erfgoedobject

Stedelijke scholengroep

bouwkundig element
ID: 7371   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7371

Juridische gevolgen

Beschrijving

Historiek en context

Het huidige Stedelijk Lyceum Cadix, voorheen het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten en Ambachten, is ondergebracht in een scholengroep van de Stad Antwerpen uit 1921-1927, die oorspronkelijk uit een lagere jongensschool, een kindertuin en een lagere meisjesschool bestond. Dit imposante complex werd door stadsbouwmeester Emiel Van Averbeke ontworpen in een sobere, premoderne baksteenarchitectuur, waaruit een affiniteit blijkt met het rationalisme van Hendrik Petrus Berlage en de vormentaal van de Amsterdamse School. Het beslaat de westelijke helft van het bouwblok gevormd door de Napelsstraat, Cadixstraat, Rigastraat en Kempischdok-Westkaai, dat verder wordt ingenomen door het Aanwervingslokaal voor Havenarbeiders uit 1925-1940, eveneens door Van Averbeke. Op deze stadsgronden waren aanvankelijk, behalve het oudste aanwervingslokaal op de hoek van de Rigastraat, een Technische Lagere Hoofdschool gepland waarvoor Van Averbeke in 1922 het ontwerp tekende, evenals een ‘toevluchtsoord en ontsmettingsgebouw’ tussen beide in.

De Napelsstraat en Kempischdok-Westkaai, als noord-zuid gerichte assen begrepen tussen Napoleonkaai/Londenstraat en Indiëstraat, en de haaks aansluitende Cadixstraat en Rigastraat vormen het centrale deel van het dambordvormige stratenpatroon dat zo typisch is voor dit extra muros deel van het Eilandje dat in het laatste kwart van de negentiende eeuw geleidelijk aan gestalte kreeg. De straatnamen, toegekend in 1869, verwijzen enerzijds naar havensteden, anderzijds naar het dok waarin de Kempische Vaart uitmondde en dat in 1873 werd voltooid. De nieuwe wijk, waar bedrijfsgebouwen en woonhuizen naast elkaar werden opgetrokken, groeide snel aan, en had na verloop van tijd nood aan een duurzaam schoolgebouw ter vervanging van de houten noodlokalen.

In 1914 werden voor de bouw van de scholengroep de vereiste gronden aangekocht, maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vond de realisatie van het project voorlopig geen doorgang. Stadsbouwmeester Emiel Van Averbeke tekende in 1917 de bouwplannen, die de Gemeenteraad van Antwerpen op 4 augustus 1919 goedkeurde. De bouw van het complex ging van start met de paalfundering, die op 17 januari 1921 bij openbare aanbesteding werd toegewezen aan de Société Anonyme des Anciens Etablissements Grondel Frères uit Brussel, voor een bedrag van 453.680 Belgische frank. In tweede fase volgden de ruwbouw en afwerking begroot op tien maanden, waarvan de uitvoering op 18 april 1922 bij openbare aanbesteding werd toegewezen aan de aannemers J. Spies-Bolsée en J. Thomée uit de Lamorinièrestraat, voor een bedrag van 1.789.000 Belgische frank. Zij voltooiden de gebouwen op 20 juni 1925, en het duurde nog tot 16 maart 1927 voor de scholengroep officieel de deuren opende. Na de Tweede Wereldoorlog versmolten de jongens- en meisjesschool tot de Gemengde School 13 met kleuterafdeling in de lokalen zijde Rigastraat. In de lokalen aan de Cadixstraat werd in 1951 het Stedelijk Instituut voor Sierkunsten en Ambachten ondergebracht, dat vervolgens het volledige scholencomplex in gebruik zou nemen, evenals de helft van het Aanwervingslokaal voor Havenarbeiders opgetrokken in 1938-1940.

Tot de belangrijkste wijzigingen die het complex tijdens de naoorlogse decennia onderging, behoren het vervangen van de dakpannen door een zinkbedekking en van de dakkapellen door grotere exemplaren, van het oorspronkelijk houten schrijnwerk door PVC, evenals het vernieuwen van de sanitaire installaties. Het Stedelijk Lyceum Cadix wordt in 2017-2021 naar de oorspronkelijke toestand gerestaureerd, naar een ontwerp door het architectenbureau Korteknie Stuhlmacher Architecten uit Rotterdam. Het project omvat verder het verwijderen van latere toevoegingen en de bouw van nieuwe lokalen rond de speelplaatsen. Als uitbreiding van de campus wordt een nieuwbouwcomplex ingeplant aan Kempischdok-Westkaai, parallel aan het Aanwervingslokaal voor Havenarbeiders, dat een nieuwe functie krijgt als sporthal, refter en drukkerij.

Emiel Van Averbeke, die in 1905 in dienst trad van de stedelijke dienst gebouwen, werd in 1920 benoemd tot stadsbouwmeester, een functie die hij waarnam tot zijn overlijden in 1946. Vóór de Eerste Wereldoorlog ontwierp hij als assistent van stadsbouwmeester Alexis Van Mechelen onder meer de brandweerkazernes in de Paleisstraat en de Halenstraat, die de invloed dragen van de architectuur van Hendrik Petrus Berlage. Als stadsbouwmeester bouwde Van Averbeke in de vroege jaren 1920 verder op dit idioom, dat tot uiting komt in de stedelijke scholengroep van de Napelsstraat. Omstreeks 1930 ontwikkelde hij vervolgens een door de Nederlandse architect Willem Marinus Dudok geïnspireerd 'romantisch kubisme', waarvan de Stedelijke Normaal- en Oefenschool in de Pestalozzistraat als belangrijkste voorbeeld geldt.

Architectuur

Het complex beantwoordt aan een volkomen symmetrische opbouw, waarbij de jongensschool op de hoek van de Cadixstraat en de meisjesschool op de hoek van de Rigastraat als gespiegelde pendants de centraal ingeplante kindertuin flankeren. De drie scholen bestaan elk uit een multifunctionele voorbouw aan de Napelsstraat en een klassenvleugel achteraan op het perceel, waartussen zich de beboomde speelplaatsen uitstrekken. Deze laatste worden aan drie zijden omringd door open luifels uit staal en glas voor de jongens- en meisjesschool, en gesloten galerijen voor de kindertuin.

De totale lengte van het gevelfront aan de Napelsstraat (110,09 meter) bedraagt ruim het dubbel van de zijgevels (50,78 meter) in de Cadixstraat en de Rigastraat. Straat- en koergevels zijn opgetrokken uit rood baksteenmetselwerk in kruisverband, met spaarzaam gebruik van blauwe hardsteen voor portalen en bordessen, lekdrempels, dek- en boogaanzetstenen. Zij rusten op hoge plinten uit ruw bewerkte breuksteen (grès de la Gileppe) in de kleuren rood, bruin, geel en lichtgroen, afgeboord en met getraliede keldermonden uit blauwe hardsteen. Alle lateien, roosteringen, trappen, en de dragende structuur van de luifels boven de ingangen zijn uitgevoerd in gewapend beton.

Het drieledige gevelfront aan de Napelsstraat telt in totaal negenentwintig traveeën waaronder twee afgeronde hoektraveeën, negen voor de kindertuin en telkens tien voor de jongens- en meisjesschool. De eveneens drieledige zijgevels van de jongens en meisjesschool aan de Cadixstraat en Rigastraat, zijn samengesteld uit de twee traveeën brede opstand van de voorbouw, de afsluitmuur van de speelplaats met een breedte van veertien traveeën, en de zijgevels van de klassenvleugels van zeven traveeën. De bouwhoogte varieert van één tot drie bouwlagen onder schild- en zadeldaken, oorspronkelijk bedekt met rode pannen, later met zink, waarin hoog oprijzende schoorstenen. De oorspronkelijk kleine afgesnuite of typisch halfronde dakkapellen zijn vervangen grote rechte exemplaren. Het volledige complex is onderkelderd.

Opstanden

De kindertuin die het middendeel van het complex uitmaakt, bestaat in de voorbouw uit het inkompaviljoen van drie traveeën en twee bouwlagen onder een schilddak, dat aan weerszij wordt geflankeerd door twee aansluitende vleugels van drie traveeën en één bouwlaag onder een plat dak. De klassenvleugel achteraan de speelplaats, die sterk vooruitspringt op de flankerende klassenvleugels van de jongens- en meisjesschool, omvat zes traveeën en drie bouwlagen onder een schilddak. Gemarkeerd door hoekrisalieten oorspronkelijk met een tentdak, is de breed opengewerkte opstand opgebouwd uit vierlichten, waarbij de lage topgeleding zich onderscheidt als attiekverdieping boven een afdak. De speelplaats, vandaag een gazon met lindebomen, wordt aan drie zijden omringd door een breed opengewerkte galerij van één bouwlaag onder een zadeldak.

De jongens- en meisjesschool die de zijflanken van het complex uitmaken, vormen in de voorbouw elk een samenstel van twee getrapte volumes. Daarvan wordt het eerste, dat vijf traveeën en twee bouwlagen omvat, op de vier hoeken gemarkeerd door een blinde attiek. De meisjesschool onderscheidt zich door het portaal van het openbaar badhuis in de eerste travee. Het tweede volume van zeven traveeën en drie bouwlagen, wordt in de uiterste travee gemarkeerd door het hoger opgetrokken risaliet van het trappenhuis met een puntgevel als bekroning, en op de hoek door de afgeronde travee met het hoofdportaal en een terugwijkende, tuitvormige bekroning. Lange bakstenen muren die de speelplaatsen afsluiten,  verbinden de voorbouw en de klassenvleugel van beide scholen, geritmeerd door getoogde spaarvelden en postamenten. De klassenvleugels vormen een langgerekt volume van zes bij zeven traveeën breed en drie bouwlagen hoog. Daarvan zijn de zijgevels in de Cadixstraat en Rigastraat tweeledig van opzet, waarbij het trappenhuis zich aftekent in de drie lagere, uiterste traveeën. De opstanden aan de speelplaatsen zijn breed geopend door vierlichten in de vier middentraveeën, geflankeerd door de lagere, smalle zijtraveeën van de trappenhuizen. Luifels uit stalen vakwerkliggers op gietijzeren kolommen omsluiten aan drie zijden beide speelplaatsen.

Spaarvelden, lisenen en muurbanden bepalen het plastische reliëf van de bakstenen lijstgevels waarvan de aflijnende houten kroonlijsten regelmatig onderbroken zijn door een hoger opgetrokken, speels ingevulde muurpartij. De constructieve en decoratieve elementen van blauwe hardsteen worden gekenmerkt door een opvallende, zeer verzorgde detailuitvoering. De overwegend rechthoekige vensters, naargelang de functie van het achterliggende lokaal in hoogte en breedte verschillend en al dan niet gekoppelde tot twee- of drielichten zijn afgelijnd met betonnen (later bepleisterde) lateien en hardstenen lekdrempels. Alleen de hoekvolumes hebben op de begane grond enkele segmentboogvensters, naast de kleine steekboogvensters die de muren van de speelplaatsen doorbreken. De in oorsprong houten ramen met een variërende roedeverdeling die modulair werd uitgewerkt zijn voor een groot deel vervangen door PVC-ramen. Van de nog bewaarde houten ramen zijn op en aantal plaatsen de originele koperen spanjoletten en krukken nog aanwezig. De sterk benadrukte hoofdportalen ter hoogte van het centrale inkompaviljoen aan de Napelsstraat en van de afgeronde hoektraveeën met Cadixstraat en Rigastraat wordt gekenmerkt door een breed overkragende luifel met een leien afdak op houten consoles, een beglaasde houten vleugeldeur met siersmeedwerk en een ruime trappenbordes van vijf treden.

Plattegrond

De voorbouw van de kindertuin omvat de centrale inkomhal, met op de verdieping de conciërgewoning. De rechterflank biedt ruimte aan het kantoor met wachtkamer van de directrice, het economaat, en de refter van de kleuterjuffen, en in de rechterflank aan de conciërgeloge en -keuken, en de leraarskamer. Via de omlopende galerij staat de voorbouw in verbinding met de klassenvleugel waarvan de begane grond vier speelklassen en vier gewone klassen omvat aan weerszij van de centrale gang, met daarachter de keuken en het sanitair. Ontsloten door één zijdelings ingeplant trappenhuis met lift, bevinden zich aan weerszij van de centrale gang op de eerste verdieping zes speelklassen en op de tweede verdieping zes gewone klassen, met vestiaires en sanitair in beide zijtraveeën.

De voorbouw van de jongens- en meisjesschool omvat gelijkvloers de inkomhal op de hoek, de conciërgeloge en -keuken, het directiekantoor met wachtkamer en het economaat. In de jongensschool wordt de overige ruimte ingenomen door een voordrachtzaal en in de meisjesschool door een openbaar badhuis voor mannen en vrouwen, alle apart toegankelijk en voorzien van een wachtkamer. Daarboven bevindt zich op de eerste verdieping de turnzaal met vestiaire. Verder biedt de bovenbouw over twee niveaus ruimte aan twee tekenklassen en twee gewone klaslokalen met vestiaires, ontsloten door de traphal achteraan. Op het dakniveau is de conciërgewoning ondergebracht, met een eigen trappenhuis aan de straat. De klassenvleugels op een kamvormige plattegrond, ontsloten door twee trappenhuizen in de zijtraveeën, omvatten per verdieping drie klaslokalen verbonden door een achterliggende gang, met vestiaires in de trappenhuizen en de centrale aanbouw achteraan. Het sanitair is ondergebracht onder de luifel van de speelplaats, tegen de voorbouw aan. Op de zolders waren slaapzalen voor inwonende leerlingen (schipperskinderen) voorzien.

Interieur

Gaaf bewaard, eenvormig afgewerkt interieur waarvan de belangrijkste, tot de bouwperiode opklimmende elementen als volgt kunnen worden samengevat: bepleisterde en beschilderde muren en plafonds met zichtbare balkenconstructie die op een aantal plaatsen ondersteund wordt door typische consoles. Met beige marmer (Comblanchien) beklede trappen en trappalen en fraai uitgewerkte smeedijzeren trapleuningen met afzonderlijke houten handgreep. Originele houten binnendeuren in sobere omlijsting, waarvan een aantal deels zijn beglaasd; nog (sporadisch aanwezige) oorspronkelijke raampompen en krukken. Originele kapconstructie met samengestelde houten spanten met moerbouten en telmerken. De rode (gangen) en gele (leslokalen) keramische tegelvloeren met dito aansluitende, licht gebogen plinten dateren vermoedelijk uit de jaren 1950; in de jaren 1960 werd samen met de zinken dakbedekking de houten bebording vernieuwd. De hoge lambriseringen van witte verglaasde tegels in gangen en trapzalen dateren eveneens uit deze periode.

  • AERTS W. 1977: Emiel van Averbeke (1876-1946). Stadsbouwmeester. Zijn bijdragen tot de moderne bouwkunst te Antwerpen, onuitgegeven verhandeling Rijksuniversiteit Gent, 146-148, 174.

Bron     : Onroerend Erfgoed, digitaal beschermingsdossier DA002435, havengebied Eilandje.
Auteurs :  Braeken, Jo, Plomteux, Greet
Datum  : 2015


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Stedelijke scholengroep [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7371 (Geraadpleegd op 05-07-2020)