erfgoedobject

Woningcomplex Smekens-Devos

bouwkundig element
ID: 7074   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7074

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historiek en context

Complex gevormd door een burgerhuis en twee meergezinswoningen in vroeg-modernistische stijl, naar een ontwerp door architect Paul Smekens uit 1926. Opdrachtgever was Jozef Smekens-Devos, voor wie het burgerhuis bestemd was als gezinswoning, en de meergezinswoningen als vastgoedinvestering. Paul en Jozef Smekens waren vermoedelijk naaste verwanten, maar hun familieband is niet gekend. Het woningcomplex Smekens-Devos behoort tot de belangrijkste realisaties uit het vroege oeuvre van de architect, die zich pas in 1921 zelfstandig vestigde. Na een eerste traditionele fase, ontwikkelde hij vanaf 1924 een persoonlijke, eigentijdse vormentaal met kenmerken van de art deco. Zijn architectuur incorporeerde in deze periode vooral invloeden van de Amsterdamse School en Willem Marinus Dudok, opgedaan tijdens zijn verblijf in Nederland gedurende de Eerste Wereldoorlog. Hij toonde zich daarmee een pragmatisch modernist, met een kritische reserve ten overstaan van de puristische avant-garde. Nochtans was Smekens op hetzelfde moment als uitvoerend architect verantwoordelijk voor de bouw van de atelierwoning Guiette, de enige realisatie van Le Corbusier in België. Daar hield hij zich evenwel niet aan de vooropgestelde constructiemethode in gewapend beton, volgens het principe van het gestandaardiseerde Citrohan-type. In 1927, een jaar na het ontwerp en nog tijdens de bouw van het woningcomplex Smekens-Devos, associeerde Smekens zich met architect Carlos Van der Voodt, een samenwerkingsverband dat een vijftal jaar stand hield tot in 1931.

In een geest van pre-modernisme koppelt het woningcomplex Smekens-Devos op een geheel eigen manier burgerlijke representativiteit aan functionaliteit en materiaalexpressie. De nadruk ligt hier op het volume en de massa, eerder dan op de decoratie die nagenoeg ontbreekt. Smekens bouwt daarmee verder op het ontwerp van de woning Neefs in de Della Faillelaan, dat een half jaar eerder ontstond, en hem in 1929 de prestigieuze Prijs Van de Ven zou opleveren. De specifieke typologie van het bouwproject, een eengezinswoning in combinatie met huurappartementen, paste de architect een jaar later nogmaals toe voor de dubbelwoning Verswijver in de Arthur Goemaerelei, daar in een andere samenstelling. Het woningcomplex Smekens-Devos is prominent ingeplant op een hoekperceel, waar het tracé van de Kruishofstraat een knik van 90° maakt, met zicht op de groenzone van het Wilrijkseplein. Hoewel soberder van opzet, toont de architectuur naar structuur, plasticiteit en detaillering een sterke verwantschap met gelijkaardige voorbeelden van groepswoningbouw door Amsterdamse School-architecten Michel de Klerk en Piet Kramer. Ook de specifieke typologie van de meergezinswoningen, opgedeeld in een beneden- en een bovenwoning van elk twee niveaus met gescheiden trappenhuizen, gaat op de Nederlandse bouwpraktijk terug. Een vergelijkbare toepassing van dit in Antwerpen veeleer uitzonderlijk type, is het in 1920 ontworpen geheel van meergezinswoningen door de gebroeders Stevens in de Van Putlei.

Architectuur

Het imposante complex met een gevelfront dat zich over elf brede traveeën uitstrekt, telt twee tot drie bouwlagen onder een pseudo-mansarde. Uitgangspunt voor de compositie is het typologische programma van het complex, dat zich duidelijk in de volumetrie en de opstand laat aflezen. Slanke hoger opgetrokken meergezinswoningen flankeren daarbij in spiegelbeeld het veeleer kubische volume van het burgerhuis. Een opvallend kenmerk van deze architectuur is de uitermate vlakke gevelbehandeling, waaraan een zorgvuldig gearticuleerd reliëf van uitspringende gevelpartijen, gestrekte luifels en kroonlijsten, en de terugwijkende mansarde met dakvensters een grote plasticiteit verlenen. Via Dudok en andere Nederlandse voorbeelden lijkt dit aspect terug te voeren tot de invloed van Frank Lloyd Wright en de 'Prairie School' , die zich in de jaren 1920 sterk deed gelden. Een subtiel evenwicht heerst tussen de horizontale geleding en het verticale ritme van het gevelontwerp. De inkomtraveeën uiterst links en rechts worden gemarkeerd door een geprofileerde erkerpartij met een voor Smekens typische keperlijst, daar waar centraal de klemtoon ligt op de afgeschuinde en hoger opgetrokken hoekpenant. Het expressieve materiaalgebruik ondersteunt de sobere vormgeving: een parement uit rood baksteenmetselwerk (klampsteen) in kruisverband, platvol gevoegd en gelardeerd door een enkele rollaag, schaars gebruik van natuursteen voor steunelementen en dekstenen, arduin voor de plint, en natuurleien voor de bedaking. Even bepalend is het gebruik van blokramen in het vlak van de gevel, waarvan de contrasterende kleurstelling de structuur accentueert: wit voor de verticaal gelede kozijnen en zwart voor de smalle raamvleugels met horizontale roeden. De vensterordonnantie beantwoordt functioneel aan de indeling van het interieur, zonder afbreuk te doen aan de regelmaat van de compositie, die in de voorgevel is geaxeerd op het inkomportaal. Behalve het vensterschijnwerk zijn ook de houten deuren met smeedijzeren tralies bewaard, net als de decoratieve regenpijpen met slokbak. Enkel de rondboogpoort van de garage is vernieuwd, en ook het oorspronkelijke glas in lood van de bovenlichten is verdwenen. Een eenvoudig smeedijzeren hek sluit de afgeronde voortuin af, waarin kort na de voltooiing van het complex een vandaag beeldbepalende bruine beuk werd aangeplant. Beide gevelzijden zijn eveneens van begin af karakteristiek begroeid met wilde wingerd, die over de volledige breedte opklimt tot aan de dakrand met uitsparing van de vensters.

De symmetrische opbouw van het woningcomplex vertaalt zich in de plattegrond, waarbij de meergezinswoningen in spiegelbeeld het burgerhuis volledig omsluiten. Vanwege de half vrijstaande hoekinplanting kon de onbebouwde oppervlakte van het perceel zich beperken tot een cluster van drie kleine binnenplaatsen achteraan. De typologie van het burgerhuis beantwoordt aan een welstellende levensstijl, uitgerust voor inwonend personeel. Vergelijkbaar met de compacte indeling van de hogervermelde woning Neefs, is de plattegrond georganiseerd rond de langgerekte traphal die hier aan de binnenplaats grenst. Op de begane grond zondert de centrale vestibule het kantoor af van de ruime, in de hoek gesitueerde woonkamer. Hierbij sluiten de keuken met dienstingang en de garage aan. De eerste verdieping omvat twee grote slaapkamers voor respectievelijk de ouders en de kinderen, met de badkamer tussen beide in, en verder de logeerkamer en de meidenkamer. Een speelkamer op de hoek en drie mansardekamers nemen het dakniveau in. De vier wooneenheden van de meergezinswoningen hebben grosso modo dezelfde indeling en oppervlakte, waarbij de inkomhal en de twee gescheiden trappenhuizen zijdelings en achter elkaar tegen de gemene muur zijn ingeplant. Het eerste niveau wordt telkens gevormd door een suite van salon en eetkamer, met aansluitend de keuken. Op het tweede niveau bevinden zich telkens twee slaapkamers, een 'cabinet de toilette' en een badkamer.

  • DINET, P. 1979: Paul Smekens opleiding en architektuur tot 1940, onuitgegeven verhandeling Hoger Sint-Lucas Instituut Gent, 44-45.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2012


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Woningcomplex Smekens-Devos [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7074 (Geraadpleegd op 13-08-2020)