erfgoedobject

Domein Puttenberg

bouwkundig / landschappelijk element
ID: 76338   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/76338

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Kasteel Puttenberg
    Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009

Beschrijving

Dienstgebouw van een nu verdwenen neogotisch kasteel omgeven door een kasteeldomein van feodale oorsprong, tot circa 1860 met een axiaal-symmetrische structuur en een lusttuin van 2 hectare; hybridische landschappelijke aanleg, die rond 1900 werd uitgebreid tot een landschappelijk park van 3 hectare.

Historiek

Puttenberg, tijdens het Ancien Régime zetel van een heerlijkheid, ligt – in tegenstelling tot wat de naam suggereert – in een dal, het brongebied van een van de zijbeken van de Zuun. Het kasteel, een 17de-eeuws 'huis van plaisantie', wordt op de Ferrariskaart (1771-1775) omkaderd door een bescheiden, regelmatig-geometrische aanleg. In 1615 was het landgoed in bezit van de familie Montpesson, later was het eigendom van de Partz. Richtinggevend (noordwest-zuidoost) voor de oriëntatie van de gebouwen en voor het hele aanlegpatroon, dat vermoedelijk rond 1660 tot stand kwam, was de oude weg van Halle naar Pepingen; de oprijlaan takte hiervan loodrecht af en liep recht op het kasteel toe. Het ereplein was door water omringd; rechts op dit eilandje stond een gebouwtje, mogelijk het karrenhuis. De siertuin achter het kasteel omvatte een rechthoekig, zijdelings door dubbele rijen bomen afgebakende ruimte met een diagonaal kruispad, aan de achterzijde uitlopend in een parterretuin. De kasteelhoeve, een ruime gesloten hoeve, in de 19de eeuw verrijkt met een hoge, slanke duiventoren, lag (en ligt nog steeds) ten oosten van het kasteel op het grondgebied Beert.

In hoeverre het beeld op de Ferrariskaart overeenstemt met de toenmalige situatie, is moeilijk te achterhalen. De Primitieve kadasterkaart (niet gedateerd, maar vermoedelijk 1820-1830, als eigenaar staat burggraaf Hyacinthe de Partz de Courtray vermeld) toont een enigszins verschillende situatie. Aan de axiale symmetrie werd geen afbreuk gedaan, maar het voorpleintje is nu een schiereiland zonder gebouw. Het diagonale padenkruis en de parterres achter het kasteel hebben plaats geruimd voor een beperkte maar onmiskenbaar romantische, landschappelijke aanleg, twee hectare groot. Een slingerende waterpartij met een boogbrugje vormt de scheiding met de achterste helft van de tuin (de parterres op de Ferrariskaart). Het statige en schilderachtige 'rivierlandschap' dat rond 1800 in het nabijgelegen kasteeldomein Den Daal werd gecreëerd vond blijkbaar navolging – hier veel bescheidener en ook halfslachtiger, want in de trechtervormige omkadering van deze 'jardin à l'anglaise' bleef de klassieke symmetrie min of meer bewaard. In 1848 werd de weg Halle-Ninove aangelegd; van de oude weg Halle-Pepingen bleven slechts enkele fragmenten behouden (onder meer de huidige Termerenstraat en, meer naar het dorp toe, de Buvingenstraat). De toenmalige eigenaar, ridder Hyacinthe-Emmanuel Camberlyn d'Amougies (1829-1890), later burgmeester van Pepingen, liet de toegangsdreef doortrekken tot aan de nieuwe steenweg, 120 meter noordoostwaarts, en supprimeerde het benedenste gedeelte van deze dreef, de laatste 200 meter voor het kasteel. De weg boog voortaan af naar rechts, vervolgens naar links en liep ten slotte evenwijdig met de oorspronkelijke dreef naar de noordoever van de kasteelvijver. De reden voor deze amputatie? Als uitzicht vanuit het kasteel verkoos de eigenaar wellicht een arcadisch weidelandschap met grazend vee én Italiaanse populieren boven de strakke klassieke aanleg met toegangsdreef en ereplein. Deze 'verlandschappelijking' van de ruimte ten noordoosten van het kasteel ging gepaard met ingrijpende verbouwingen en paste bij de pittoreske stijl van het nieuwe kasteelcomplex.

Neogotisch kasteel met dienstgebouw en ijskelder

Camberlyn had het oude 'huis van plaisantie' rond 1855 laten renoveren en vergroten – in de kadastrale legger wordt het voortaan als 'kasteel' omschreven – maar blijkbaar zonder bevredigend resultaat. Amper tien jaar later werd het grotendeels afgebroken en vervangen door een sprookjesachtig, witgepleisterd gebouw met curieuze zaagtandlisenen, spits- en rondboogramen en -raampjes, soms gekoppeld onder een baldakijn, en zes hoge, geprofileerde schoorstenen met blindboogjes op een hoog leien schilddak. Onwillekeurig denkt men aan de neogotische heraankleding van het Kasteel van Wissekerke te Kruibeke-Bazel en het speelse 'genre troubadour', kenmerkend voor de vroegste uitingen van de neogotiek. De toegangsdeuren bevonden zich in de zijgevels; het nieuwe kasteel werd niet meer frontaal benaderd, maar zijdelings, vanuit het noorden. Rechts (ten noordwesten) van het kasteel werd een dienstgebouw (remise, stallen) met een L-vormige plattegrond opgetrokken. Dit gebouw sloot aan bij de ommuurde moestuin (perceel 286, bijna 1,5 hectare), duidelijk zichtbaar met padenkruis op de oudste stafkaarten, waarin rond 1880 ook serres werden gebouwd. De ijskelder (een eivormige bewaarruimte voorafgegaan door een recht sas) in het bosje op de helling naast de oprijlaan dateert wellicht ook uit die periode.

Het neogotische kasteel van Hyacinthe Camberlyn verdween in het begin van de jaren 1960. Het huidige witgepleisterde landhuis met zijn trapgevels is in feite de aanhorigheid die tegelijk met het neogotische kasteel werd opgetrokken.

Park

Op de 19de-eeuwse stafkaarten (1879, 1891) is de symmetrie van de lusttuin achter het kasteel nog intact. De vroeg-landschappelijke serpentinevijver (de kronkelende 'rivier') is de enige vreemde eend in de bijt. Het trechtervormig patroon in de eerste helft achter het kasteel bleef behouden. Via het boogbrugje over de vijver bereikte men het beboste gedeelte (bijna 1 hectare), ontsloten door het oude centrale pad en een grote, perifere lus. Rond 1900 ondernam de zoon van Hyacinthe Camberlyn, Fernand, een nieuwe poging om het domein er meer 'landschappelijk' te laten uitzien. De scherpe hoeken van de vijver voor het kasteel – overblijfsel van de feodale ringgracht – werden kordaat afgerond tot de huidige amoebevormige contouren, maar toch weer symmetrisch.

De lusttuinpercelen achter het kasteel werden samengevoegd tot één perceel 'lustgrond' van bijna drie hectare, voor de helft bebost, ontsloten door een dubbele 8-vormige lus (in feite twee elkaar gedeeltelijk overlappende cirkels), duidelijk afgebeeld op de stafkaart van 1924 en nog bestaande. Het heuveltje (2,5 meter hoog) in een van de uithoeken van het parkbos fungeerde ooit als uitkijkpunt, mogelijk met een paviljoentje of prieel. Paradoxaal genoeg verdween de serpentinevijver met de boogbrug en wat er overbleef van de oude oprijlaan werd aanzienlijk verbreed (van 13 tot 30 meter) tot de klassieke 'allée double', aan weerszijden beplant met een dubbele rij zomerlinden (Tilia platyphyllos).

Een groot gedeelte van het huidige bomenbestand, onder meer de linden langs de oprijlaan, dateert van rond 1900, maar in het beboste gedeelte van het park komen talrijke bomen voor die (gezien hun stam¬omtrekken tot 4 meter) minstens honderd jaar ouder zijn, vooral beuk (Fagus sylvatica) en zomereik (Quercus robur), ook enkele platanen (Platanus x hispanica). De Italiaanse populieren (Populus nigra 'Italica') rond het kasteel, zichtbaar op oude foto's, zijn verdwenen.

  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212A Pepingen, art. 1309 nr. 156.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Oude kadastrale legger 212 Pepingen, art. 150, nrs. 16-27.
  • Kadasterarchief Vlaams-Brabant, Kadastrale opmetingsschets Pepingen 1882/15 en 1901/8.
  • S.N., 1924: La Noblesse belge, (II), 63.
  • DE MAEGD C., 1977: Bouwen door de Eeuwen heen – arrondissement Halle-Vilvoorde, Gent, Snoeck-Ducaju, 35.
  • VANCLEVEN J., Neogotiek en neogotismen. De neogotiek als component van de 19e-eeuwse stijl in Belgie, in De Sint-Lucas­ scholen en de neogotiek, 1862-1914 (Kadoc-studies 5), Leuven, Universitaire Pers, 17-55.
  • VERBESSELT J., 2001:Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw (XXVII), Brussel, Koninklijk Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, 108-109, 145.

Deze tekst is een samenvoeging van volgende twee teksten:

  • DE MAEGD C. & VAN AERSCHOT S. 1975: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Vlaams-Brabant, Halle-Vilvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 2N, Gent.
  • DENEEF, R., 2005: Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen. Inventaris Vlaams-Brabant. Pajottenland - Zuidwestelijk Brabant: Bever, Dilbeek, Galmaarden, Gooik, Herne, Lennik, Liedekerke, Pepingen, Roosdaal, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat, Brussel: Vlaamse Overheid. Onroerend Erfgoed.

Bron     : -
Auteurs :  Cresens, André, De Maegd, Christiane, Deneef, Roger, Van Aerschot, Suzanne
Datum  : 2018

Aanvullende informatie

Nader onderzoek wees uit dat het beschreven gebouw een bijgebouw is van een begin de jaren 1960 gesloopt landhuis. In deze periode werd ook het bijgebouw verbouwd, maar de kern gaat terug tot 1872.

Auteurs : Van Craenenbroeck, Ludwine
Datum: 30-10-2018

Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Domein Puttenberg [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/76338 (Geraadpleegd op 16-11-2019)