravee voorzien was voor een traphal en secundaire ruimtes. De originele plannen tonen aan dat zowel de grote vestibule als de traphal zenitaal verlicht werden door middel van een lichtkoepel. In de gevelbrede uitbouw achterin voorzag Rombaut een grote representatieve ontvangstruimte die op de plannen als grand hall aangeduid werd. Boven op dit zuidelijk georiënteerde volume kwam een dakterras.

Op 19 juli verzocht Keller het stadsbestuur om de riolering van de woning op het stedelijk net aan te sluiten, wat aantoont dat de bouwwerkzaamheden in de zomermaanden reeds ver gevorderd waren.

Uit het bouwdossier dat in het Stadsarchief van Vilvoorde bewaard wordt blijkt eveneens dat Keller werken liet uitvoeren aan de tuin, vermits een grote hoeveelheid aarde voorlopig gestockeerd werd in de achterliggende Woluwestraat (huidige Etienne Blondiaustraat). De aanvraag is echter niet vergezeld van een tuinontwerp.

In het voorjaar van 1906 diende Keller een tweede bouwaanvraag in voor de vervanging van de inrijpoort ter hoogte van de Woluwestraat door een smeedijzeren hek. Het ontwerp van A. Rombaut voorzag een klassieke dubbele smeedijzeren poort tussen bepleisterde hekpijlers op een hardstenen sokkel. De poort diende vermoedelijk in de bestaande tuinmuur langsheen de Harmoniestraat (huidige Xavier Buissetstraat) en de Woluwestraat (huidige Etienne Blondieaustraat) ingepast te worden. In datzelfde jaar werd een tweede aanvraag ingediend om de tuinmuur 25 centimeter op te hogen en met de betondallen af te dekken. De bepleisterde tuinmuur met inrijpoort en hekwerk bleef gezien de opeenvolgende perceelswijzigingen ter hoogte van de Etienne Blondieaustraat niet bewaard.

Charles-Joseph Keller bewoonde de luisterrijke directeurswoning in de d’Aubreméstraat tot aan zijn dood in 1929. Op het adres woonden eveneens Adonis Harvengt, toezichthouder van de kruitfabriek, Joséphine Houwer, gouvernante bij de familie Keller-Carez, en Eugène Vande Putte, conciërge. De statige herenwoning werd tot de meest vooraanstaande directeurswoningen van Vilvoorde gerekend. Reeds voor de uitbreidingswerken in 1905 liet Keller een private telefoon- en telegraaflijn aanleggen tussen zijn eigenwoning en de kruitfabriek aan de Brusselsesteenweg (huidige Steenkaai), dit over een afstand van ongeveer 2 kilometer. Het betrof één van de eerste woningen in Vilvoorde die met deze moderne infrastructuur uitgerust werd. Op 21 oktober 1929 werd de woning overgedragen aan zijn twee schoonzonen, Félix De Bontridder-Keller en Alfons Montangie-Keller. Deze stelden het pand in 1931 te koop. In 1934 kwam het goed na toewijzing in handen van de familie Van Opstal. De familie Van Opstal-Galema waren de laatste bewoners van de ruime stadswoning. In 1957 legde de Belgische Staat beslag op het eigendom na een gerechtelijke beslissing en werd het pand omgevormd tot kantoren.

Beschrijving

Voorgevel

De directeurswoning Keller is een neoclassicistisch herenhuis van twee bouwlagen en zes traveeën. De bepleisterde lijstgevel werd symmetrisch opgebouwd en wordt geritmeerd door een centraal hoofdvolume van vier traveeën dat aan weerszijden geflankeerd wordt door een verbrede zijtravee. Het hoofdvolume is hoger opgevat en bevindt zich onder een leien mansarde- en schilddak (nok haaks op de straat). Het hoofdgestel van het centraal volume is afgewerkt met een houten geprofileerde kroonlijst met tandlijst boven een blinde fries voorzien van steigergaten. De twee zijtraveeën bevinden zich onder een laag zinken schilddak dat niet zichtbaar is van op de straat. Het hoofdgestel is afgewerkt met hardstenen dekstenen rustend op consoles. Het gevelvlak van het centrale hoofdvolume wordt geaccentueerd door een suprapositie van geblokte pilasters en een twee traveeën tellend middenrisaliet waarvan de penanten voorzien zijn van imitatievoegen. Ter hoogte van de tweede bouwlaag is het middenrisaliet voorzien van een balusterbalkon op zware voluutconsoles. Dit balkon was voordien uitgerust met een natuurstenen balustrade voorzien van hardstenen balusters tussen de postamenten. Deze werd in het verleden echter verwijderd en vervangen door een fijne metalen leuning. De linker zijtravee is opgevat als poorttravee. Deze is voorzien van een rechthoekige dubbele vleugeldeur met rondbogig bovenlicht onder een geprofileerde waterlijst op imposten met sluitsteen. De bepleisterde lijstgevel wordt horizontaal belijnd door middel van een plint en kordonvormende lekdrempels in blauwe hardsteen. Ook het met imitatievoegen geaccentueerde middenrisaliet, de geblokte pilasters en overkragende kroonlijst versterken het horizontale karakter van de gevelcompositie. Het gevelvlak is opengewerkt met rechthoekige vensters die gevat zijn in geriemde omlijstingen met oren. De vensterpartijen op de bovenverdieping zijn voorzien van een hardstenen borstwering met balusters, met uitzondering van de vensterdeuren in het middenrisaliet. Deze zijn bovenaan voorzien van een bekronend fronton op consoles in neoclassicistische stijl. Het schrijnwerk van de vensters werd overal vernieuwd, waarbij de originele structuur van de T-ramen evenwel gerespecteerd werd. In de hardstenen plint steken vijf rechthoekige keldervensters voorzien van diefijzers. In de penanten van de zijtraveeën en het bepleisterd vlak boven de hardstenen plint van het middenrisaliet steken originele verluchtingsroosters.

Zijgevels en achtergevel

De zichtbare gedeelten van de zijgevels ter hoogte van het hoofdvolume zijn vlak afgewerkt, onder een geprofileerde kroonlijst. In de blinde bepleisterde fries van het hoofdgestel bevinden zich de originele steigergaten afgedekt met eenvoudige koppen.

De achtergevel is eenvoudiger van uitzicht en telt vijf traveeën en twee bouwlagen. Aan zuidelijke zijde bevindt zich een gevelbrede uitbouw van één bouwlaag onder plat dak met centrale ingang. Deze wordt voorafgegaan door een hardstenen steektrap met balusterleuning. Het bepleisterde gevelvlak van de uitbouw wordt geritmeerd door vier pilasters. De gevel is opengewerkt met rechthoekige vensters in hardstenen omlijstingen. In het centrale gevelvlak van de uitbouw bevindt zich de ingang geflankeerd door twee rechthoekige vensters. Bovenaan de penanten sluiten de originele smeedijzeren dragers van de glazen luifel op het muurvlak aan. De kapstructuur werd in het verleden vernieuwd en vervangen door golfplaten op houten liggers. De uitbouw is voorzien van een bekronende borstwering met hardstenen postamenten en dekstenen. Oorspronkelijk was deze volledig uitgewerkt in blauwe hardsteen en voorzien van balusters. De balusters werden in het verleden verwijderd en vervangen door een blind bepleisterd vlak. In de hardstenen plint steken zes rechthoekige keldervensters voorzien van smeedijzeren diefijzers en verschillende originele verluchtingsroosters. Onder de uitwaaierende steektrap bevindt zich half-ondergronds een buitendeur die toegang geeft tot de kelderverdieping. Deze is toegankelijk via twee diensttrappen aan weerszijden van het verlaagd bordes. Het buitenschrijnwerk werd overal vernieuwd.

Het bepleisterde gevelvlak is ter hoogte van de tweede bouwlaag opengewerkt met vijf getoogde venstersn. Zowel in de twee zijtraveeën, als in het hoofdvolume steekt een deurvenster dat toegang verschaft tot het dakterras boven de uitbouw. De vlak bepleisterde gevel is afgewerkt met een blinde fries met steigergaten en uitkragende daklijst.

Koetshuis

Aan zuidoostelijke zijde van de achterliggende koer bevindt zich het voormalige koetshuis van de directeurswoning. Het betreft een eenvoudig bakstenen volume onder een schilddak gelegd met pannen. De gevel werd sober uitgewerkt en is onderaan voorzien van een gecementeerde plint. In de eerste bouwlaag steekt een eenvoudig rechthoekige vensteropening. Ter hoogte van de tweede bouwlaag bevindt zich een dubbele paneeldeur die vermoedelijk dienst deed als laaddeur en twee smalle rondbogige vensteropeningen.

Interieur

Ondanks de huidige kantoorfunctie bleef het interieur met rijk uitgewerkte stucplafonds, marmeren schouwmantels, mozaïekvloeren en glasramen vrij gaaf bewaard. De originele planindeling bleef nagenoeg volledig behouden, waardoor de strikte afbakening en scheiding tussen privé- en werksfeer nog duidelijk afleesbaar is. In de voormalige directeurswoning werden de professionele ruimtes aan de straatzijde ondergebracht, terwijl de privé- en ontvangstvertrekken zich aan de tuinzijde situeerden. De centrale gang op het gelijkvloers functioneerde als duidelijke scheiding tussen beide sferen. In de schikking van de ontvangstruimtes werd een graduele opbouw nagestreefd, waarbij de twee voornaamste vertrekken, de rookkamer en de grote hal, in enfilade naar een soort ruimtelijk crescendo toewerken.  In het linkerzijtravee bevindt zich de inkompartij, uitgewerkt in neoclassicistische stijl met marmeren steektrap en lage lambrisering van marmeren platen. Deze geeft uit op de grote vestibule. Ter hoogte van de overloop met mozaïekvloer bevindt zich aan westelijke zijde de centrale gang die uitgeeft op de trappenhal. Aan de straatzijde bevinden zich de voormalige wachtkamer en het bureau. In beide ruimtes bleven de rijkelijk vormgegeven paneeldeuren en stucplafonds bewaard. Aan de zuidelijke zijde van de centrale gang bevindt zich de voormalige tabagie of rookkamer en de office. Deze centrale ontvangstruimte is rijkelijk aangekleed in neo-Lodewijk XVI-stijl met decoratief uitgewerkte stucplafonds met plafondrozetten in hoogreliëf en is voorzien van een monumentale schouwmantel in een lichte Franse zandsteen. De zuidelijke beglaasde wand van de rookkamer met segmentbogige vleugeldeuren is decoratief uitgewerkt met gebrandschilderde glas-in-loodpanelen waarop musicerende putti, bloemen en rocailles afgebeeld staan. De rookkamer geeft aan deze zijde uit op de grote hal of grand hall. Deze open ruimte in de uitbouw aan de tuinzijde deed vermoedelijk dienst als wintertuin en wordt zenitaal verlicht door twee lichtkoepels in glas in lood. In het verleden werd deze ruimte opgedeeld in afzonderlijke compartimenten, waarbij de lichtkoepels en neo-Lodewijk XVI-getinte stucplafonds evenwel bewaard bleven. Aan de zuidoostelijke zijde bevindt zich nog de monumentale schouwmantel met bas-reliëf waarop de mythologische figuren Hercules en Hebe afgebeeld staan. In de westelijke zijtravee van de woning bevindt zich de traphal met rijk uitgewerkte houten bordestrap. De ruimte wordt zenitaal verlicht door een decoratief uitgewerkte lichtkoepel in glas in lood.

De eerste verdieping van het woonhuis kent een gelijkaardige indeling als het gelijkvloers. De hoofdtrap die zich centraal in de rechter zijtravee bevindt geeft uit op een overloop met twee deuren. Aan zuidoostelijke zijde bevindt zich een centrale gang die de verschillende ruimtes met elkaar in verbinding stelt. Aan de straatzijde (noorden) werden drie kamers en een naaikamer ondergebracht en aan de tuinzijde (zuiden) drie kamers en een badkamer. Deze werden in het verleden ingericht als bureaus en opslagruimte. Door de wijzigingen aan de binneninrichting ingevolge de kantoorfunctie bleef op de eerste verdieping slechts een beperkt aandeel van de historische interieurafwerking bewaard. In alle kamers werden de originele schouwmantels ontmanteld en werden vloeren en wanden vernieuwd.

  • Algemeen Rijksarchief van België, Archief van het Ministerie van Openbare Werken, Bestuur der gemeentewegen (1836-1951), Koninklijke Besluiten betreffende de toelagen voor werken aan buurtwegen en saneringswerken via buitengewone kredieten (1856-1886), 224-235.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale legger Vilvoorde, artikel 77; artikel 2034; artikel 2719; artikel 2887; artikel 181; artikel 504; artikel 234; artikel 1783.
  • Stadsarchief Vilvoorde, Bouwaanvraag Keller, d’Aubreméstraat, uitvoeren veranderingswerken (1905), CI. 6 2838/33.
  • Stadsarchief Vilvoorde, Bouwaanvraag Keller, d’Aubreméstraat, vervangen van een poort door een hekwerk (1906), CI. 6 2868/5.
  • Stadsarchief Vilvoorde, Bouwaanvraag Keller, Harmoniestraat en Woluwestraat, verhogen van een tuinmuur (1906), CI. 6 2868/5.
  • Stadsarchief Vilvoorde, Nouveau Quartier de Vilvorde [circa 1872-1892], CL. 33 64-831– Nouveau Quartier (1891-1902), CL. 29 2466/8 2466/11; 2466/17; 2466/30; 2466/35.
  • Rijksarchief Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Archief Provinciebestuur Brabant, Dienst 12 Stadswegenis, 1776 (Vilvoorde), Nouveau quartier près de la station (1872-1892).
  • S.N. 2016: Het industrieel verleden tussen de Zenne en het Kanaal in Vilvoorde: de kruitfabriek, Vilvoorde, 137
  • CALDERON A. 2000: Bedrijven en werkgelegenheid gedurende de 20ste eeuw in Vilvoorde 1894-1994, Vilvoorde, 2 volumes.
  • JACQUEMAIN E. 2013: Joseph Zaman, un personnage mythique du 19e siècle, Bulletin de Liaison ECHARP, 67, 63-74
  • NAUWELAERS J. 1950: Histoire de la Ville de Vilvorde, Kortrijk, 2 volumes.
  • VAN DRIESSCHE B. 1981: Het nieuwe kwartier te Vilvoorde, Jaarboek van de Heemkundige Kring Hertog Hendrik I te Vilvoorde, 70.
  • VERHEYDEN A. 1979: Vilvoorde in oude prentkaarten, Zaltbommel, 2 volumes.
  • WAUTERS A. 1855: Histoire des environs de Bruxelles, Brussel, 4 volumes.

Bron     : Onroerend Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier 4.001/23088/105.1, Directeurswoning Keller in Vilvoorde (PEVERNAGIE T., 2018).
Auteurs :  Pevernagie, Thomas
Datum  : 2019


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Directeurswoning Keller [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/70369 (Geraadpleegd op 15-04-2021)