erfgoedobject

Eclectisch herenhuis

bouwkundig element
ID: 7663   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7663

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Eclectisch herenhuis
    Deze vaststelling is geldig sinds 29-03-2019

Beschrijving

Historiek en context

Herenhuis in eclectische stijl naar een ontwerp door architect Daniël Rosseels uit 1908. Opdrachtgeefster was Anna Maria Bertrand-Duncker (Hamburg, 1839-Stuttgart, 1920), weduwe van de koopman Wilhelm Carl Gottfried Bertrand (Rothenburg ob der Tauber, 1835-Antwerpen, 1908). Afkomstig uit Beieren, had deze laatste zich in 1858 vanuit zijn geboortestad te Antwerpen gevestigd, om als bediende te werken bij de handelsfirma Osterrieth & Schmid. Hij huwde in 1863 te Hamburg met Anna Maria Duncker, die vier dochters en zeven zonen ter wereld bracht, geboren te Antwerpen en Kalmthout tussen 1864 en 1876. De weduwe Bertrand-Duncker betrok haar nieuwe hotel in oktober 1910, samen met haar tweede jongste dochter Susanna Elisabeth Bertrand (°Kalmthout, 1874). Eveneens in 1908 liet haar tweede oudste dochter, de weduwe Hoeckle-Bertrand aan de overzijde van de Van Putlei een burgerhuis optrekken door de architect Henri Thielens.

Het hotel Bertrand kwam in hetzelfde jaar tot stand als het geheel van drie burgerhuizen in art-nouveaustijl aan de nabijgelegen Bosmanslei, dat Daniël Rosseels samen met de associés Florent Vaes en Joan Coninck Westenberg ontwierp, en waar hij vervolgens zelf ook zijn intrek nam. Beide realisaties behoren tot het vroege werk van de jonge architect, ontworpen kort na de ontbinding van de associatie met zijn schoonbroer Coninck Westenberg. Waar zij een complexe volumeopbouw en een structurele materiaalpolychromie gemeen hebben, is het hotel Bertrand uitgesproken eclectisch van karakter, met neotraditionele en neoromaanse kenmerken, vermengd met neo-Lodewijk XVI-ornamenten. Vanaf 1910 kwam Rosseels, die kort na de Eerste Wereldoorlog, in 1923, vroegtijdig zou overlijden, haast exclusief onder invloed van de beaux-artsstijl, met een voorkeur voor het neorococo zoals in het dubbelhotel Van Tichelen-Schobbens in de Jan Van Rijswijcklaan.

Architectuur

De rijwoning in halfopen bebouwing van het type stadsvilla, met een gevelbreedte van drie ongelijke traveeën aan de straat, omvat een souterrain en twee bouwlagen onder een pseudo-mansarde (leien).Opgetrokken in een robuuste baksteenbouw, doorspekt en verwerkt met natuursteen, op een zwaar geprofileerde arduinen plint, kenmerkt de gevelopstand zich door een expressief profiel van in- en uitspringende volumes. De klemtonen worden daarbij evenwichtig verdeeld over de voor- en de zijgevel, die in een doorlopende compositie zijn behandeld. Het asymmetrische gevelfront aan de straat wordt in de brede middenas gemarkeerd door een driezijdige erkerpartij, doorgetrokken tot in de bedaking. Een groot rondboogvenster onder een halfrond balkon doorbreekt de flankerende zijtravee. Monumentaal opgevat als een toegangsrisaliet waarin het drieledige portaal en het veellicht van de traphal zich aftekenen, beantwoordt de zijgevel dan weer aan een volkomen symmetrische compositie. Geflankeerd door pinakels met spuwers, wordt de middenpartij hier in tuitvorm ingesnoerd en bekroond door een polygonale lantaarn. Opvallend zwaar van profiel zijn de stenen vensterkozijnen, gevarieerd van vorm, en voorzien van kruismonelen of middenzuiltjes met teerlingkapiteel, tussendorpels en lateien op kraagstenen, en spuwers. De ornamentatie beperkt zich tot twee in het metselwerk geïntegreerde panelen met guirlandes en rankwerk, en de bewerkte houder van de afvoerpijp. Verder wordt de gevel beëindigd door een klassiek hoofdgestel, daar waar typische art-nouveau-dakkapellen de hoge mansarde doorbreken. Het houten schrijnwerk van de deur en vensters is bewaard, in tegenstelling tot het smeedijzeren voortuinhek dat werd verwijderd.

De plattegrond beantwoordt aan de typologie van de woning voor de vermogende burgerij, met een opdeling van ontvangstruimten, privé-vertrekken, dienstlokalen en -circulatie. Midden in het hotel bevindt zich de grote traphal, die aansluit op de vestibule, en wordt ontdubbeld door de diensttrap. Volgens de bouwplannen is deze centrale ruimte omringd door de spreekkamer aan de straatzijde, over de volledige diepte van het gebouw door de suite van salon en eetkamer met overdekt terras, en aan de tuinzijde door de veranda met een halfronde wintertuin en de office. Op de bovenverdieping bevinden zich het privé-salon, en drie slaapkamers met 'cabinet de toilette' of badkamer, en een intussen overbouwd terras. De mansarde, bereikbaar via een afzonderlijke trap met bovenlicht, omvat drie slaapkamers en twee mansardekamers, vermoedelijk bestemd voor personeel of gasten. Het souterrain met ‘cour anglaise’ bood oorspronkelijk behalve de voorraadkelders en stookketel, ruimte aan de keuken met pomphuis en keukenlift, de wasplaats en de poetskamer.

Het interieur van het hotel werd in opdracht van een volgende eigenaar, Frans Geenard, heringericht, naar een ontwerp door architect Paul Smekens uit 1941. Afgezien van het vernieuwen van de wintertuin, bleven de structurele ingrepen daarbij al bij al beperkt. De aanbouw tegen de zijgevel en de verhoging van de achterbouw dateren nog van daarna.

  • Stadsarchief Antwerpen, bouwdossiers 1908#1576 en 18#14847; vreemdelingendossier 481#138528.
  • Architectuurarchief Vlaanderen, archief Paul Smekens, dossier Geenard.

Bron     : -
Auteurs :  Braeken, Jo
Datum  : 2012


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Eclectisch herenhuis [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/7663 (Geraadpleegd op 13-08-2020)