erfgoedobject

Kasteeldomein Pereboomveld

bouwkundig / landschappelijk element
ID
75113
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/75113

Juridische gevolgen

  • omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteeldomein Pereboomveld
    Deze vaststelling is geldig sinds

  • omvat de aanduiding als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Pereboomveld
    Deze vaststelling was geldig van tot

Beschrijving

Kasteeldomein Peereboomveld is toegankelijk via een noordelijke dreef langs de rand van het kasteeldomein. Deze dreef zorgt voor een verbinding tussen de Torhoutse Steenweg en de Diksmuidse Heerweg. Het domein bestaat uit een landhuis, een remisegebouw met stelplaats voor voertuigen, de paardenstal en de personeelswoning, een omheind neerhofje met duiventil en stalgebouw, een neogotische kapel, een ommuurde moestuin met serres, een voorraadschuurtje en een fazantenhok en de hovenierswoning (Torhoutse Steenweg 448).

De gebouwen zijn gelegen in een vrij klein park in landschappelijke stijl met vijver, dreven, toegangswegen en paden, grasperken en struikenmassieven, bomencollectie en omgevende bosbestanden.

Historiek

De naam van het kasteeldomein Peereboomveld is afgeleid van het voormalig veldgebied met bos- en heidegronden nabij de voormalige herberg Peereboom, gelegen aan de Diksmuidse Heerweg. De naam ‘Peereboomveld’ is niet als toponiem teruggevonden op historische kaarten en is heel waarschijnlijk als samenstelling door de familie van Outryve d’Ydewalle treffend gekozen naam voor het landgoed.

Bouw van een landhuis (1821-1848)

De nog onbebouwde gronden aan de Torhoutse Steenweg kwamen in 1821 in bezit van Nicolas Deschamps, leerkracht aan het Koninklijk Atheneum in Brugge, gehuwd met Marie-Madeleine Caulet Desbrulis. Deze liet een bescheiden landhuis bouwen centraal ingepland in het eigendom. In de verkoopakte van 1821 is er wel al sprake van een “maisonette”, gebouwd door een zekere mijnheer Bouba. Het landhuis wordt weergegeven op het primitief kadasterplan van 1835 als centraal volume van een samenstel van drie woningen. Volgens de kadastrale legger omvatte het eigendom een landhuis met aanpalende “lust- en moestuinen, boomgaard, bos en land”, gelegen in het gehucht Peereboom. Dat er expliciet sprake is van lusttuinen, veronderstelt dat er al een zekere parkaanleg bij het landhuis werd voorzien. Mogelijk dateren de oudste parkbomen in het huidige park, met onder meer een Amerikaanse eik en enkele tamme kastanjes met stamomtrekken boven de 4m50, uit deze periode. Langs de dreef tussen de Diksmuidse Heerweg en de Torhoutse Steenweg werd ook een kleine hoeve met personeelswoning opgetrokken.

Vermoedelijk werd al in de vroegste fase van de aanleg van het landgoed Peereboomveld ingezet op productieve bosbouw. Het voormalig veldgebied werd ontgonnen door de aanleg van rechtlijnige dreven in een min of meer geometrisch patroon, zoals staat weergegeven op het primitief kadasterplan. Volgens de kaart van Vandermaelen zijn de meeste van deze gronden omstreeks 1850 herbebost. Slechts een aantal gronden nabij het landhuis Peereboom (aangeduid als “Campagne” of “Cgne) zijn nog gekarteerd als heide (aangeduid als “bruyère” of “br”).

Uitbreiding van het grondbezit (1848-1862)

In 1848 verkocht de weduwe Deschamps-Caulet Desbrulis het domein aan een zekere Armand Marlier, hotelier en eigenaar uit Brugge. Volgens de verkoopakte was het eigendom op de grondgebieden van Sint-Andries en Sint-Michiels dan 9 hectare 17 are en 64 centiare groot: “une propriété (...) en jardinage, verger, pré, terrain planté de vigne, bois, promenades et bruyères”.

Armand Marlier liet enkele verbouwingswerken uitvoeren aan het landhuis. Uit de kadastrale mutatieschets van 1852 blijkt dat het landhuis vergroot werd en voorzien van een kleine uitbouw ter hoogte van de zijgevel. De bijgebouwen bij het landhuis werden verbouwd en vergroot tot volwaardige woningen. Uit latere notarisakten blijkt dat het arbeiderswoningen waren. Daarnaast liet Marlier ook een kippenhok, duiventil, bakhuis en hangaar bouwen.

De familie Marlier breidde het domein Peereboom stelselmatig uit tot een aaneensluitend geheel van ongeveer 27 hectare groot dat eveneens gronden omvatte ten noorden van de dreef tussen de herberg Peereboom aan de Diksmuidse Heerweg en de Torhoutse Steenweg. Op het domein bevonden zich naast het landhuis nog twee woningen en verschillende beplantingen, waaronder blijkbaar ook een wijngaard. De omschrijving in de akte wijst op een zekere vorm van landgoedbeheer gericht op landbouw en bosbouw, maar ook op een bescheiden parkaanleg. Volgens de topografische kaart van het Militair Cartografisch Instituut, eerste editie, opname 1861, bevond de toegang zich toen aan de noordzijde van het domein, met een haakse aansluiting op de dreef naar de herberg Peereboom. De toegangsdreef, waarop halverwege een verbindingsdreefje tot aan het landhuis aansloot, doorsneed het ganse domein van noord naar zuid. De nabije omgeving van het landhuis werd op de kaart schematisch weergegeven als een bescheiden parkaanleg met kleine boomgaard. Ten noorden van het landhuis liep een kronkelend pad als een soort holle weg naar de bijgebouwen en bijhorende nutstuinen gelegen langs de Torhoutse Steenweg. De omgevende percelen zuid- en westwaarts waren overwegend bebost en doorsneden door een geometrisch patroon van rechtlijnige dreven, maar behoorden nog niet tot het eigendom.

Aanleg van een park in landschappelijke stijl (1865-1884)

Het domein Peereboom kwam na een korte eigendomsoverdracht in 1862-1865 in handen van Séraphin van Troostenberghe, handelaar uit Brugge en zijn vrouw Emilie van Tyghem. In de verkoopakte van 1865 werd het landhuis dan omschreven als: “une maison de campagne avec serre, écuries, remises, sellerie, grange, étables, habitation pour les domestiques et autres dépendances, six maisons d’ouvriers et 27 hectare 85 are 20 centiare parmi fonds bâti, cour, jardins potager et d’agrement, verger, terres à labour, bois et drèves, située dans la commune de Saint-André et de Saint-Michel et une parcelle à Lophem”. Het landgoed heeft dan ongeveer dezelfde omvang als in 1862.

De familie van Troostenberghe-van Tyghem stond vermoedelijk in voor de heraanleg van het park in landschappelijke stijl. De bescheiden parkaanleg uit de periode Marlier werd na 1865 verder vormgegeven en uitgebreid. Op de kadastrale mutatieschets van 1873 werden de aparte percelen rond het landhuis verenigd onder één kadastraal nummer met als geregistreerd gebruik "lusttuin en gebouwen". Enkel het perceel bij de nieuw opgetrokken bijgebouwen werd nog geregistreerd als “weide”. In functie van de parkaanleg werden ook de arbeiderswoningen aan de Torhoutse Steenweg afgebroken. Mogelijk behoren enkele parkbomen met stamomtrekken omtrent 3m50, waaronder een zomereik, een gewone beuk, een varenbeuk, een robinia en een bijzondere rechtstammige variëteit van robinia tot deze periode. Volgens de topografische kaart van het Militair Cartografisch Instituut, tweede editie, opname 1884, werd naast de bestaande dreefstructuren een patroon van zacht gebogen en licht slingerende paden ingebracht. Hierbij werden ook een aantal nieuwe toegangen tot het domein gecreëerd: twee nieuwe hoofdtoegangen, één in de noordoostelijke hoek en één verder zuidwaarts, die rechtstreeks toegang gaven vanaf de Torhoutse Steenweg en een tweetal secundaire toegangen langs de noordgrens, vanaf de dreef naar herberg Peereboom.

De nieuwe eigenaars lieten ook enkele verbouwingen aan het landhuis uitvoeren. Uit de kadastrale mutatieschets van 1873 blijkt dat het landhuis werd vergroot. Ten zuiden werden op korte afstand van het landhuis nieuwe bijgebouwen opgetrokken. Ten noorden, verder afgelegen van het landhuis, werd bij de dreef naar herberg Peereboom een voorraadschuurtje met stookkamer gebouwd, wellicht voor het vorstvrij opslaan van zaai- en plantgoed. Tegenover het voorraadschuurtje werd een klein moestuinperceel gekarteerd.

Bouw van de ommuurde moestuin (1885)

Het landhuis kwam in 1883 via een erfenis kortstondig in handen van Polydore Siron en zijn echtgenote Valérie Lescrauwaet. De familie Siron-Lescrauwaet liet omstreeks 1885 de grote ommuurde moestuin bouwen in de noordwestelijke hoek van het domein. Deze had een oppervlakte van ongeveer 0,65 hectare en werd vervolledigd met verschillende serres, aansluitend bij het bestaande voorraadschuurtje. De serres werden zowel aan de binnen- als buitenzijde van de moestuin gebouwd. Heel waarschijnlijk werden ook koude bakken toegevoegd.

Ook liet de familie Siron-Lescrauwaet bescheiden verbouwingen uitvoeren aan het landhuis. Op de kadastrale mutatieschets van 1885 zien we een beperkte uitbreiding aan de achterzijde van het landhuis. Vermoedelijk werd daar tussen 1873 en 1885 een terras of een trappenpartij toegevoegd.

Onder de familie Siron-Lescrauwaet bereikte het landgoed haar maximale omvang in de 19de eeuw. Bij de verkoop in 1887 hield de familie een deel van de gronden in eigen bezit. Het over te dragen kasteeldomein met gronden betrof een aansluitend geheel van ongeveer 39 hectare groot.

Bouw van nieuwe bijgebouwen: koetshuis en personeelswoning (1896)

In 1887 werd het landhuis verkocht aan Célina de Serret, gehuwd met Emile van Loo. Bij de verkoop werd het eigendom als volgt omschreven: “une maison de campagne avec écurie, remise, serres, parc, jardin légumier et autres dépendances, sise et située à Saint-André, sauf une parcelle située à Saint-Michel, et une autre parcelle à Lophem, ...” en “une maison de jardinier à côté de la dite campagne”. De hovenierswoning waarvan sprake stond aan de oostelijke zijde van de dreef naar herberg Peereboom en correspondeert met een vroegere kleine hoeve met personeelswoning, die wellicht tot hovenierswoning werd herbestemd. De herberg Peereboom zelf werd in 1891, samen met nog enkele hoeves langs de Diksmuidse Heerweg, ook aangekocht Célina de Serret.

Omstreeks 1896 gaf Célina de Serret opdracht voor het bouwen van nieuwe bijgebouwen: een koetshuis met stelplaats voor voertuigen en een paardenstal met bijhorende woning voor het personeel. Volgens de mutatieschets werden hiertoe de bestaande bijgebouwen uit 1873 dicht bij het landhuis gesloopt. Eerder liet de Serret al aanpassingswerken uitvoeren aan het landhuis, onder meer de uitbreiding van het volume met twee traveeën aan zuidelijke zijde en de toevoeging van een zogenaamde cour anglaise, een smalle verdiepte koer ter hoogte van de oostgevel. In 1896 werd als sluitstuk van de aanpassingswerken aan de zuidwestgevel een wintertuin of veranda toegevoegd. Het betrof een sierlijke houten constructie met dakterras dat toegankelijk was via de deurvensters op de eerste verdieping.

Het resultaat van de aanpassingswerken onder de familie de Serret is te zien op een archieffoto van omstreeks 1896. Ondanks de verschillende uitbreidingen en aanpassingswerken betrof het nog steeds een vrij bescheiden neoclassicistisch landhuis onder zadeldak. De sobere lijstgevels werden afgewerkt met een bepleistering met imitatievoegwerk, horizontaal belijnd door de onderling verbonden onderdorpels.

Een Franse château in de Brugse rand (1903-1918). Verwerving van een landgoedcluster: de familie van Outryve d’Ydewalle

Via een complexe ruiloperatie met verspreid gelegen landbouwgronden, een schenking en verdeling van onroerende goederen in Brugge, Meetkerke, Houthave en Ettelgem, kwam het kasteeldomein Peereboom in 1903 in het bezit van ridder Emmanuel van Outryve d’Ydewalle. Het landgoed strekte zich uit over de gemeenten Sint-Andries, Sint-Michiels en Loppem en bedroeg 39 hectare 80 are 11 centiare.

Binnen dit aaneensluitend grondbezit, in hoofdzaak op het grondgebied Sint-Andries, maar daarnaast ook op Sint-Michiels en Loppem, zagen de erfgenamen van Outryve d’Ydewalle nadien gunstige kansen om een landgoedcluster uit te bouwen. Opvallend hier is de aanwezigheid van een drietal kasteeldomeinen die eigendom waren van de familie van Outryve d’Ydewalle, met name het landhuis Ter Heyde of La Bruyère gebouwd circa 1877, bewoond door Maria Aronio de Romblay (1843-1926), weduwe van ridder Charles van Outryve d’Ydewalle (1840-1876) en moeder van Stanislas en Emmanuel van Outryve d’Ydewalle, het landhuis Peereboomveld, verbouwd op initiatief van ridder Emmanuel van Outryve d’Ydewalle in 1903 en het landhuis Tudor gebouwd in 1904 op initiatief van ridder Stanislas van Outryve d’Ydewalle.

De opdrachtgever: ridder Emmanuel van Outryve d’Ydewalle

Het huidige uitzicht van het landhuis Peerboomveld is tot stand gekomen in opdracht van ridder Emmanuel van Outryve d’Ydewalle (1868-1954). Hij was in 1898 gehuwd met Marie-Josèphe van den Peereboom (1875-1961). Ridder Emmanuel van Outryve d’Ydewalle was actief in de bosbouw. Hij was bestuurslid van de Société Centrale Forestière de Belgique en van de Hoge raad voor Waters en Bossen. Bovendien was hij voorzitter van de Landbouwcomice in Brugge en erevoorzitter van de Landbouwcomice van West-Vlaanderen. Daarnaast was hij erevoorzitter van de West-Vlaamse vereniging van bloemenkwekers, bestuurslid en penningmeester van de Vrije Eigenaars- en Landbouwersbond, voorzitter van de Wateringen van Blankenberge en bekleedde hij mandaten bij regionale en provinciale veekweeksyndicaten.

Het bescheiden landhuis in neoclassicistische stijl dat door de familie de Serret werd nagelaten, onderging na 1903 een ingrijpende verbouwing onder leiding van ontwerper Kervyn de Lettenhove. Deze ingreep situeert zich binnen de opgang van de beaux-artsstijl, een internationale architectuurstroming die furore maakte na de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs. In deze Frans geïnspireerde architectuur en vormentaal werd vastgehouden aan de ontwerpprincipes van de prestigieuze École des Beaux-Arts in Parijs en werd teruggegrepen naar de grote Franse architectuurstijlen uit de 17de en 18de eeuw (Lodewijk XIV-stijl, Lodewijk XV-stijl en Lodewijk XVI-stijl).

Verbouwing van het landhuis in beaux-artsstijl (1903-1904)

De familie van Outryve d’Ydewalle-van den Peereboom deed in 1903 beroep op baron Henri Kervyn de Lettenhove voor de verbouwing van het landhuis Peereboomveld. Het oorspronkelijke volume werd verbouwd, verfraaid en heraangekleed in Franse beaux-artsstijl. Uit een plan van de bestaande toestand, met potloodaantekeningen door de ontwerper, blijkt dat deze toestand grosso modo overeenkomt met de weergave op de foto van omstreeks 1896. De raamopeningen bleven behouden maar de vrij eenvoudige boogvelden werden versierd met sierlijke neorococomotieven. De borstwering van de vensters op de verdieping werden voorzien van balusters. Het eenvoudige zadeldak werd omgevormd tot een mansardedak bedekt met schaliën en voorzien van rijk uitgewerkte dakkapellen, geflankeerd door natuurstenen vazen. De muurdammen tussen de vensteropeningen werden voorzien van bladwerkguirlandes, de hoeken werden benadrukt door geblokte pilasters. Nieuwe sluitstenen boven de vensteropeningen werden afgewerkt in de vorm van mascarons. Het bewaarde familiearchief verduidelijkt de werken die in 1903-1904 zijn uitgevoerd. Dit archief bevat alle rekeningen, vorderingsstaten en detailfacturen van de leveranciers en uitvoerders van deze werken.

De werken werden uitgevoerd door aannemer Louis Verhaeghe uit Loppem. Bij het bepleisteren van de gevels werd volgens de begrotingsstaat van 21 september 1903 eerst een test in “simili pierre” op basis van Portlandcement uitgevoerd op de oostgevel. Na goedkeuring werd beslist om de andere gevels ook te voorzien van een simili-pierre bepleistering op dezelfde basis.

De gevel werd verfraaid met zandstenen ornamenten die werden geleverd door het Brugse natuur- en marmerbedrijf Campers-Malstaf.

In deze periode werd ook het interieur grondig aangepakt. Dit is af te leiden uit de bewaarde rekeningen in het familiearchief. De verschillende ruimtes op de begane grond werden heringericht in een specifieke stijl.

De vestibule werd begin 20ste eeuw voorzien van een nieuwe trap die door Emmanuel van Outryve d’Ydewalle werd aangekocht op een veiling. De trap werd aangepast om hem te kunnen plaatsen. Bijkomende balusters werden gemaakt naar oorspronkelijk model. De tweede verdieping werd eveneens aangepast in opdracht van de familie van Outryve d’Ydewalle-van den Peereboom.

In 1903 ruilt de familie van Outryve d’Ydewalle-van den Peereboom grondeigendommen van het noordelijk gelegen Chartreuzinnenbos met de familie Jooris-Vermylen die op hun beurt een deel grond afstaan aan de familie van Outryve d’Ydewalle. Het gaat om een oppervlakte van 8 hectare 19 are aan landbouwgronden ten oosten van het landhuis Peereboomveld met onder meer een woonhuis, serres en andere afhankelijkheden op Sint-Michiels en Sint-Andries, hoofdzakelijk gelegen langs de Torhoutse Steenweg en voorheen eigendom van de familie Siron-Lescrauwaet.

Heraanleg van het park in gemengde stijl (1905-1910)

Ook de aanleg van het park werd in deze periode bijgestuurd. Het is voorlopig onbekend of de familie van Outryve d’Ydewalle-van den Peereboom een tuinontwerper of landschapsarchitect aantrok bij de herwerking van het eigendom. In elk geval sloot het nieuwe ontwerp met ingebrachte dreven aan bij een typische neoklassieke oefening die samen spoorde met de architecturale aanpassingen van het landhuis in beaux-artsstijl. Het resultaat werd een parkaanleg in gemengde stijl of ‘style composite’. De huidige eigenaars vermoeden dat het ontwerp door Emmanuel van Outryve d’Ydewalle zelf ingegeven is.

Volgens de topografische kaart van het Militair Cartografisch Instituut, derde editie, opname 1911 werd naast de bestaande dreefstructuren een opvallende dreef toegevoegd die het landgoed min of meer diagonaal doorsneed. Deze dreef, aan de grens van het landgoed gemarkeerd door twee natuurstenen zuilen van blauwe hardsteen, werd nagenoeg loodrecht op de deuropening van de westgevel van het landhuis georiënteerd. Via deze zogenaamde Kapelledreef werd de neogotische kapel ontsloten.

In de bosbestanden ten westen en ten zuiden werden nog dreven toegevoegd maar deze reikten niet tot aan de nabije omgeving van het landhuis. Wel komen de aslijnen van drie van de toegevoegde dreven, waaronder de Kapelledreef, in eenzelfde snijpunt voor de toenmalige wintertuin of veranda (huidig terras) van het landhuis samen. Tussenin werden twee tuinkamers gecreëerd die samen met het voorliggende grasperk voor een boeiend panorama zorgen.

Het bestaande patroon van zacht gebogen en licht slingerende paden werd daarop beperkt aangepast en zelfs nog wat uitgebreid. Langs de paden werd een begeleidende beplanting aangebracht van onder meer bruine beuken. Ondanks een beperkte en dus onnauwkeurige voorstelling op de topografische kaart, blijkt dat bij deze herwerking ook een ovale vijver met klein eilandje werd aangelegd.

De aangehaalde wijzigingen en toevoegingen zijn ook te interpreteren uit twee bewaarde Belgische militaire luchtfoto’s, beide genomen op 17 juli 1918. Rond het landhuis is een parkaanleg in landschappelijke stijl herkenbaar die voortbouwt op een reeds eerder geïntroduceerde, gelijkaardige stijloefening. Uit deze periode dateren enkele parkbomen met stamomtrekken omtrent 2m50, waaronder een bomencirkel van een zestal beuken, een treurbeuk, twee moerascipressen, een reuzenlevensboom en twee zilversparren.

Op de topografische kaart van het Militair Cartografisch Instituut, derde editie, opname 1911 en op de militaire luchtfoto’s van 1918 is ook de grote ommuurde moestuin van omstreeks 1885 te zien, alsook een zuidelijk aansluitende boomgaard. Het kadaster registreert voor deze periode zowel de gedeeltelijke afbraak als de gedeeltelijke heropbouw van enkele serres.

Het landgoed rond het vernieuwde landhuis werd door de familie van Outryve d’Ydewalle-van den Peereboom in 1909 in elk geval nog uitgebreid met de aankoop van landbouwgronden, arbeiderswoningen en een hoeve gelegen op de grondgebieden van Sint-Andries en Sint-Michiels. Deze eigendommen, opnieuw ten oosten van het landhuis Peereboomveld en samen 9 hectare 23 are 44 centiare groot, werden ditmaal aangekocht van de familie Jooris-Vermylen en behoorden eertijds ook tot de familie Siron-Lescrauwaet.

Bouw van een nieuwe veranda (1913)

In 1913 werd de bestaande kelder van het kasteel uitgebreid met een nieuwe kelder gelegen onder de nieuwe veranda die tegen de westgevel gebouwd werd. De nieuwe veranda werd gebouwd naar ontwerp van de Brugse architect Alphonse De Pauw (1867-1937). De veranda wordt getypeerd door sierlijk houten schrijnwerk.

Het landgoed tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtten de familietakken van Outryve d’Ydewalle naar Ramsgate in Engeland. Hun landhuizen Ter Heyde of La Bruyère en Tudor werden bezet door de Duitsers. Het landhuis Peereboomveld werd gebruikt als toevluchtsoord voor de monniken van de Sint-Andriesabdij Zevenkerken, waar een “Kriegslazaret” werd ingericht. In het Groot salon van het landhuis Peereboomveld werd voor de religieuze gemeenschap een tijdelijke kapel ingericht. De schouwmantel werd voorzien van een tabernakel, een kruisbeeld en enkele kandelaars. De vensteropening in de zijgevel werd verduisterd door gedrapeerde doeken.

Een modellandgoed gericht op productieve bosbouw (1920-1938)
Chevalier-sylviculteur

Kort na de Eerste Wereldoorlog werd het landgoed rond het landhuis Peereboomveld systematisch uitgebreid. De familie van Outryve d’Ydewalle-van den Peereboom slaagde erin om in 1920 een deel van het domein van het voormalige Kartuizerinnenklooster Sint-Anna-ter-Woestijne op Sint-Andries aan te kopen van de familie Jooris-Vermylen. Volgens een nota van ridder Emmanuel van Outryve d’Ydewalle besloeg het landgoed daarna een totale oppervlakte van 95 hectare 49 are 47 centiare. Het volledige eigendom van de familie d’Outryve d’Ydewalle in de landgoedcluster in Sint-Andries met aansluitende kasteeldomeinen Ter Heyde en Tudor besloeg op dat ogenblik ongeveer 290 hectare.

De boseigendommen hadden flink te lijden gehad onder de Duitse bezetting en werden gedeeltelijk herbebost. Ook de ontginningsdreven werden daarbij gedeeltelijk heraangeplant, waarbij enkele zelfs werden gehertraceerd om ze uit te lijnen met de overige boseigendommen.

Het productieve bosbouwsysteem vertrok op innovatieve wijze van een onderbeplanting van Douglasspar in bestaande oude dennenbestanden, waarin nadien een progressieve dunning werd doorgevoerd. Hierbij werd dus niet langer uitgegaan van kaalkap en nieuwe vlaksgewijze aanplant, maar van kunstmatige verjonging onder een bestaand bomenscherm. Als bosbeheerder of “sylviculteur” had de familie van Outryve d’Ydewalle begrepen dat de nadelige gevolgen van kaalkap, met onder meer verlies van de humuskwaliteit en bodemdegradatie door blootstelling aan de zon, vermeden konden worden. De resultaten werden opmerkelijk genoemd, temeer omwille van de algemeen droge condities van de lokale arme zandgronden en de aanwezige veldsteenbanken in de ondergrond die zorgen voor een moeilijke doorwortelbaarheid. De beproefde bosbouwtechniek bespaarde kosten en arbeid van plantgoed en bodembewerking en liet ook toe om de beste dennen langer op stam te houden, wat hun waarde als zaaghout op termijn deed toenemen.

Terloops worden in het excursieverslag ook de kwaliteiten van het park van het landhuis Peereboomveld aangehaald, met onder meer Hemlocksparren en ceders: “Nous admirons quelques bouquets d’essences intéressantes, parmi lesquelles des Tsuga et des Cèdres; la gracieuse architecture du jardin et le bon goût qui à présidé à la disposition des massifs et des parterres de fleurs”. In deze fase moeten opnieuw enkele toevoegingen in de parkbomencollectie zijn aangebracht, met enkele parkbomen met stamomtrekken omtrent 1m50, waaronder een gewone esdoorn met purperrode bladonderzijde, een variëteit van de Californische schijncipres, een zomerlinde met ingesneden blad en een Westerse Hemlockspar. Ook enkele snelgroeiende parkbomen met grotere stamomtrekken, waaronder een Atlasceder, kunnen tot deze fase behoren.

Bouw toegangspoort en uitbreiding koetshuis (1932)

In 1932 werden langsheen de Torhoutse Steenweg naar ontwerp van de Brugse architect Antoine Dugardyn sr. (1889-1962) ook twee toegangshekken gebouwd met bijhorende hekpijlers. Daarbij werden ook de baangrachten van de steenweg plaatselijk overbrugd. De hekkens, oorspronkelijk in hout, werden andermaal uitgevoerd door de firma Verhaeghe uit Loppem en zijn later verwijderd. De hekpijlers werden gebouwd in betonsteen met afwerking van simili-pierre. Eén van de pijlers werd voorzien van het opschrift “Peereboomveld.”. De niet op plan aangeduide bekronende vazen werden vermoedelijk later toegevoegd.

Volgens de kadastrale mutatieschetsen werd in 1932 ook een bijkomend volume gebouwd, haaks op het koetshuis. Het gaat vermoedelijk om een beperkte uitbreiding van de personeelswoning. Aanvullend wordt tegen de begrenzing van het neerhofje een vrijstaand stalgebouw voor neerhofdieren opgetrokken.

Verdere uitbreiding van het landgoed (1938)

Kort voor de Tweede Wereldoorlog ruilt Marie-Louise Thibault de Boesinghe, gehuwd met de verwante Emmanuel van Outryve d’Ydewalle de Diest enkele gronden op het grondgebied Loppem en voorheen eigendom van baron Louis Gillès de Pélichy, met de familie van Outryve d’Ydewalle-van den Peereboom. Zo wordt in 1938 nog een oppervlakte van 2 hectare 19 are en 82 centiare aan bosgronden (zowel naaldhout als hakhout) en een dreef (deels ingenomen door heidegronden), toegevoegd aan het landgoed. Voor de bosbouwkundige waardebepaling liet de familie zich adviseren door landbouwingenieur Lothaire Van Haverbeke, opzichter van de buitengoederen van de Burgerlijke Godshuizen in Brugge.

Latere ontwikkelingen (1954-heden)

Ridder Emmanuel van Outryve d’Ydewalle overleed op 14 april 1954. Na het overlijden van zijn weduwe Marie-Josèphe van den Peereboom in 1961 kwam het kasteel in het bezit van hun oudste dochter Marie-Jeanne van Outryve d’Ydewalle (1900-1993) en hun zoon, ridder Charles van Outryve d’Ydewalle (1901-1985), die in 1927 gehuwd was met Georgette Ryelandt (1906-1980).

Omstreeks 1961 werd de veranda uit 1913, ontworpen door architect Alphonse De Pauw, afgebroken. Op de plaats waar de veranda stond werd een terras aangelegd met een blauwhardstenen balusterleuning. Twee onuitgevoerde ontwerpen van de Brugse kunstsmid Jan Van den Abeele uit 1967 bleven bewaard voor een toegangspoortje tot het terras. Ook werden enkele aanpassingen aan de voorgevel uitgevoerd. De deuropening werd voorzien van een nieuwe omlijsting in geblokte natuursteen. Tussen de deur- en vensteropeningen werd een gepleisterd paneel geplaatst met geprofileerd lijstwerk waarin een metalen lantaarn werd geplaatst. Op de verdieping werden de deurvensters voorzien van drie smeedijzeren balustrades.

Nog in de jaren 1960 werd het kasteel voorzien van centrale verwarming. Op de eerste verdieping werden twee badkamers ingericht en de werden de slaapkamers voorzien van een wastafel of lavabo en een wasbekken of bidet. Ook het overige sanitair werd vernieuwd.

Na het overlijden van ridder Charles van Outryve d’Ydewalle in 1985 en een complexe erfenisregeling kwam een deel van het landgoed rond het landhuis Peereboomveld via Marie-Jeanne van Outryve d’Ydewalle in handen van ridder Géry van Outryve d’Ydewalle (1946-2025). Hij huwde Françoise Pouilliart (°1948) en kwam in 1989 met zijn gezin op het landhuis Peereboomveld wonen. Het landhuis stond op dat moment al enkele jaren leeg en daarom werden enkele noodzakelijke herstellings- en opfrissingswerken uitgevoerd. De werken werden uitgevoerd naar ontwerp van architect Leo Van Broeck (°1958).

Het remisegebouw bevond zich in een slechte staat en werd omstreeks 1989 voorzien van een tijdelijk dak met golfplaten. De twee uiterste traveeën waren oorspronkelijk voorzien van twee bouwlagen. Op enkele foto’s van 1987 is de oorspronkelijke toestand van het remisegebouw te zien. Het centrale volume van vier traveeën breed en één en een halve bouwlaag werd horizontaal belijnd door een bakstenen sierlijstje ter hoogte van de ontlastingsbogen op de begane grond en de onderdorpels op de verdieping. Links en rechts werd het centrale volume geflankeerd door een volume van twee bouwlagen hoog. Oorspronkelijk waren de zijgevels afgewerkt als een lijstgevel. Na het afbreken van de halve verdieping en de bovenste bouwlaag van de linker- en de rechtertravee werden de zijgevels omgevormd tot een puntgevel. Bij de linkerzijgevel werd het raam op de verdieping verkleind. Het oorspronkelijk dak, vermoedelijk bedekt met schaliën, werd vervangen door een nooddak. Het oorspronkelijk dakgebinte werd vervangen door een nieuw.

In 2012-2014 werd de kelderverdieping van het landhuis gerenoveerd en ingericht als kantoor en bibliotheek, naar ontwerp van de Brugse architecte Gudrun Blomme. Hierbij werd rekening gehouden met de oorspronkelijke vloer, deur- en vensterschrijnwerk. In 2020-2023 werden de dakkapellen en bakgoten hersteld naar historisch model.

Op het kasteeldomein bevinden zich verschillende bouwkundige elementen, die samen met de parkomgeving en enkele aansluitende bosbestanden een gaaf bewaard ensemble vormen. Het domein is toegankelijk via twee toegangen aan de Torhoutse Steenweg. De pijlers zijn opgebouwd uit baksteen, voorzien van een simili-pierre bezetting. De linkerpijler is voorzien van de naam ”Peereboomveld.”. De bekronende vazen, van gegoten beton, werden later toegevoegd. Bij de pijlers sluit een laag bakstenen muurtje aan van rode baksteen en dekstenen van betonsteen.

Beschrijving

Landhuis

Landhuis in beaux-artsstijl, waarvan het huidig uitzicht teruggaat tot 1902-1904. Volume op rechthoekige plattegrond van vijf traveeën breed en twee bouwlagen hoog onder een mansardedak bedekt met leien. Het mansardedak is voorzien van houten dakkapellen voorzien van kenmerkende neorococo-elementen zoals onder meer klauwstukken, kleine roedeverdeling en centraal een schelpmotief of rocaille. De dakkapellen, vijf ter hoogte van de hoofdgevels en telkens drie ter hoogte van de zijgevels, worden telkens geflankeerd door gesculpteerde natuurstenen vazen geplaatst op een sokkel bezet met simili-pierre op basis van portlandcement. Op het dak prijken imposante schouwen bezet met simili-pierre en voorzien van een segmentboogvormige frontonbekroning. Het bovenste dakvlak van het mansardedak is voorzien van houten oeil-de-boeuf dakvensters gekenmerkt door een schouderboog. De uiteinden van het mansardedak zijn links en rechts voorzien van imposante schouwmassieven gekenmerkt door een bezetting met simili-pierre met imitatievoegwerk.

De uitwerking van de gevels is kenmerkend voor de beaux-artsstijl. Typerend is de sterk symmetrische opbouw van de gevel, het rijke natuursteengebruik voor onder meer de ornamentiek in combinatie met gepleisterde gevelonderdelen in simili-pierre op basis van Portlandcement. Het voorkomen van de kenmerkende ornamentiek zoals frontons, mascarons, zuilen, balusterleuningen en pilasters tussen de venstertraveeën en de hoekpilasters.

De gevels zijn opgevat als lijstgevels en worden zowel horizontaal als verticaal belijnd. De doorgetrokken onderdorpels, de waterlijsten en de kroonlijst zorgen voor een horizontale belijning van de gevel. De hoeken van de gevels worden benadrukt door de pilasters tussen de venstertraveeën en de hoekpilasters met imitatievoegwerk. Het landhuis heeft een hoge erfgoedwaarde.

De oostgevel is vijf traveeën breed en ter hoogte van de linkertravee uitgewerkt als een risaliet. Voor de gevel staat een balusterleuning bevestigd aan pilasters bekroond met een sierlijk vaasornament. Achter de balusterleuning bevindt zich de toegang tot de kelderverdieping. De kelderverdieping is opengewerkt met rechthoekige vensteropeningen voorzien van behouden schrijnwerk getypeerd door grote roedeverdelingen en bewaarde luiken. Een arduinen trap geeft toegang tot deze kelderverdieping waar de dienstvertrekken met onder meer de keuken van het personeel was gevestigd.

De gevel is opengewerkt met rondboogvormige vensteropeningen. Op de begane grond voorzien van een mascaron en op de verdieping balusterleuningen en boogvelden voorzien van rocailles en bladwerk. Ook de uiterste linkertravee, uitgewerkt als risaliet, is op de begane grond voorzien van een rondboogvenster. De vensters bewaren hun oorspronkelijk schrijnwerk getypeerd door kleine roedeverdeling, op de begane grond met rocaille en in de uiterste linkertravee zonder roedeverdeling. Oorspronkelijk waren de vensters op de begane grond voorzien van luiken confer de bewaarde duimen.

De vensteropeningen zijn voorzien van uitgewerkte zandstenen sluitsteen voorzien van een mascaron of een man met baard en/of een snor.

De westgevel telt vijf traveeën. De vensteropeningen ter hoogte van de vroegere veranda, nu terras, zijn aan de westgevel uitgewerkt als deurvensters en voorzien van een geblokte of vlakke omlijsting. De muurdammen werden na het wegnemen van de veranda voorzien van panelen met eenvoudig houten beschilderd lijstwerk. Op de verdieping zijn de oorspronkelijke vensteropeningen bewaard gebleven. Deze zijn telkens voorzien van een rondboogvormig boogveld met een zandstenen motief getypeerd door een schelpmotief en krulwerk. De muurdammen zijn voorzien van panelen en sierelementen zoals bladwerkguirlandes. De borstwering is voorzien van zandstenen balusters.

De noordgevel is drie traveeën breed. Deze gevel is op de begane grond opengewerkt met twee rondboogvensters en één rechthoekig venster. Oorspronkelijk voorzien van luiken confer de bewaarde duimen. Op de verdieping een blind venster en twee rechthoekige vensters. De vormgeving en versiering in zandsteen is dezelfde als die van de andere gevels. De toegang tot de kelderverdieping via een smalle verdiepte koer of “Cour Anglaise” is op de begane grond voorzien van een natuurstenen balusterleuning zijn gevat tussen pilasters voorzien van gesculpteerde vazen. De toegangstrap tot de kelderverdieping is van blauwe hardsteen. De plint is opengewerkt met twee betraliede half verzonken kelderopeningen.

De zuidgevel is drie traveeën breed. Deze gevel is rijker uitgewerkt dan de noordgevel. De gevel wordt verticaal belijnd door de geblokte pilasters met imitatievoegwerk. De gevel is opengewerkt met rondboogvormige venster- en deuropeningen op de begane grond en rechthoekige vensteropeningen op de verdieping.

Bewaard sierlijk schrijnwerk getypeerd door kleine roedeverdeling en op het kalf een schelpmotief of rocaille. Oorspronkelijk waren de beneden vensters voorzien van luiken confer de bewaarde duimen.

Interieur

Typerende plattegrond met centrale inkom aan de westkant waar een enfilade van verschillende salons op uitkomen. Vestibule met aankleding in neorococostijl. Vanuit de inkom zijn de salons toegankelijk via dubbele paneeldeuren met bewaard hang- en sluitwerk. Het voormalig rooksalon is een salon in neo-Vlaamse renaissancestijl. Het Groot salon bestond oorspronkelijk uit twee gescheiden ruimtes, evenwel voorzien van sterk gelijkende stucafwerking met Louis XVI-stijlkenmerken. Aansluitend twee salons in neoclassicistische stijl. De eetkamer is aangekleed in neo-Vlaamse renaissancestijl.

Het kasteel is volledig onderkelderd. Het plafond bestaat uit bepleisterde bakstenen troggewelfjes. De vloer bestaat uit de oorspronkelijke cementtegels gelegd in ruitmotief. De oorspronkelijke deuren met hang- en sluitwerk zijn bewaard gebleven.

Op de verdieping is de diensttrap nog deels bewaard. De kamers bewaren eenvoudg lijstwerk, marmeren schouwen en plankenvloeren die mogelijk nog restanten zijn van het vroegere landhuis.

Remisegebouw met stelplaats voor voertuigen, paardenstal en personeelswoning

Het remisegebouw met stelplaats voor voertuigen, paardenstal en personeelswoning, aanvankelijk met anderhalve bouwlaag, werd gebouwd omstreeks 1896 (confer jaarsteen in de linker zijgevel en mutatieschets kadaster). Waarschijnlijk bestonden de uiterste traveeën oorspronkelijk al uit een volwaardige tweede bouwlaag in functie van de huisvesting van dienstpersoneel. Het volume onderging daarna nog meerdere verbouwingen (confer mutatieschets kadaster en vermoedelijk enkele niet geregistreerde latere verbouwingen). Omstreeks 1932 werd het volume beperkt uitgebreid en werd de binneninrichting van het remisegebouw aangepast. Omstreeks 1989, toen op het remisegebouw een nooddak werd aangebracht, werden de halve bouwlaag in de middelste traveeën en de tweede bouwlaag op de uiterste traveeën verwijderd.

Het huidige remisegebouw betreft een éénlaags bakstenen volume van vier traveeën onder zadeldak waarvan de oorspronkelijke pannen bedaking vervangen is door een dak met golfplaten. Het zadeldak is gevat tussen puntgevels van twee traveeën breed. Het remisegebouw met stelplaats voor voertuigen, paardenstal en personeelswoning heeft ondanks de aanpassingen een potentieel hoge erfgoedwaarde.

De linker zijgevel gericht naar het landhuis is verlevendigd door gebruik van blauwgrijze en gele baksteen. Deze zijgevel is opengewerkt met segmentboogvensters met geblokte ontlastingsbogen met arduinen aanzet- en sluitstenen. Er is gebruik gemaakt van blauwgrijze baksteen voor de plint, de horizontale belijning van de gevel en het benadrukken van de ontlastingsbogen en de jaarsteen.

De voorgevel, met gebruik van blauwgrijze baksteen voor de plint, is nu opengewerkt met drie poortopeningen. Oorspronkelijk waren er vier of vijf rechthoekige poortopeningen met afgeronde bovenhoeken, onder strek en kopse laag van gesinterde baksteen. Bij de huidige twee rechter poortopeningen zijn de oorspronkelijke vleugelpoorten en het hang- en sluitwerk bewaard. De huidige houten schuifpoort ter hoogte van de linkertravee vervangt ofwel een vroegere deur- en raamopening ofwel een vroegere poort. Het schrijnwerk van de poorten, zowel de oorspronkelijke als de schuifpoort, is rood-wit geschilderd, in de kleuren die typerend zijn voor de familie van Outryve d’Ydewalle. De ontlastingsbogen zijn voorzien van blauwhardstenen aanzet- en sluitstenen. Boven de poorten bevinden zich onregelmatige kleine openingen en blauwhardstenen geprofileerde consolestenen die vermoedelijk wijzen op een vroeger afdak.

De rechter zijgevel, met plint van blauwgrijze baksteen, en eenvoudig bakstenen parement zonder siermetselwerk is opengewerkt met twee deuren en één segmentboogvenster. Een keldervenster, eveneens met segmentboog, is gedicht.

De achtergevel opgetrokken in een eenvoudig bakstenen parement is een bijna blinde gevel. Slechts op drie plaatsen onder meer ter hoogte van de nog aanwezige paardenboxen is deze gevel opengewerkt met segmentboogvensters.

Interieur

Het remisegebouw is onderkelderd. De begane grond was oorspronkelijk ingericht als stelplaats voor voertuigen en een paardenstal met twee bewaarde paardenboxen. De bovenverdieping werd vermoedelijk gebruikt als hooizolder en wellicht ook als slaapplaats voor het dienstpersoneel.

Het remisegebouw bewaart de oorspronkelijke bakstenen vloer in visgraatmotief. Deze is opgebouwd uit rode baksteen en afgelijnd ter hoogte van de poortingangen een afboording bestaande uit blauwgrijze baksteen. Het plafond is voorzien van bakstenen troggewelfjes, die oorspronkelijk bepleisterd waren, tussen ijzeren profielen.

De paardenstal bewaart een oorspronkelijke inrichting bestaande uit twee boxen met metalen hekwerk tussen ronde palen met bolbekroning. Het onderste deel van de afsluiting van de paardenboxen is voorzien van een houten beplanking. In de boxen bevindt zich een voederbak. De ruiven zijn verdwenen. De muren zijn voorzien van een imitatienatuursteen beschildering met rood geschilderd voegwerk, gecementeerde tegels boven een roodgeschilderde en bepleisterde plint. Tegeltjes met boordsteen voorzien van een meanderend motief.

De uiterste rechtertravee had oorspronkelijk dezelfde functie als de middelste traveeën. De muren zijn daar ook afgewerkt met een imitatiebeschildering bestaande uit rood voegwerk en het plafond is voorzien van bepleisterde bakstenen troggewelfjes. De vloer is voorzien van een cementtegelvloer die vermoedelijk later is aangebracht toen de woonfunctie van dit compartiment verbeterd werd.

Omheind neerhofje met duiventil en stalgebouw

Het oorspronkelijk neerhofje, ten noorden grenzend aan het remisegebouw, is gedeeltelijk afgebakend met geelbakstenen afsluitmuren onder ezelsrug. Aan de oostzijde bevindt zich een smalle toegang tussen bakstenen pilasters met piramidevormige bekroning, eveneens in baksteen. In de smalle toegang moet zich een deur of voorheen mogelijk een spijlenhek bevonden hebben. Overige delen van de afbakening bestonden vermoedelijk ook uit spijlenhekwerk dat door middel van duimen was bevestigd aan bakstenen pilasters, identiek aan deze van de afsluitmuren.

Binnen het neerhofje bevindt zich een duiventil en op de grens ervan ook een klein stalgebouw dat oorspronkelijk gebruikt werd voor het ophokken van neerhofdieren. Het neerhofje kon ook via het stalgebouw bereikt worden. Het omheind neerhofje en de duiventil hebben een hoge erfgoedwaarde. Het stalgebouw heeft een beperkte erfgoedwaarde.

Duiventil

De duiventil, daterend van voor 1862 (confer verkoopakte), heeft een achthoekige plattegrond en is bekroond door een kegelvormig leiendak met verhoogde lantaarn, deels met horizontale beplanking en voorzien van een opening dienend als uitvlieggat. De duiventil is een constructie in knoestarchitectuur, geritmeerd door eikenstammen en gevelvlakken bezet met lokale veldsteen. De eikenstammen op de hoeken zijn bovenaan voorzien van schuine schoren. De deuropening en één kleine raamopening zijn gevat in een omlijsting van eikenstammen en bovenaan driehoekig afgewerkt. Bij de deuropening fungeert de afwerking als bovenlicht. De overige raamopeningen zijn gedicht en zonder houten omlijsting. De rechthoekige deur, met bewaard beslag en onderaan een luikje, is rood geschilderd.

Interieur

De begane grond is voorzien van een bakstenen bevloering. De muren zijn bezet met een kalkpleister. In het interieur zijn geen elementen meer aanwezig die verwijzen naar de oorspronkelijke functie. Volgens de huidige eigenaars was dit gebouwtje naast duiventil ook tijdelijk in gebruik als kippenhok. In het remisegebouw staat nog een van de vroegere houten legbakken van de kippen. De verdieping is toegankelijk via een houten ladder.

Stalgebouw

Het stalgebouw, daterend van rond 1932 (confer mutatieschets kadaster en vermoedelijk enkele niet geregistreerde recentere verbouwingen), telt één bouwlaag onder een golfplaten lessenaarsdak en is vier traveeën breed. Volgens de huidige eigenaars was dit volume in gebruik als varkenshok. Het gebouwtje is opgetrokken op de grens van de vroegere omheining van het neerhofje. De bakstenen pilasters van de omheining zitten geïntegreerd in het roodbakstenen parement van het gebouw. De gevel gericht naar het neerhofje is voorzien van enkele kleine rechthoekige vensteropeningen. De andere gevel is opengewerkt met drie rechthoekige deuropeningen met bewaard deurschrijnwerk.

Neogotische kapel

Vrijstaande neogotische kapel ten westen van het landhuis, gelegen in een bosbestand nabij de dreef grenzend aan het kasteeldomein Tudor, ontsloten via de zogenaamde Kapelledreef. Volgens de huidige eigenaars is de kapel gebouwd rond 1909. De kapel heeft een roodbakstenen parement met cementbezetting. Het leien zadeldak is gevat tussen twee puntgevels met aandaken uitkragend op schouderstukken. De aandaken zijn afgeboord met brede natuurstenen dekstenen. De voorgevel is centraal voorzien van een oculus en een bekronend smeedijzeren kruis. De hoofdgevel is opengewerkt door een spitsboogdeur met afgeschuinde dagkanten. Bewaard deur- en vensterschrijnwerk. De vleugeldeur wordt getypeerd door briefpanelen en betraliede rechthoekige vensters. Op de hoeken, haaks op elkaar gestelde steunberen met blauwhardstenen afzaat. De zijgevels zijn opengewerkt met spitsboogvensters met afgeschuinde dagkanten en tralies. De kapel heeft een hoge erfgoedwaarde.

Interieur

Het interieur bewaart een houten gewelf voorzien van een beplanking. De wanden en het altaar zijn bezet met geëmailleerde tegeltjes. De tegeltjes zijn voorzien van een Maria-monogram en gestileerde bloemmotieven. De vloer bestaat uit grijsblauwe cementtegeltjes met eenvoudig geometrisch motief. Het altaar is toegankelijk via een traptrede van blauwe gesinterde baksteen en voorzien van een gipsen altaarstuk met voorstelling van de Heilige Maria en Jezus in het timmermansatelier van de Heilige Jozef. Het altaarstuk draagt onderaan het opschrift “Pietas – Labor” (Vroomheid en Werk) en bovenaan op de haard voorzien van een banderol met opschrift “Et erat subditus illis” (En Hij was hun gehoorzaam), een Bijbel-uitdrukking uit Lucas, hoofdstuk 2, vers 51. Het altaarstuk werd in 2016 gerestaureerd.

Ommuurde moestuin met serres, voorraadschuurtje en fazantenhok

De ommuring van de moestuin dateert van omstreeks 1885 (confer mutatieschets kadaster). Op het perceel was omstreeks 1873 al een beperktere moestuin geregistreerd, samen met een vrijstaand volume ten noorden, dat wellicht als een kleine verwarmde voorraadschuur moet worden geïnterpreteerd. In de moestuin werden tussen 1885 en 1932 (confer mutatieschetsen kadaster) meerdere serres en koude bakken toegevoegd en vervangen.

De ommuurde moestuin is toegankelijk via een fraaie witgeschilderde houten poort met neobarok motief, gevat tussen twee bakstenen pijlers met eenvoudige arduinen afdeksteen. De oorspronkelijke natuurstenen bolbekroningen zijn bewaard in het remisegebouw. De moestuinmuren zijn plaatselijk voorzien van steunberen en bovenaan afgewerkt met pannen. De muur langs de noordelijk zijde van de moestuin is gedeeltelijk omgevallen, de bakstenen zijn in situ bewaard. Tegen het resterende deel van de noordelijke muur is een serre aangebouwd, die deels bewaard is.

In de moestuin lag een kruisvormig padenpatroon. Vermoedelijk kon de moestuin betreden worden vanuit een centrale poort in de noordelijke en een centrale poort in de zuidelijke muur, alsook via een centrale deur in de westelijke muur.

Binnen de moestuin is een deels bewaarde vrijstaande serre aanwezig, waarnaast een recente betonnen waterput is gelegen. Verder zijn er restanten van vervallen serres en vervallen koude bakken aanwezig.

Buiten de moestuin bevindt zich aan de noordzijde een deels bewaard voorraadschuurtje, opgetrokken in baksteen met een deur- en raamopening. Bij deze vrijstaande constructie is ook een kleine vierkante schoorsteen bewaard, mogelijk als restant van de stookkamer. Aansluitend op de westelijke moestuinmuur is een deels bewaard betonnen fazantenhok aanwezig. Verder is er een restant van vervallen muurserre aanwezig. Deze constructies zijn door de sterk overgroeide toestand moeilijk te interpreteren.

De moestuinmuren met poort- en deuropeningen hebben een hoge erfgoedwaarde. Het voorraadschuurtje heeft een potentieel hoge erfgoedwaarde. De muurserre en de vrijstaande serre binnen de moestuin en het fazantenhok buiten de moestuin hebben een beperkte erfgoedwaarde.

Hovenierswoning

De hovenierswoning is gelegen langs de dreef van de Torhoutse Steenweg naar de Diksmuidse Heerweg. De oudste weergave van deze woning vinden we terug op het primitief kadasterplan van 1835, voor de aanleg van de moestuin. Vermoedelijk werd de woning toen als kleine hoeve met (opzichters)woning gebruikt. In 1887 (confer verkoopovereenkomst), kort na de realisatie van de ommuurde moestuin, wordt ze uitdrukkelijk vermeld als hovenierswoning.

Volume van één bouwlaag onder een pannen zadeldak. Dubbelhuisopstand van vier traveeën breed met verankerd bakstenen beschilderd bakstenen gevelparement. De lijstgevel is bovenaan afgewerkt met een tandlijst met overhoeks geplaatste bakstenen. De gevel is opengewerkt met rechthoekige muuropeningen. Vernieuwd deur- en vensterschrijnwerk. Bewaarde luiken. De luiken zijn rood-wit geschilderd, in de kleuren die typerend zijn voor de familie van Outryve d’Ydewalle.

Park en bosbestanden

Vijver, dreven, toegangswegen en paden, grasperken en struikenmassieven, bomencollectie

Het kasteeldomein Peereboomveld omvat een vrij klein park in gemengde stijl of ‘style composite’ die fasegewijs tot stand is gekomen, met overwicht van landschappelijke stijlkenmerken. Een kronkelend pad, als een soort holle weg, een aantal omvangrijke parkbomen (Amerikaanse eik en tamme kastanjes) en enkele dreven (Amerikaanse eik, gewone beuk) herinneren aan deze vroegste fase met vroeg-Romantische parkaanleg uit het tweede kwart van de 19de eeuw. Eén opmerkelijke tamme kastanje, hoogstwaarschijnlijk van voor de vroegste parkaanleg, is vermoedelijk als bundelboom aangeplant om de gemeentegrens tussen Sint-Andries en Jabbeke te markeren.

De vroegste parkaanleg in het kasteeldomein Peereboomveld moet omstreeks 1873 gewijzigd en uitgebreid zijn, met bijkomende zacht gebogen en slingerende paden en nieuwe toegangen. Ook uit deze periode met laat-Romantische kenmerken resteren enkele parkbomen (zomereik, varenbeuk, robinia en bijzondere rechtstammige variëteit van robinia).

De omvangrijkste fase van de parkaanleg sluit aan bij de periode kort na de verbouwing van het landhuis tussen 1902 en 1904. Daarbij werden enkele opvallende dreefstructuren toegevoegd en een ovalen vijver met klein eilandje aangelegd. Het resultaat draagt enkele subtiele kenmerken van de gemengde stijl of ‘style composite’ in zich, waarin de landschappelijke stijl wordt gemengd met een neoklassieke stijl. Deze oefening vertaalt zich in een drieledig drevenpatroon waarvan de aslijnen in eenzelfde snijpunt voor de toenmalige veranda (huidig terras) van het landhuis samenkomen. Tussenin werden twee tuinkamers gecreëerd die samen met het voorliggende grasperk voor een boeiend panorama zorgen. In dit grasperk situeerden zich oorspronkelijk ook bloemenparterres. Eén dreef, de Kappeldreef, ontsluit de neogotische kapel, gebouwd omstreeks 1909. Aan de grens van het landgoed is deze dreef gemarkeerd door twee natuurstenen zuilen van blauwe hardsteen. Het bestaande patroon van zacht gebogen en licht slingerende paden werd daarop beperkt aangepast en zelfs nog wat uitgebreid. Uit deze periode van kort voor de Eerste Wereldoorlog resteren eveneens enkele parkbomen (gewone beuken, bruine beuken, treurbeuk, moerascipressen, reuzenlevensboom en zilversparren) en dreven (gewone beuk en bruine beuk) en struikenmassieven (Pontische rododendron).

Een volgende fase wordt gesitueerd in het interbellum, met twee in 1937 toegevoegde houten toegangshekken met bijhorende hekpijlers en bakstenen brugjes over de baangracht, en met enkele aanvullingen in de parkbomencollectie (gewone esdoorn met purperrode bladonderzijde, witte paardenkastanje, Atlasceder, variëteit van Californische schijncipres, zomerlinde met ingesneden blad en Westerse Hemlockspar) en enkele dreven (witte paardenkastanje).

Een laatste fase betreft een naoorlogse tuinaanleg van omstreeks 1960 met sierhagen (buxus), snoei- en zuilvormen (buxus, gewone taxus en Ierse taxus) en al dan niet geschoren struikenmassieven (gewone laurierkers en variëteiten van hortensia) aangevuld met een klein assortiment parkbomen (vederesdoorn, Noorse esdoorn), waarvan meerdere elementen in het park resteren.

In het park komt lokaal ook een spontane kruidachtige vegetatie voor met oudbosplanten (gewone salomonszegel en gele dovenetel) en enkele stinzenplanten (Lelietje-van-Dalen).

Een zonnewijzer in het grasperk ten westen van het landhuis is recenter geplaatst en is geen origineel element van de parkaanleg.

Het park met vijver, dreven, toegangswegen en paden, grasperken en struikenmassieven, bomencollectie heeft een hoge erfgoedwaarde.

Omgevende bosbestanden en dreven

Aansluitend bij het park zijn een tiental omgevende bosbestanden, doorsneden door een zestal dreven, mee opgenomen. Het betreffen zowel gemengde naald- en loofboombestanden (lork, ruwe berk, tamme kastanje, grove den, gewone beuk, zomereik en Amerikaanse eik) als homogene naaldhoudbestanden (Douglasspar), gelegen op droge zandbodems, soms met humusarme bovengrond en soms met bijmenging van kwartsgrind en veldsteen. De meeste bosbestanden zijn ondiep begreppeld. De voorkomende bosvegetaties zijn rompgemeenschappen van gemengd Dennen-Eikenbos met braam en kruidachtige soorten (brede stekelvaren, klein springzaad en wilgenroosje) en ongelijkjarige dreven (voornamelijk gewone beuk soms met bijmenging van Amerikaanse eik).

De omgevende bosbestanden en dreven hebben een hoge erfgoedwaarde.

  • Familiearchief van van Outryve d'Ydewalle, privé-archief.
  • Familievereniging van Outryve d'Ydewalle, https://www.dydewalle.be.
  • KADOC, Familiearchief van Outryve d’Ydewalle.
  • Kadasterarchief Brugge, Primitief kadasterplan, 1835.
  • Kadasterarchief Brugge, Kadastrale leggers, Sint-Andries, 1ste afdeling, sectie E, artikels 57, 365, 564.
  • Kadasterarchief Brugge, Kadastrale mutatieschetsen 207, Sint-Andries, 1ste afdeling, sectie E, 1852/29, 1853/5, 1873/5, 1885/82, 1889/14, 1897/22, 1899/27, 1932/92.
  • Provinciaal Archief West-Vlaanderen, Agenda van de firma Verhaeghe 1902-1904, Bouwbedrijven/2008/P.B./6i.
  • Provinciaal Archief West-Vlaanderen, Dossier inzake de bouw van een kasteel in opdracht van Stanislas Emmanuel van Outryve d'Ydewalle, A/Verhaeghe/2018/P.B./194d.
  • Provinciaal Archief West-Vlaanderen, Dossier inzake de bouw van vier hekkenpilasters en muren bij het kasteel Peereboomveld, PA/Verhaeghe/2018/P.B./240d.
  • Stadsarchief Brugge, Bouwvergunningen, 1994/2383.
  • Rijksarchief Brugge, Kaarten en plannen, nr. 21.
  • Rijksarchief Brugge, Kaarten en Plannen, nr. 1607.
  • Rijksarchief Brugge, Inventaris van het archief van de Franse Hoofdbesturen in West-Vlaanderen, 1794, 513-INV 82.
  • Atlas van de Buurtwegen, opgesteld naar aanleiding van de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, schaal 1:2.500 (overzichtsplannen schaal 1:10.000).
  • Atlas Cadastral parcellaire de la Belgique, Philippe-Christian Popp, uitgegeven in 1842- 1879, schaal 1:5000.
  • Bodemkaart van België, Centrum voor Bodemkartering, uitgegeven in 1960-1970.
  • Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.
  • Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean-François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.
  • Topografische kaarten van België, Eerste editie, Krijgsdepot, uitgegeven in 1865-1880, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Tweede editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1880-1884, schaal 1:20.000.
  • Topografische kaarten van België, Derde editie, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1889-1900, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Cartografisch Instituut, uitgegeven in 1928-1950, schaal 1:20.000.
  • Kaart van België, Militair Geografisch Instituut, uitgegeven in 1949-1970, schaal 1:25.000.
  • AMERYCKX J. 1977: Verklarende tekst bij het kaartblad Loppem 38W, Centrum voor Bodemkartering, Gent.
  • BELTREES DATABANK s.d. Arboretum Wespelaar, Belgische Dendrologische Vereniging, versie 21 augustus 2025.
  • BOSGROEP HOUTLAND 2007: Uitgebreid bosbeheerplan Brugge-Zuid, Bosplaats ‘Privé-domeinen bij Peereboom’, Domein Peereboomveld, Peerboomveld NV.
  • CASSIMAN A. 2003: Kasteel Peereboomveld, Torhoutse Steenweg 452 – Diksmuidse Heerweg 453 (Sint-Andries, Brugge), Provincie West-Vlaanderen, Bouwhistorisch onderzoek (onuitgegeven studie).
  • DE BOI V., KERVYN DE VOLKAERSBEKE B. en TAHON E. 2002: Henri Kervyn de Lettenhove, diplomaat voor een tentoonstelling, in: DE BOI V., KERVYN DE VOLKAERSBEKE B. en T., Impact 1902 revisited (tentoonstellingscatalogus), Brugge, Arentshuis, 22 februari – 30 juni 2002, 19-35.
  • DENDOOVEN K. 2004: Kadasteronderzoek Kasteel Pereboom Sint-Andries, in opdracht van ROHM, afdeling Monumenten en Landschappen, Brugge.
  • DE SMET J. 1941: Inventaris van het archief van de Franse Hoofdbesturen in West-Vlaanderen, 1794-1814, Brussel.
  • GEYSEN I. 2005: Land van Hout. Bebossing door Brugse families en instellingen omstreeks 1800, Erfgoedcel Brugge – Brugge Plus vzw, Brugge.
  • GILTÉ S. & VAN VLAENDEREN P. medewerking van VANWALLEGHEM A. & DENDOOVEN K. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Brugge, Deelgemeente Sint-Andries, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL19, onuitgegeven werkdocumenten.
  • GOETHALS A.-M. 2012: De kastelen van Ruddervoorde en de familie Van Outryve d’Ydewalle, Ruddervoorde, 79.
  • KERVYN DE VOLKAERSBEKE B. 2002: Henri Kervyn de Lettenhove (1856-1928), onuitgegeven studie.
  • SCHROYEN H. 2021: Door de mens ontwikkelde ‘natuursteen’: simili-pierre en kunststeen. Hun geschiedenis, recepturen en restauratierichtlijnen, Handleiding agentschap Onroerend Erfgoed 25.
  • S.N. (E.R.), 1935: Excursion forestière en Flandre, Bulletin de la Société Centrale Forestière de Belgique, 42.1, 11-21, met illustraties.
  • VAN OUTRYVE D'YDEWALLE C. 1934: Enfances en Flandres, Nouvelle Société d’Éditions, Brussel.
  • VAN OUTRYVE D'YDEWALLE J.1985: La Vie à Tudor (1904-1983), Album de famille, Blankenberge.

Auteurs: Himpe, Koen; Gilté, Stefanie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: INVENTARIS ONROEREND ERFGOED 2026: Kasteeldomein Pereboomveld [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/75113 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.