erfgoedobject

Kasteel van Borgitter

bouwkundig element
ID: 71884   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/71884

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het goed Borgitter bestaat uit een classicistisch kasteel met oudere hoektoren in Maasstijl, en met ten noordwesten het neerhof waaraan zich in een geknikte U-vorm de hoevengebouwen, een rentmeesterswoning en een watermolen bevinden. De hoevengebouwen vormden voorheen twee afzonderlijke landbouwbedrijven: het Breukskenshof en het Grotenhof of Halfeshof. Zij zijn thans buiten bedrijf en omgevormd tot woningen.

Het kasteel is omgracht, terwijl ook de Itterbeek volledig rondom het kasteel werd geleid, onder meer om de watermolen van het kasteel aan te drijven.

Historiek

Borgitter was een allodium binnen de heerlijkheid Kessenich, gelegen op de grens tussen de heerlijkheid Kessenich en het Luikse Neeritter (NL). Het kasteel wordt voor het eerst vermeld in 1546 als eigendom van Arnold an Waes, drossaard van het graafschap Horn. Hij bewoont het kasteel van Borgitter, terwijl zijn vader, Jan van Waes, eveneens drossaard van Horn, op de burcht van Horn woont. Het ontstaan van het kasteel situeert zich dus waarschijnlijk in eerste helft 16de eeuw.

Bij het kasteel hoorde vanaf het ontstaan ervan een banmolen. Borgitter kwam in 1699 door huwelijk in het bezit van de heren van Kessenich. Johanna van Malsen, dochter van Joanna van Kessenich en Guido van Malsen, huwt namelijk met Waleram of Walraaf van Waes, eigenaar en bewoner van Borgitter. Na de dood van haar ouders ontstaat onenigheid met haar zuster Anthonette over het bezit van de heerlijkheid Kessenich, en naar aanleiding hiervan wordt de heerlijkheid in 1653 gesplitst. In 1699 worden beide delen weer herenigd onder de familie van Waes. De burcht van Kessenich was ondertussen als residentie door de heren van Kessenich verlaten; vanaf de 17de eeuw verbleef de familie van Waes in het kasteel van Borgitter. De bekendste telg van de familie is Frans-Jacob van Waes, landsheer van Kessenich, die gedurende de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) in 1704 deel nam aan de verovering van Gibraltar en er vervolgens militair gouverneur werd.

In 1714 werd het Grotenhof of Halfeshof afgebrand door een afdeling soldaten die het kasteel van Borgitter had bezet, waarschijnlijk in de nasleep van de Spaanse Successieoorlog. De laatste telg van het geslacht van Waes, Anna-Salomé, huwt in 1756 met de Franse graaf de l'Aigle (des Acres). Zij verbleef vrijwel steeds in Parijs, waar zij in 1794 wordt onthoofd. Haar goederen worden door de Franse staat aangeslagen en in 1804 openbaar verkocht aan Hendrik Joseph Michiels, advocaat uit Roermond. Hij wordt in 1822 door Willem I in de adelstand verheven met de titel van baron; hij neemt de naam van Kessenich aan.

Zijn zoon Jan-Alexander Hubert (°1800) voert niet nader te bepalen verfraaiingen uit aan het kasteel. Door zijn toedoen bleef Borgitter na de Belgische onafhankelijkheid op Belgisch grondgebied. De familie Michiels verbleef in Roermond; pas eind 19de eeuw vestigde ze zich op het kasteel Borgitter. De laatste baron Michiels van Kessenich overlijdt in 1910. Zijn bezittingen gingen over naar zijn zuster, gehuwd met jonkheer Carl van Nispen tot Sevenaer. In 1922 werden de goederen verdeeld, in 1947 werd het kasteel door de familie verkocht.

De vierkante hoektoren, die in de oostzijde de datering 1610, draagt is het oudste gedeelte van het gebouw. Hij rest van een voor het overige verdwenen constructie, waarschijnlijk deze die aangeduid staat op de Ferrariskaart (1771-77), en voorzien is van verscheidene hoektorens en uitbouwsels.

Op de kaart is het kasteel links en rechts geflankeerd door moestuinen. Het is dus waarschijnlijk dat het huidige kasteel gebouwd werd door Anna-Salomé van Waes in het vierde kwart van de 18de eeuw; het gebouw situeert zich trouwens ook qua stijl goed in deze periode. In de Atlas van de Buurtwegen (1845) staat het kasteel weergegeven in zijn huidige vorm. In 1949, na de verkoop van het kasteel, werden de honderden eiken en beuken, die oorspronkelijk bij het kasteeldomein hoorden en nog te zien zijn op 19de-eeuwse afbeeldingen, geveld. Het kasteel werd in 1979 gerestaureerd.

Beschrijving

Het kasteel is een rechthoekig gebouw van zeven traveeën en twee bouwlagen onder mansardedak (leien); afgewolfde dakkapellen in het zuidoostelijk dakschild, met segmentvormig fronton in het noordwestelijk dakschild.

Witgekalkt bakstenen gebouw op souterrain met getoogde, kalkstenen keldervensters. Risaliet in de vier middentraveeën van de zuidoostgevel, afgelijnd door middel van natuurstenen -waarschijnlijk kalkstenen- hoekbanden. Boven de twee middentraveeën een driehoekig fronton met oculus in een rechthoekige kalkstenen omlijsting met sluitstenen. Getoogde vensters in een rechthoekige kalkstenen omlijsting met sluitsteen, beluikt op de benedenverdieping. De ingang bevindt zich in de noordwestgevel, en is bereikbaar via een brug over de slotgracht; getoogde poort in een rechthoekige kalkstenen omlijsting.

Op de oosthoek staat een vierkante toren van twee bouwlagen onder tentdak(leien) met centrale, vierkante dakruiter (leien) met tentdakbekroning (leien) en smeedijzeren windvaan. De toren is in de oostzijde zijde gedateerd 1610. Witgekalkte baksteen; smeedijzeren muurankers met krullen; beschilderde, waarschijnlijk mergelstenen ojiefvormige consoles onder de dakrand. Op oude afbeeldingen is duidelijk te zien dat de toren voorzien is van -waarschijnlijk mergelstenen- banden.

De kasteelhoeve bestond oorspronkelijk uit twee afzonderlijke landbouwbedrijven, het Breukskenshof en het Grotenhof of Halfeshof; door de wijziging naar woonfunctie is dit niet meer duidelijk. De gebouwen strekken zich in een geknikte U-vorm ten noordwesten van het kasteel uit; het erf bevindt zich tussen het kasteel en de hoeve, en is bereikbaar via een centraal poortgebouw.

Aan het einde van de zuidwestvleugel bevindt zich de voormalige rentmeesterswoning, symmetrisch hiermee aan het einde van de noordoostvleugel, de watermolen. De datering van de gebouwen is gezien de verschillende wijzigingen in de ordonnantie zeer moeilijk. Zij klimmen in kern waarschijnlijk op tot de 18de eeuw (eerste helft ?). Alleen de watermolen behield de zichtbare sporen van een oudere kern uit waarschijnlijk de eerste helft van de 17de eeuw.

Het centrale poortgebouw telt drie traveeën en twee bouwlagen onder schilddak (Vlaamse pannen). Bakstenen gebouw. Smeedijzeren muurankers. Sobere noordwestgevel met korfboogpoort, getoogde tweede helft 19de-eeuwse vensters op de tweede bouwlaag voorzien van kordon vormende, geprofileerde bakstenen lekdrempels. De gevel aan erfzijde is op de benedenverdieping voorzien van een centrale korfboogpoort, geflankeerd door twee lagere korfboogpoorten. Ertussen, bakstenen pilasters op geprofileerd, beschilderd basement, en voorzien van een geprofileerd, bakstenen, kordon vormend kapiteel; de pilasters zijn verbonden door een beschilderde, waarschijnlijk mergelstenen guirlande. Op de bovenverdieping, rechthoekige vensters in een kalkstenen omlijsting van hergebruikt materiaal; erboven drie bakstenen oculi.

De hoeve verloor haar oorspronkelijke functie en is thans verdeeld in verschillende woningen. Dit gebeurde met een wijziging in de ordonnantie van de verschillende gevels. Bakstenen gebouwen onder zadeldaken (Vlaamse en mechanische pannen). Het grootste gedeelte van de muuropeningen werd gewijzigd: vrijwel alle muuropeningen zijn thans getoogd, de oorspronkelijke getoogde muuropeningen dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw.

De rentmeesterswoning is een bakstenen diephuis onder schilddak (mechanische pannen). Recente plint. Smeedijzeren muurankers met krullen. In de voorgevel twee houten, beluikte kozijnen en een deur in houten kozijn. Oculi in de rechterzijgevel. In de linkerzijgevel, houten kozijnen waarvan de authenticiteit twijfelachtig is.

De watergraanmolen is een gelijkaardig diephuis onder schilddak (Vlaamse pannen). Het is een onderslagmolen op de Itter, voorzien van een -schijnbaar gerestaureerd- metalen Ponceletrad met houten schoepen. Voor het eerst vermeld in 1447. De molen was de banmolen van Borgitter, zijn oprichting gebeurde waarschijnlijk gelijktijdig met de bouw van het kasteel. Sinds 1950 is hij buiten bedrijf. Het huidige gebouw bewaarde elementen van een oudere constructie in de resten van een mergelstenen hoekband en een S-vormig muuranker (eerste helft 17de eeuw). Smeedijzeren muurankers met krullen. Gewijzigde muuropeningen.

  • DOORSLAER B. VAN, Met de stroom mee of tegen de wind in ? Molens in Limburg, Borgloon, 1996, p. 38.
  • HENKENS P., Geschiedenis van Kessenich, Kessenich, 1979, p. 536-537; 540; 555-565; 699.
  • MANDERS J. - VERHEIJEN M., Koren op de molen. Langs de Itter, Echt, 1992, p. 163-164.
  • SMETS W., Langs de Itter in Limburg, (Hartenvier, 6, 1986, p. 20-21).
  • S.N., Ken je gemeente... Kinrooi, (Kinrooi), 1981, p.13.
  • S.N., Kijk op Kinrooi, 1991, p.22.

Bron     : Schlusmans F. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kantons Bree - Maaseik, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Schlusmans, Frieda
Datum  : 2005


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kasteel van Borgitter [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/71884 (Geraadpleegd op 13-12-2019)