erfgoedobject

Residentie Carlier

bouwkundig element
ID: 7333   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7333

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Residentie Carlier
    Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019

Beschrijving

Historiek en context

Appartementsgebouw in art-nouveaustijl, opgetrokken in opdracht van K. Van Boghout, naar een ontwerp door de architect Jos. Goeyvaerts uit 1913. Voor de bouw werden drie bestaande panden op de hoek van de Britselei en de Mechelsesteenweg gesloopt, een complex gevormd door een hoekhuis en rijwoningen in neoclassicistische stijl vermoedelijk daterend uit de jaren 1870. De familie Van Boghout was hier al sinds meerdere decennia met handelszaken gevestigd, zo onder meer Jan Frans Van Boghout (1830-1897) en eind jaren 1890 de fotograaf Ed. Van Boghout. Het hoekpand huisvestte omstreeks de eeuwwisseling het café-restaurant Lepage-Du Verger.

Het nieuwe appartementsgebouw, waarvan het bouwdossier niet werd teruggevonden, was bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 zeker wat de ruwbouw betrof voltooid, maar bleef vanwege de oorlogsomstandigheden onafgewerkt. Pas in 1920 liet de nieuwe eigenaar en naamgever Hector Carlier het complex gebruiksklaar maken door zijn schoonbroer architect Max Winders. Hector Carlier (1884-1946) was de zoon van de bankier Jean Baptiste Ferdinand Carlier (1853-1932), mede-eigenaar van de Banque d’Anvers. Met zijn broer Fernand en enkele Antwerpse investeerders richtte Hector Carlier in 1920 de oliemaatschappij Compagnie Financière Belge des Pétroles op, beter bekend als Petrofina. Naast het appartementsgebouw verwierf de gefortuneerde zakenman dat jaar ook het kasteel "Boterberg" in Kalmthout, waar hij in 1946 zelfmoord pleegde.

De Residentie Carlier behoort tot het vroege oeuvre van Jos. Goeyvaerts, medestichter van de Kring voor Bouwkunde, die als architect actief was van omstreeks 1905 tot begin jaren 1940. Waar zijn eerste realisaties veeleer een neotraditioneel idioom volgden, paste hij vanaf de jaren 1910 zowel de beaux-artsstijl als de art nouveau toe. Voor zover gekend moeten de eigen woning in de Rotterdamstraat en de Residentie Carlier, die kort na elkaar werden ontworpen, als zijn belangrijkste art-nouveau-realisaties worden beschouwd. De typologie en de wat hybride stijl van het appartementsgebouw gaan overduidelijk terug op Parijse voorbeelden uit de vroege 20ste eeuw, met een voor die tijd typerende ornamentatie die gestileerd geometrische en naturalistisch gebeeldhouwde patronen en motieven vermengd. Tijdens het interbellum evolueert het werk van Goeyvaerts in de richting van de art-decostijl en vervolgens naar een gematigd modernisme.

Van de weinige appartementsgebouwen van hoge standing die in Antwerpen vóór de Eerste Wereldoorlog werden opgetrokken, is de Residentie Carlier veruit het meest imposante en stijlvolle. Als eerste grote wooncomplex aan de Leien, niet toevallig op de hoek met een van de belangrijkste invalswegen, ging het de evolutie naar schaalvergroting op de stadsboulevard twintig jaar vooraf. Zoals ook blijkt uit de vastgoedpraktijk in Brussel, kende de introductie van het appartementsgebouw voor de betere klassen een moeizame start in België. In hetzelfde jaar als de Residentie Carlier kwamen nog twee kleinere complexen van dit type tot stand in de Simonsstraat, een eerste op de hoek van de Van Leriusstraat door de architecten Walter Van Kuyck en Louis Hamaide, en een tweede op de hoek van de Lange Kievitstraat door de architect François Dens, die zich tijdens het interbellum in het bijzonder op deze nieuwe typologie zou toeleggen. Vanaf begin jaren 1920 nam hun aantal progressief toe, aanvankelijk onder de vorm van vastgoedprojecten voor verhuur. De werkelijke doorbraak van het appartement kwam er pas na de inwerkingtreding van de wet op het mede-eigendom in 1924, die het langverwachte legistieke kader bood voor de koopflat.

Architectuur

Met een gevelbreedte van elf ongelijke traveeën, telt het afgeschuinde hoekgebouw in totaal zeven bouwlagen, inbegrepen de pseudo-mansarde. Verdeeld over vijf woonlagen omvat het programma vijftien appartementen van drie verschillende types, een groot op de hoek en twee kleine aan weerszij, verbonden door de gemeenschappelijke inkom- en traphal met lift en conciërgeloge. Waar het gelijkvloers in meerdere commerciële panden is opgedeeld, oorspronkelijk vermoedelijk bedoeld voor vier winkels en een horecagelegenheid op de hoek, herbergt de mansarde zoals destijds gebruikelijk de meidenkamers. De lijstgevel heeft een verzorgd parement uit witte natuursteen dat zich onderscheidt door een uitbundig reliëf en een rijke ornamentatie, op een arduinen plint.

Volgens klassiek opzet is de opstand horizontaal uit vier registers opgebouwd: de pui, de bel-etage en de drie bovenverdiepingen, met als bekroning de twee niveaus hoge en met leien gedekte pseudo-mansarde. De compositie volgt grosso modo een symmetrisch schema met de klemtoon op het hoekrisaliet, dat wordt bekroond door boven de daklijst uitrijzende, geprofileerde postamenten. Beide flankerende gevelzijden vertonen minieme afwijkingen in de verticale geleding, waaruit de opdeling in drie appartementen per woonlaag valt af te leiden. Het ritme wordt bepaald door oplopende driezijdige erkers met rondboogdrielichten, die uitmonden in verjongende dakvensters onder een overstekend, halfrond kegeldakje. Dit opvallende detail komt eerder voor in het oeuvre van de Franse art-nouveau-architect Hector Guimard, met name in zijn pittoreske Castel d’Orgeval. In de tussenliggende traveeën zijn de rechthoekige vensters en tweelichten gevat in oplopende omlijstingen. Een typische golvende art-nouveau-lijnvoering en profilering vertonen de consolevormige de postamenten bovenop de puilijst, die rusten op vrouwenhoofden. Daarnaast trekt vooral de fries onder de kroonlijst de aandacht, samengesteld uit wapenschilden, guirlandes en kransen, in een decor van vijgenbladeren en vruchten. Bijzonder fraai is het met verguld bladwerk versierde smeedijzer van borstweringen, traliewerk en de rondbogige inkomdeur, vervaardigd door de Ateliers de Construction Pierre Meeuws. Net als het houten vensterschrijnwerk met typische roedeverdeling, de dakkapellen en oeils-de-boeuf, zijn ook de winkelpuien integraal bewaard. Deze laatste hebben een middenportaal tussen gebogen vitrines, bewerkte pilasters en een marmeren plint.

De standing van het gebouw wordt weerspiegeld in het interieur van de inkomhal, uitgevoerd in marmer en simili-natuursteen, met in de wanden geïntegreerde brievenbussen en het loket van de conciërge. Traphal met wenteltrap voorzien van een smeedijzeren leuning, waarin de oorspronkelijke lift van het merk Otis is geïntegreerd, met houten liftkooi met fraaie smeedijzeren deur; bewaarde goederenlift eveneens van Otis. Merkwaardig is het interieur van de grote winkelruimte op de hoek, volledig gelambriseerd in hout met ingebouwde toonkasten en kleurrijke glas-in-loodschermen.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1913#3388 en 1920#9962, foto PB#1959.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2013


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Residentie Carlier [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7333 (Geraadpleegd op 26-08-2019)