erfgoedobject

Hotel Good-Engels

bouwkundig element
ID: 7056   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7056

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Hotel Good-Engels
    Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019

Beschrijving

Herenhuis in neorégencestijl gebouwd in opdracht van Charles Good, naar een ontwerp door de architect Joseph Hertogs uit 1896.

Historiek en context

Charles Good (1860-1929) was de enige zoon van koopman, reder en verzekeraar William Good (1819-1879) en diens echtgenote Hannah Nathanson (1823-1885), die zich midden 19de eeuw vanuit hun geboorteland Denemarken in Antwerpen hadden gevestigd. Hij huwde met Johanna Hortensia Engels (1860-1925), dochter van Theodoor Engels (1819-1887), een reder van Nederlandse oorsprong die in 1856 de maritieme verzekeringsmaatschappij Lloyd belge had opgericht. Met zijn van oorsprong Duitse schoonbroer Frédéric Speth (1851-1920) richtte Charles Good in 1891 de Société Anonyme pour l’Importation des Huiles de Graissage op, die vanaf 1908 belangrijke installaties uitbouwde in de petroleumhaven op het Zuid. Uit de fusie van een viertal dochterondernemingen ontstond in 1901 de Société Anonyme d’Armement, d’Industrie et de Commerce. Beide maatschappijen zouden in 1933 fusioneren tot de Belgian Gulf Oil Company. Good, bijgenaamd ‘roi du pétrole’, ook actief in maritiem transport en verzekeringen, en als beheerder in het bankwezen en de energiesector, zetelde sinds 1901 als rechter aan de Handelsrechtbank, en engageerde zich met zijn echtgenote in de liefdadigheid. Door hun kinderen werd in 1933 de kinderkribbe, later het kinderziekenhuis Good-Engels opgericht.

Het hotel Good-Engels werd opgetrokken op een perceel dat oorspronkelijk tot de Harmoniestraat reikte, en voortkwam uit de opsplitsing van het eigendom Gustave Kreglinger in 1893. Na de voltooiing van zijn herenhuis, liet Charles Good tussen 1899 en 1911 door Joseph Hertogs nog meerdere werken uitvoeren op het domein, zoals de bouw van het nog bewaarde koetshuis in 1901 zijde Harmoniestraat, van de verdwenen tuinbank met pergola in beaux-artsstijl in 1909, en het pittoreske paviljoen in ‘ciment rustique’ voor het tennisveld in 1911. Tegenover zijn eigendom in de Harmoniestraat realiseerde Good in 1903 een vastgoedproject bestaande uit een hotel en vier villa’s in art-nouveaustijl, naar een ontwerp door de architecten Jean Baptiste en Emile Vereecken.

Na het overlijden van Charles Good in het bezit van de familie gebleven, werd het hotel Good-Engels tussen 1940 en 1944 met de aanpalende hotels opgeëist door de Duitse bezetter. De Provincie Antwerpen, die hier in 1945 na de gedeeltelijke verwoesting van het gouvernementshotel op de Schoenmarkt, het kabinet van de gouverneur had ondergebracht, kocht het gebouw in 1950 aan. Met het oog op de bouw van het nieuwe Provinciehuis, waarvoor de architecten Maurice De Vocht en René Grosemans in 1959 opdracht zouden krijgen, werden in de volgende jaren ook de aanpalende hotels Vanderlinden, Peter Fuhrmann, Paul Kreglinger en Max von der Becke verworven of onteigend. Aanvankelijk zou het hotel Good-Engels als gouverneursresidentie behouden blijven, maar in de definitieve plannen uit 1962 was hier geen sprake meer van. De voorziene sloop werd in 1974 bij de aanvang van de tweede fase van de bouw van het Provinciehuis, echter door het stadbestuur van Antwerpen geweigerd. Op dat moment inwendig al volledig ontmanteld en deels gesloopt, werd het gebouw vervolgens hersteld en nieuw ingericht tot Krijgsauditoraat en later Jeugdrechtbank, om in 2009 opnieuw door het provinciebestuur te worden aangekocht. In afwachting van de voltooiing van het nieuwe Provinciehuis, zijn hier sinds 2013 de kantoren van gouverneur en gedeputeerden gevestigd.

Het hotel Good-Engels maakt deel uit van het relatief vroege oeuvre van Joseph Hertogs, die als een van de meest succesvolle architecten in Antwerpen geldt, actief van omstreeks 1885 tot zijn overlijden in 1930. Zijn loopbaan in dienst van de mercantiele burgerij, met een hoogtepunt omstreeks de eeuwwisseling, leverde een vijfhonderdtal woningen en openbare gebouwen op. Deze evolueren van eclecticisme en neorenaissance, naar een klassiek geïnspireerde beaux-artsstijl. De neorégencestijl die Hertogs voor het hotel Good-Engels toepast, is ontleend aan de architectuur van Jan Pieter Van Baurscheit de Jonge uit het midden van de 18de eeuw. Niet toevallig voerde de architect in deze periode verbouwingswerken uit aan het Osterriethhuis op de Meir, Van Baurscheits laatste belangrijke realisatie. Ook het nabijgelegen hotel weduwe Emile della Faille-Van Eersel uit 1892 (gesloopt) en het eveneens in 1896 ontworpen hotel Auguste Grisar in neorococostijl aan de Louiza-Marialei, getuigen van deze invloed. Deze voorbeelden lopen vooruit op de ruimere verspreiding die de neorégence en het neorococo in de Antwerpse residentiële architectuur zullen kennen tijdens het decennium voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog. Het hotel Kreglinger-Walther uit 1894 en het hotel Vanderlinden uit 1907 (voorheen nummer 20, gesloopt in 1976) op de aanpalende percelen, zijn eveneens ontwerpen van Hertogs, evenals het hotel Peter Fuhrmann uit 1899 (voorheen nummer 22, gesloopt omstreeks 1975) en het hotel Léon Van den Bosch uit 1907 hogerop aan de Koningin Elisabethlei.

Architectuur

Het hotel, een breed rijhuis in half open bebouwing met een gevelbreedte van vijf traveeën, omvat een souterrain en drie bouwlagen, onder een afgeknot schilddak met dakkapellen. Tegen de zuidgevel leunt een wintertuin aan, één bouwlaag hoog en één travee breed, die weliswaar niet voorkomt op de bouwplannen, maar toch gelijktijdig met het hoofdvolume of kort erna lijkt te zijn opgetrokken; de gebogen serrekoepels uit ijzer en glas werden al in 1910 vervangen door vlakke bovenlichten.

Statig van allure onderscheidt het gevelfront zich door een verzorgd parement uit natuursteen, op een plint uit blauwe hardsteen, onder een leien bedaking. De opstand wordt door de geprofileerde puilijst opgedeeld in een begane grond met rustieke bossage, en een door bewerkte, composiete pilasters geritmeerde bovenbouw in kolossale orde, afgewerkt met het klassieke hoofdgestel. Symmetrisch van opzet, legt de compositie de klemtoon op het brede middenisaliet, dat naar 18de-eeuws voorbeeld over de volledige hoogte wordt gemarkeerd als een oplopende frontispice. Ook het rijke geveldecor en het smeedwerk zijn ontleend aan typisch symmetrische régencemotieven en -patronen. Gevat in een geblokte korfboog met breed, kwarthol profiel, wordt het risaliet bekroond door een gebogen waterlijst op imposten, met als kuifstuk een rijk gebeeldhouwde cartouche met schubben, acanthusblad, voluten, palmetten en hoorns-des-overvloeds. Een driezijdige, ingesnoerde erker, rustend op gevleugelde draken en bekroond met een smeedijzeren borstwering, markeert de eerste verdieping. Hierbij sluit een kwarthol omlijst korfboogvenster aan, met een gebogen waterlijst op imposten en voluutconsoles, en als sluitsteen een vrouwenhoofd tussen guirlandes. Verder is de opstand opgebouwd uit registers van getoogde deur- en vensteropeningen, in een geriemde omlijsting met oren, drop en waterlijst, rijk bewerkte cartouchesleutels op begane grond en tweede verdieping, geïndividualiseerde maskerkopsleutels en onderdorpels op de eerste verdieping. Getoogde dakkapellen met voluten, waterlijst en sluitsteen, en hoekvazen vormen de bekroning. Het gevernist houten schrijnwerk van de bewerkte inkomdeur en de vensters is bewaard, evenals het smeedijzeren traliewerk van het souterrain.

De wintertuin met een drielicht binnen composiete zuilen en een attiekbalustrade, sluit naadloos aan op het hoofdvolume, waarvan de vrijstaande zijgevel wordt geritmeerd door een middenrisaliet en omlijste gevelvelden. Oplopende driezijdige erkerpartijen, een terras met trappenbordes en het drielicht van de traphal bepalen het symmetrische compositieschema van de tuingevel.

Oorspronkelijk was het interieur georganiseerd rond de centraal ingeplante traphal, bereikbaar via de vestibule met trappenbordes. Daarbij besloeg de L-vormige suite van antichambre, salon en eetkamer over de volledige diepte de linker vleugel, geflankeerd door de langgerekte wintertuin.

Het koetshuis naar ontwerp van Joseph Hertogs uit 1901, is een paviljoen op een rechthoekige plattegrond in half open bebouwing, dat het vroegere perceel afsluit aan de zijde van de Hamoniestraat. Twee traveeën breed, één travee diep en één bouwlaag hoog onder een mansardedak, wordt het volume op de hoek (tuinzijde) gemarkeerd door een ronde traptoren, bekroond door een polygonale topgeleding en een leien spits met lantaarn en koepeldakje. De constructie is opgetrokken uit rood baksteenmetselwerk in kruisverband met knipvoegen, gebruik van hardsteen voor de plint, witte natuursteen voor speklagen, omlijstingen, sluitstenen en waterlijsten, en leien als dakbedekking. Symmetrisch van ordonnantie, en afgewerkt met een klassiek hoofdgestel, wordt het gebouwtje gekenmerkt door rondbogige stalvensters, getoogde dakvensters met waterlijst en smeedijzeren borstwering, en een meanderfries in tweekleurig baksteenmozaïek onder de kroonlijst; koetspoort en staldeur aan de tuinzijde. De plattegrond omvat de remise en de paardenstal, met op de mansarde de hooizolder en/of het koetsiersverblijf.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1896#36, 1899#587, 1901#407, 1909#582, 1910#1284 en 1911#1720 (hotel Good-Engels), 1892#656 (hotel della Faille), 1899#1111 (hotel Peter Fuhrmann), 1907#580 (hotel Vanderlinden).
  • CORNILLY J., HELLEMANS B. & MIGOM S. 2013: Een huis voor de provincie, Antwerpen, 127-149.
  • KURGAN-VAN HENTENRIJK G., JAUMAIN S. & MONTENS V. (red.) 1996: Dictionnaire des patrons en belgique. Les hommes, les entreprises, les réseaux, Brussel, 326-327.

Bron     : -
Auteurs : Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Hotel Good-Engels [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7056 (Geraadpleegd op 20-05-2019)