erfgoedobject

Résidence Isabelle

bouwkundig element
ID: 7147   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7147

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Résidence Isabelle
    Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019

Beschrijving

Appartementsgebouw in art-decostijl op de hoek van Isabellalei en Lange Leemstraat, opgetrokken in opdracht van de bouw- en vastgoedmaatschappij Comptoir Général du Bâtiment, naar een ontwerp door de architect Paul Dries uit 1928. De bouw van het hoogbouwcomplex, waarvan het programma 96 bescheiden flats en 11 winkels omvatte, werd aangevat in 1929, en voltooid in 1932.

Historiek en context

De “Résidence Isabelle” kwam tot stand op initiatief van Armand Frans Henri Janssens (1890-1963), naast voorzitter van het bouw- en vastgoedbedrijf Comptoir Général du Bâtiment, ook voorzitter van het “Terminus Palace Hotel” en van de maatschappij Les Grands Hôtels Modernes Belges. Het omstreeks 1980 verdwenen “Terminus Palace Hotel”, gebouwd naar een ontwerp van de architect Joseph Hertogs uit 1902, en gelegen aan het begin van de Pelikaanstraat tegenover het Centraal Station, behoorde tot de meest luxueuze hotels van Antwerpen. Onder het bestuur van Janssens, werd het hotel met het oog op de Wereldtentoonstelling van 1930 uitgebreid met het prestigieuze ”Century Hotel” aan de De Keyserlei, een hoogbouwcomplex naar ontwerp van de architecten Jan Vanhoenacker, John Van Beurden, Vincent Cols en Jules De Roeck, en met het ”Century Tourist Hotel” in de Pelikaanstraat waarvoor enkel Vanhoenacker tekende. Bezweken onder zijn hoge investeringslast als gevolg van de economische crisis, richtte hotelier en bouwpromotor Janssens in 1935 de rechts-populistische politieke partij de Realistische Beweging op, die slechts een kortstondig bestaan kende.

Over Paul Dries, die als architect aan de Comptoir Général du Bâtiment verbonden was, is nog maar weinig bekend. Actief van omstreeks 1925 tot vermoedelijk 1950, behoort de “Résidence Isabelle” tot zijn vroege oeuvre.

Het perceel werd voordien ingenomen door het zogenaamde “Cuypershof”, een statig landhuis in Louis-Philippestijl met tuin en beeldhouwersatelier, gebouwd in opdracht van de beeldhouwer Léonard De Cuyper (1813-1870), naar een ontwerp door de architect Henry Redig uit 1857. Vanaf 1885 werd het pand bewoond de architect Ernest Dieltiëns, gehuwd met de enige dochter van de beeldhouwer, Léonardine De Cuyper. Weduwe sinds 1920, verkocht deze laatste het eigendom met een oppervlakte van 1158 m² in 1928 bij openbare verkoop aan de Comptoir Général du Bâtiment.

De “Résidence Isabelle” werd opgezet als een vastgoedproject met koopflats in mede-eigendom. Bescheiden van oppervlakte en op de hoekappartementen na van een eenvormig type, waren deze uitgerust met eigentijds comfort als een volledig geïnstalleerde badkamer, centrale verwarming, stortkokers voor huisvuil en liften. Zij voldeden aan de voorwaarden van de wet tot bevordering van het bouwen van nieuwe woningen van 10 juni 1928, die de kopers gedurende 10 jaar vrijstelling van grondbelasting verleende. Afgezien van de Boerentoren, behoorde het complex op het moment van de bouw met zijn negen bouwlagen tot de hoogste woongebouwen van Antwerpen, slechts geëvenaard door het complex “Cyclops”, “Vulcan”, “Titan” en “Goliath” door de architect Alfons Francken uit 1921-1926 aan de Helenalei, en het statige beaux-arts-‘immeuble’ van de Société Belge Immobilière door de architect Camille Janssens uit 1925-1927 op de hoek van Meir en Schuttershofstraat.

Architectuur

Het imposante, 30 m hoge complex met een monolithisch gevelfront van vijftien bij drie bij dertien traveeën, omvat negen bouwlagen onder een licht hellende dakstructuur. Opgetrokken met een skeletstructuur uit gewapend beton, beslaat het wigvormige gebouw nagenoeg het volledige perceel, met een langgerekte, driehoekige lichtschacht tussen beide samenstellende vleugels. Beeldbepalend ingeplant in de zichtas van de Lange Leemstraat, hield het stadsbestuur nauw toezicht op ontwerp en uitvoering. Tussen het indienen van de bouwaanvraag en het verkrijgen van de bouwvergunning verliepen meer dan acht maanden, en de bouw zelf sleepte vier jaar aan, tot najaar 1932.

Beperkte wijzigingen aan het ontwerp tijdens de bouw, met betrekking tot de vensterordonnantie en de gebruikte gevelmaterialen, gaven telkens aanleiding tot betwisting en stillegging van de werken door het stadsbestuur. Een eerste afwijking betrof de opgelegde gevelsteen voor het parement, namelijk ‘briques flammées’ van de Tuileries Nationales de Bièrges, onder meer toegepast in de door architect François Malfait ontworpen Ecole de Médecine uit 1924-1928 aan de Waterloolaan te Brussel. Vanwege het afbranden van de steenbakkerij in 1929, diende te worden overgestapt op gele Belvédère-baksteen van Romeins formaat, toegepast met een schaduwvoeg en vertanding op de hoeken van de kopgevel. Waar het ontwerp aanvankelijk doorlopende bandramen voorzag op de zevende en achtste verdieping, werd op vraag van de kopers in 1930 geopteerd voor een klassieke traveeënindeling met terugwijkende penanten zoals de onderliggende verdiepingen. De donkere Belvédère-gevelsteen, die hiervoor bij wijze van contrast was aangewend, diende te worden vervangen door een gele tegelbekleding. Ook de bekleding van de pui met zwarte tegels en witte voegen uit marbriteglas van de Verreries de Fauquez, geplaatst door de firma Paul Luypaerts uit de Schermersstraat (merkplaatje), stuitte in 1932 op grote weerstand vanwege de donkere aanblik. Ook hier werd uiteindelijk een gele tegelband opgelegd boven de puilijst.

De opstand is opgebouwd uit de pui met afgeschuinde hoeken en korte luifel, en de rijzige bovenbouw. Daarbij ligt de klemtoon op de kopgevel, waarvan de middenas wordt gemarkeerd door een over de eerste zes verdiepingen oplopende erkerpartij in een gelede omlijsting, en bekroond door getrapt dakpaviljoen van twee bouwlagen, met als verticaal accent een typisch gestroomlijnde, eveneens gelede pinakel. Op de begane grond alterneren vitrines met de zes portalen. De eerste zes bovenverdiepingen beantwoorden aan een verticaal compositieschema, geritmeerd door oplopende venstertraveeën met verdiepte borstwering. Het oorspronkelijk beoogde horizontale effect van de twee bovenste verdiepingen, ontworpen met bandramen, wordt ontkracht door de tijdens de bouw alternerend ingevoegde penanten. De bouwplannen vermelden verguld lijstwerk rond de erkerpartij van de kopgevel en onder de daklijst, eveneens vergulde medaillons met spiraalmotief als bekroning van de penanten in de zijgevels, en art-deco-smeedwerk in de lichtopeningen van het dakpaviljoen. Van dit decoratieschema werden enkel de medaillons uitgevoerd, echter zonder vergulding. Ook de geplande borstweringen in ‘eternit émaillée’ en de glazen luifel boven de pui kwamen te vervallen. Vandaag zijn metselwerk betegeling roomkleurig overschilderd, met de borstweringen in een contrasterende grijze tint. De marbritebekleding van de pui, rustend op een hardstenen plint, is integraal bewaard. De houten vleugeldeuren met paneelwerk en bloemmotief bleven evenals het binnenschrijnwerk van de portalen behouden; het oorspronkelijk houten schrijnwerk van vensters en vitrines is quasi volledig vernieuwd.

De plattegrond omvat volgens de bouwplannen elf winkelruimten, waarvan de twee grootste met een onregelmatige vorm en eigen inkom de kop van het gebouw en de aansluitende, ondiepe zone van de vleugel aan de Lange Leemstraat innemen. De overige negen zijn identiek van type, twee aan twee gegroepeerd rond de gemeenschappelijke privé- en winkelportalen, vier in de vleugel aan de Lange Leemstraat en vijf in de vleugel aan de Isabellalei, waar zich verder de dienstingang met ‘monte charge’ naar de kelder bevindt. Van de 96 appartementen zijn er 80 van eenzelfde standaardtype, in beide vleugels twee aan twee gegroepeerd rond de vijf traphallen. Zij omvatten een woonkamer aan de straatzijde, een hall en badkamer in de middenzone, en een slaapkamer en keuken met stortkoker aan de lichtschacht. Ontsloten door de zesde traphal, iets groter van oppervlakte met een extra slaapkamer, bevinden de 16 overige flats zich op de kop van het gebouw en de aansluitende zone van de vleugel aan de Lange Leemstraat. De drie kamertjes en zolder in het dakpaviljoen, maakten oorspronkelijk deel uit van het onderliggende appartement. Op de bouwplannen worden de zolders onder de dakconstructie aangeduid als “serre” , wellicht bedoeld voor het drogen van wasgoed. In de ondergrond, waar zich de stookinstallatie en de kolenkelders bevonden, beschikten winkels en flats over individuele kelders.


Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Résidence Isabelle [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7147 (Geraadpleegd op 23-08-2019)