erfgoedobject

Hotel Max von der Becke

bouwkundig element
ID: 7057   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7057

Juridische gevolgen

Beschrijving

Herenhuis in eclectische stijl gebouwd in opdracht van Max von der Becke, naar een ontwerp door de architect Jean-Laurent Hasse uit 1911. Het imposante gebouw is vrijstaand ingeplant in een parktuin, die tot tegen de bebouwing van de Harmoniestraat reikt.

Historiek en context

Het herenhuis werd in 1912 in opdracht van Alfred Edouard Maximilian von der Becke (1866-1937) gebouwd op een kavel, vlak naast zijn ouderlijk huis, die hij in 1910 had verworven. Jean-Laurent Hasse trad op als architect, Theodoor (?) Vermeulen als aannemer. De toeschrijving aan de architect Joseph Hertogs, die teruggaat op Lode De Barsée en ook nog in het beschermingsdossier van 2010 werd weerhouden, is fout. Max was de jongste zoon van Julius Bernhard von der Becke (1825-1895) en Fanny Charlotta Marsily. Vader von der Becke, een van oorsprong Duitse ondernemer die sinds midden 19de eeuw in Antwerpen gevestigd was, richtte in 1873 met zijn schoonbroer William Edward Marsily en Amerikaanse partners de Société Anonyme de Navigation Belgo-Américaine op, waaruit vervolgens de transatlantische rederij Red Star Line zou voortkomen. Zoon Maximiliaan stond na de dood van zijn vader zelf korte tijd aan het hoofd van de maatschappij, tot de verkoop van de aandelen in 1902. Uit de periode dat Max von der Becke het huis bewoonde zijn er geen verbouwingen of aanpassingen gekend. De twee bouwaanvragen die bewaard bleven, hebben betrekking op het domein. In een eerste aanvraag van 7 augustus 1933 vraagt Max von der Becke toelating om ‘een hofmuur’ op te richtten aan de zijde van de Koningin Elisabethlei 26 en een ‘grillie met onder metserij’, of een hekwerk aan de zijde van de Lange Lozannastraat. Op 4 maart 1936 vraagt hij toestemming om de afsluiting van zijn eigendom te vervolledigen. Het gaat om een ‘zijdelingsche grillie en schuthekken’ aan de zijde van de Jan Van Rijswijcklaan. Max von der Becke en zijn echtgenote Hélène Emma Osterrieth (1875-1976), gehuwd in 1895 en ouders van twee zonen en vier dochters, bewoonden het hotel tot de heer des huizes op 3 oktober 1937 overleed.

Het hotel Max von der Becke behoort tot het latere oeuvre van Jean-Laurent Hasse, die actief was van 1875 tot zijn overlijden in 1925. Tijdens de eerste decennia van zijn loopbaan bouwde de architect een groot aantal voorname burgerhuizen in eclectische en neo-Vlaamserenaissance-stijl in Antwerpen waaronder zijn eigen woning in de Osystraat. Vanaf de jaren 1900 verplaatste het zwaartepunt van zijn activiteiten zich naar architectuur voor de industrie, zoals de kantoren en werkplaatsen van Bell Telephone Manufacturing Company in de Boudewijnsstraat waarvoor hij al in 1882 de eerste gebouwen ontwierp, de Compagnie Générale des Tramways d’Anvers in de Grotehondstraat uit 1903, en het automerk Minerva waarvan de eerste fabriek in de toenmalige Warandestraat in 1904 tot stand kwam. Voor vader Julius Bernhard von der Becke voerde Hasse al vanaf de vroege jaren 1880 opdrachten uit, onder meer verbouwingswerken aan de eigen woning in de Warandestraat, de bouw van meerdere burgerhuizen aan de Prins Albertlei, het Mädchenheim en een reeks opbrengsthuizen in de Paleisstraat en de Solvynsstraat. Ook het hotel van oudere broer Adolphe Guillaume von der Becke in de Harmoniestraat, is een ontwerp van Hasse uit 1889. Uit dezelfde periode als het hotel Max von der Becke dateert het kantoorgebouw Miele & C° op de Meir.

Na de dood van Max von der Becke kocht Maurice Herbosch het hotel. Hij was vermoedelijk verwant met Eugène Herbosch, die aan het hoofd stond van een belangrijke rederij in de binnenscheepvaart, gevestigd in de Herbosch Building aan de Van Meterenkaai. De weinige aanpassingen aan het riante herenhuis zijn van zijn hand. Een bouwaanvraag en symboliek verweven in subtiel aangebrachte interieurelementen geven een beeld van de ingrepen waarmee Herbosch het pand een persoonlijke toets gaf. Op 17 februari 1941 diende architect Carlos Van Der Voodt in naam van Maurice Herbosch een bouwaanvraag in om aan de achtergevel van het pand een terras en een ‘afrij’ naar de kelder te bouwen. Voor de realisatie van deze verbouwing werd een muur in de keuken uitgebroken. Om het pas aangelegde terras te kunnen betreden van binnenuit werd in de linkersalon achteraan een raam verbouwd tot deur. Zeer waarschijnlijk werd op dat ogenblik de kamer voorzien van een lambrisering en goudleer en werd toen ook de haard geplaatst. Op de foto’s uit 1925/1930 zijn al deze interieurelementen duidelijk nog niet aanwezig.

In één van de grote salons liet Maurice Herbosch boven de vegetatieve fries van de houten lambrisering een kamerbrede figuratieve fries aanbrengen met spelende putti, klassieke thema’s en taferelen die verwijzen naar zijn handelsactiviteiten in de scheepvaart. Op de foto uit 1925/1930 is deze fries duidelijk nog niet aanwezig. Daarenboven verwerkte hij er een monogram in met de initialen MH. In deze kamer zijn er nog meer symbolen die refereren aan het geslacht Herbosch. Op de scheidingswand tussen beide salons aan de voorzijde hangt een spreuk ‘ HEER te WATER, LANDenBOSCH’ die ook een verwijzing naar de familienaam van de heer des huizes inhoudt. Een datumcartouche op de haardmantel vermeldt het jaar van de verfraaiingen, namelijk MCMXLI of 1941. Op de foto van 1925/1930 is deze cartouche duidelijk nog niet ingevuld. Eveneens in 1941 diende Herbosch zijn aanvraag in voor de bouw van het terras. Vermoedelijk liet Herbosch ook een deel van het schrijnwerk vervangen want op de foto’s van 1925/1930 is van de huidige glas-in-loodramen op de eerste verdieping nog geen enkel spoor te bekennen. Ook de figuratieve glas-in-loodramen zijn vermoedelijk door Herbosch geplaatst. De bovenwaaier van de deur in het linkersalon heeft vandaag anders geprofileerde bindloden en tondi met figuratieve voorstellingen dan deze op de historische foto.

Wie de glazen koepel van de centrale hal verving is niet duidelijk. Vergelijking met de foto’s van 1925 maakt duidelijk dat deze niet meer oorspronkelijk is. Gezien de recente vormgeving zou deze wel eens door de Regie der Gebouwen kunnen geplaatst zijn. Maurice Herbosch, gehuwd en vader van acht kinderen, bewonde het hotel tot aan zijn dood in 1961.

Nadat de weduwe Herbosch het pand had verlaten, kwam het in 1963 in handen van de Belgische Staat (Regie der Gebouwen). Vanaf toen werd het gebouw een twintigtal jaren door het provinciebestuur gebruikt. Het Bijzonder Plan van Aanleg wijzigde in die periode ook de bestemming van ‘bewoning’ naar ‘openbaar nut’. Het was de bedoeling er de officiële residentie van de gouverneur in onder te brengen, doch gezien grote renovatiekosten die de herbestemming zou meebrengen is dit nooit gebeurd. De gouverneur kreeg een vergoeding voor het houden van zijn ambtswoning in eigen huis en het hotel werd door het personeel van het provinciebestuur gebruikt. In 1990 bleek ook het personeel er niet langer te kunnen blijven werken en kwam het leeg te staan. In 1991 werd het te koop gesteld maar er bewoog pas wat in 1996, toen de provincie het gebouw zelf wilde aankopen voor de uitbreiding van het, intussen te klein geworden, administratief centrum. Het gebouw werd uiteindelijke echter gekocht door de gebroeders Van Klooster.

Sindsdien staat het prachtige pand leeg met verscheidene kraken tot gevolg. In het najaar 2008 besliste de Provincieraad aan de bevoegde minister een machtiging tot onteigening aan te vragen. Wat de Regie der gebouwen en de provincie aan het pand wijzigden is niet duidelijk. Het ontbreken van de nodige renovatiegelden voor de herbestemming van het pand tot gouverneurswoning doet ons vermoeden dat het, op enkele functionele aanpassingen na, niet veel zal zijn. De enige bouwaanvraag dateert uit het voorjaar van 1969 en betreft opnieuw de omheining. De plannen van het Bestuur der Gebouwen voor het afbreken van het bestaande hekwerk en het plaatsten van een nieuwe ‘grillie met poort’, werden na een bouwovertreding goedgekeurd. De nieuwe afsluiting werd vier meter achteruit gebracht.

Architectuur

Het imposante vrijstaande herenhuis met dubbelhuisopstand, is ontworpen in eclectische stijl met neo-Lodewijk XVI-inslag. Het wordt omgeven door een beboomde parktuin, langs de straatzijde afgesloten door een metalen hek. Het gebouw is opgetrokken uit rood baksteenmetselwerk en natuursteen, met een gevelbreedte van zes bij zes traveeën, en omvat een souterrain en twee bouwlagen, afgedekt met pseudo-mansardedak. De lijstgevels op omlopende arduinen plint zijn verlevendigd met speklagen, verschillende soorten lijst- en paneelwerk, hoekpilasters en siermotieven als bloemenkransen, festoenen, strikken en cartouches. Het bakstenen metselwerk is opgehoogd met snijvoegen. De gevelbeëindiging vertoont een omlopende gelede lijst, een vlak fries en een brede kroonlijst op tandlijst.

De voorgevel wordt in de vierde travee gemarkeerd door een monumentaal, volledig in witte natuursteen uitgewerkt ingangsrisaliet, verhoogd met een segmentbogig fronton en voorafgegaan door een brede bordestrap met ijzeren leuning. Een hoge korfboogpoort, omgeven door guirlandes met strikmotief en afgelijnd met pilasters van de Ionische orde, geeft toegang tot de woning. Hierboven bevindt zich een balkon met gebogen ijzeren leuning, geflankeerd door pilasters waarop cartouches zijn aangebracht met daarin de gouden monogrammen A en E. De letters zouden volgens sommige bronnen voor Albert en Elisabeth staan, het regerende vorstenpaar van het ogenblik. Even aannemelijk is de stelling dat het om de initialen (tweede voornaam) van de opdrachtgevers gaat, Maximilian Alfred von der Becke en Hélène Emma Osterrieth.

De zij- en achtergevels vertonen in- en uitspringende volumes en een wisselend aantal traveeën en bouwlagen (noordoostzijde). In de linker zijgevel (zuidwestzijde) is de dubbelhuisopstand van de woning duidelijk afleesbaar, cf. enerzijds de centrale ingangstravee - oorspronkelijk het hoofdportaal aansluitend op de vestibule -voorzien van een uitwaaierende bordestrap met witstenen balustrade en een breed balkon met gebogen ijzeren leuning op de bovenverdieping, anderzijds de risalietvormende en met frontons verhoogde zijtraveeën. In tegenstelling tot de houten buitendeuren in de andere gevels is in deze gevel een beglaasde smeedijzeren vleugeldeur met dito bovenlicht ingebracht. Aan de rechter zijgevel (noordoostzijde) bevindt zich ter hoogte van de centrale doorgang een eenvoudige bordestrap die toegang verleent tot de achterliggende dienstvertrekken en de diensttrap; de grote muuropeningen in de twee middelste traveeën verlichten de monumentale trapzaal; de linkertravee is volledig gesloten. Aan de achtergevel zien we achtereenvolgens een verhoogde hoektravee onder segmentbogig fronton, een gevelhoge, driezijdige erker en een dito, vierledige halfrond uitgebouwde hoekpartij.

Alle gevels zijn geopend met rechthoekige en getoogde vensters in een witstenen omlijsting, veelal vermeerderd met oren en paneelwerk en voorzien van witstenen onderdorpels op consoles. Alle keldervensters zijn betralied. De mansardevensters zijn gevat in een witstenen omlijsting met neuten en spiegelboogvormig fronton versierd met lauwerkrans en strikken. In het noordoostelijk dakschild is een groot glasvlak ingebracht. Het eikenhouten schrijnwerk is nog aanwezig evenals de glas-in-loodramen op enkele vernielde ruiten na. Het gebrandschilderde glas van de façades is wellicht van het atelier Gussenhoven en Van Wyck, zie ook het monogram GVW in de medaillons.

Plattegrond

De plattegrond ontvouwt een dubbelhuisopstand, die op alle niveaus terugkomt, met brede centrale doorgang en aan weerszijden aansluitende vertrekken. Het souterrain heeft een indrukwekkende centrale hal, aan de voorzijde van het gebouw achtereenvolgens uitgevend op een opslagruimte, een uitgebreid vertrek met sanitaire voorzieningen en verder vier technische ruimtes (oorspronkelijk kolenkelder, stookplaats, voorraad-, wijnkelder, vestiaire en dienstingang). Aan de achterzijde bevinden zich, eveneens van links naar rechts, twee grote leefruimten (oorspronkelijk ‘état domestique’ van het inwonende personeel en keuken), voorts de diensttrap en de keuken (oorspronkelijk kamer van de huismeester).

De bel-etage vertoont een ruime centrale doorgang met vooraan een hal die aansluit bij het hoofdportaal en achteraan een indrukwekkende bordestrap met gaanderij. Aan de voorzijde van het gebouw bevinden zich achtereenvolgens een bureau, de suite van salon en eetkamer en de office. Aan de achterzijde zien we achtereenvolgens een vertrek met sanitaire voorzieningen, een ‘Wohnzimmer’ en fumoir, de diensttrap en een tweede keuken (oorspronkelijk ontbijtkamer).

Op de bovenverdieping is vooraan een deel van de centrale hal afgescheiden als (slaap)kamer, achteraan zien we het verdere verloop van de bordestrap met gaanderij. Aan weerszijden van de centrale hal bevinden zich diverse grotere en kleinere (slaap)kamers alsook twee badkamers en de voortzetting van de diensttrap. In de mansardeverdieping zijn de voormalige dienstvertrekken nog aanwezig.

Interieur

Het interieur van de woning ademt dezelfde eclectische sfeer uit als het exterieur. Luxueuze neostijlen waaronder neobarok, neogotiek en neorenaissance domineren de binnenzijde. Een imposante fotocollectie uit het archief van de Dienst Cultureel Erfgoed van de Provincie Antwerpen, die dateert van kort na de bouw van de woning (1925/1930), toont aan dat er in het interieur sindsdien weinig structurele ingrepen hebben plaats gevonden.

Souterain: Alle keldervertrekken vertonen betegelde vloeren met verschillend uitgewerkte patronen. In de sanitaire ruimte en in de keuken zijn de wanden betegeld met witte geglazuurde tegels, onderbroken door sierbanden met geometrische en vegetale motieven in blauwe tinten. Het oude keukenfornuis met ijzeren kookplaat, leuning en geëmailleerde voor- en zijkanten is nog in situ aanwezig. De houten binnendeuren evenals de deur- en vensteromlijstingen uit de bouwperiode bleven bewaard.

Bel-etage: De inkomhal op de bel-etage is gevloerd met zwarte en witte marmeren tegels. De wanden zijn afgewerkt met een hoge omlopende marmeren plint en een natuursteenimitatie. Het bepleisterde en beschilderde plafond is voorzien van koven en sober lijstwerk. De houten vleugeldeur naar de centrale hal evenals de vaste panelen aan weerszijden, zijn onderaan ingevuld met panelen, bovenaan met glas in lood. Pilasters scheiden de deur van de zijpanelen. De jachtscènes in de tussendeur zijn hoogstwaarschijnlijk van de hand van F. Gons en werden gebrandschilderd naar gravures van Johannes Stradanus.

De centrale hal heeft een parketvloer. De wanden zijn afgewerkt met een hoge omlopende houten lambrisering met paneelversiering, onderbroken door de vier rechthoekige schuifdeuren naar de aansluitende salons; de houten paneeldeuren in geprofileerde omlijsting zijn bekroond door opengewerkte, korfboogvormige waaiers met radiaal traceerwerk en gehamerde, licht roze gekleurde glasvlakken. De bovenmuren zijn afgewerkt met een natuursteen imiterende bepleistering. Het houten plafond vertoont moer- en kinderbalken op fraai gebeeldhouwde consoles. Tegen de noordoostelijke zijgevel zijn een houten bordestrap en een gaanderij met uitgewerkte houten balustrade aangebracht. Onder de gaanderij bevindt zich een gemetselde open haard met neobarokke schoorsteenmantel, m.n. een gebeeldhouwde schouwbalk met rankwerk en vegetatieve motieven op getorste marmeren zuilen met Ionisch kapiteel. De grote rechthoekige ramen die de hal verlichten zijn ingevuld met gebrandschilderd glas in lood met historiserende opschriften en wapenschilden.

Het bureau vertoont bepleisterde en beschilderde muren en dito plafond, voorts een eenvoudige zwartmarmeren schoorsteenmantel en glas-in-loodramen met medaillons en inscripties.

Salon en eetkamer aan de voorzijde zijn ingericht in neobarokstijl. Ze vertonen een originele parketvloer met ruitvormig patroon en omlopende sierbanden. De over de volledige hoogte met hout beklede muren zijn versierd met paneelwerk. In de eetkamer liet Maurice Herbosch boven de vegetatieve fries (festoenen, acanthusbladeren) een kamerbrede, figuratieve fries aanbrengen met spelende putti, klassieke thema’s en taferelen die verwijzen naar zijn handelsactiviteiten in de scheepsbouw; daarenboven verwerkte hij er een monogram in met de initialen MH. Tussen salon en eetkamer is op de steunbalk de cartouche met opschrift ‘ HEER te WATER, LANDenBOSCH’ aangebracht, eveneens een verwijzing naar de familie Herbosch. De steunbalk rust op twee getorste houten zuilen die met verguld rankwerk zijn versierd. Tegen de smalle zijwanden van beide vertrekken zijn rechthoekige schoorsteenmantels geplaatst, respectievelijk uitgevoerd in witte natuursteen en witte marmer; allebei hadden ze eertijds een schilderij op doek op de schouwboezem. De schoorsteenmantel met gesculpteerde schouwbalk in het salon is vermoedelijk antiek; de herkomst is nog niet achterhaald. De schoorsteenmantel in de eetkamer is afgewerkt met figuratieve haardtegels met landschappen, schepen, vogels en plantmotieven; vermoedelijk gaat het hier ook om gerecupereerde antieke tegels; verder onderzoek is aangewezen; de datumcartouche op de schouwbalk (AoDiMCMXLI) verwijst naar de verfraaiingen door Maurice Herbosch. Beide vertrekken zijn afgewerkt met houten plafonds, in het salon met cassetten in een eenvoudig dambordpatroon met ingekleurde vakken rondom rond, in de eetkamer met moer- en kinderbalken met radiaal patroon in het centrum.

De sanitaire ruimte vertoont een groene tegelvloer, grotendeels betegelde muren, voorts bepleisterde en beschilderde bovenmuren en plafond en glas-in-loodramen met medaillons, banderols en inscripties.

Het ‘Wohnzimmer’ aan de achterzijde is ingericht in neorenaissancestijl. De houten vloer is opgelegd. Boven de halfhoge houten lambrisering met paneelversiering zijn de muren van het vertrek volledig met goudleer bekleed. De omlijsting van de deur naar de centrale hal is geprofileerd en geblokt. De haard is afgewerkt met een houten schoorsteenmantel met gebeeldhouwde schouwbalk, consoles met geringde leeuwenkop en onversierde rechthoekige wangen. Op de licht trapeziumvormige boezem prijkte voorheen wellicht een schouwstuk.

Het fumoir is ingericht in neogotische stijl. De houten vloer is opgelegd. Boven de halfhoge houten lambrisering met gestileerd briefmotief zijn de muren bepleisterd en beschilderd. Het vertrek is overwelfd met kruisribgewelven met vegetatieve beschildering rond de sleutels. Er bevindt zich een witstenen schoorsteenmantel met figuratief gebeeldhouwde schouwbalk, bewerkte consoles en balkvormige wangen met groefmotief.

Bovenverdieping: De centrale hal vertoont een parketvloer. De omlopende houten lambrisering wordt onderbroken door de rechthoekige, houten deuren van de aansluitende vertrekken; deze zijn met een houten entablement omlijst. Houten balustrades omheinen de vide van de trapzaal en de gaanderij. De bepleisterde en beschilderde bovenmuren zijn met imitatievoegen bewerkt. Het bepleisterd en beschilderd plafond met omlopend lijsterwerk is voorzien van een groot rechthoekig bovenlicht met vernieuwde beglazing en koepel. De kamers op de bovenverdieping zijn doorgaans eenvoudig ingericht met planken vloeren, bepleisterde en beschilderde wanden en dito plafonds met sober lijstwerk. In de grote slaapkamers bevinden zich gemetselde haarden waarvan drie met witmarmeren schoorsteenmantel. In de badkamers zijn de wanden grotendeels betegeld; in deze aan de achterzijde bleef een marmeren badkuip bewaard. De met paneelwerk versierde binnendeuren evenals het schrijnwerk zijn origineel.

Mansardeverdieping: De mansardekamers zijn doorgaans eenvoudig ingericht. Opmerkelijk is de aanwezigheid van een verzorgde leefruimte met een in neogotische stijl uitgewerkte schoorsteenmantel en een boogvormige vensteromlijsting op zuilen, waarbij imitatie- en echte natuursteen samen werden toegepast.

Mobilair

Het waardevolle meubilair van dit gebouw, dat vaak onlosmakelijk verbonden is met de muurvaste decoratie (wandtapijten, ingewerkt in de lambriseringen, schilderingen op de schoorsteenmantels, en zo meer) is eigendom van het provinciebestuur en wordt al jarenlang bewaard in depot.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1911#783, 1933#44604, 18#4723, 18#13891, 18#48765 en 18#51932.
  • Archief Dienst Cultureel Erfgoed van de Provincie Antwerpen: foto’s Gouverneurswoning.
  • Kadasterarchief Antwerpen, mutatieschetsen Antwerpen, 1913/9.
  • Adviesnota opgesteld door Vicky Van de Meynsbrugge met logistieke ondersteuning door Stéphanie d’Hulst, Greet Donckers, Tamara Rogiest, Dienst Monumenten- en welstandszorg, Stad Antwerpen.
  • DE BARSEE L. 1964: De bouwkunst in de XIXde eeuw (Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis. Bouwstoffen voor de geschiedenis in Antwerpen in de XIXde eeuw), Antwerpen.
  • DE COCK M.1992: Het Provinciehuis aan de Koningin Elisabethlei en de Lange Lozanastraat als zetel van het Provinciebestuur van Antwerpen, Het Provinciehuis. Beleidscentrum en administratief hart van de provincie Antwerpen, Antwerpen, 35-43.
  • PELKMANS G. & VAN DOORSLAER J.2000: De Duitse kolonie in Antwerpen 1796-1914, Kapellen.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo, Plomteux, Greet
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Hotel Max von der Becke [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7057 (Geraadpleegd op 26-01-2020)