Abdijsite Sint-Trudo

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Brugge
Deelgemeente Assebroek
Straat Sint-Trudostraat
Locatie Sint-Trudostraat 62, Brugge (West-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Brugge (adrescontroles: 01-11-2007 - 30-11-2007).
  • Inventaris Brugge - Deelgemeente Assebroek (geografische inventarisatie: 01-09-2004 - 31-03-2005).
Links

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Abdijhoeve Sint-Trudo

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

is beschermd als stads- of dorpsgezicht, intrinsiek Abdijsite Sint-Trudo

Deze bescherming is geldig sinds 20-01-2003.

omvat de bescherming als monument Abdijsite Sint-Trudo: gebouwen
gelegen te Sint-Trudostraat 62-66 (Brugge)

Deze bescherming is geldig sinds 20-01-2003.

Beschrijving

Voormalige abdijhoeve Sint-Trudo beschermd als monument bij M.B. van 20/10/2003 en de voormalige abdijsite als dorpsgezicht bij Ministerieel Besluit van 20/10/2003.

I. Historiek.

Het ontstaan van de Sint-Tudo-abdij zou teruggaan tot circa 1050, wanneer de kluizenaar Everelmus zich zou vestigen bij de ingang van de stad Brugge, waar de weg van Gent de Reie kruist. Hij bouwt er een bescheiden bidplaats en wijdt die toe aan de H. Bartholomeus. Hij verleent er gastvrijheid aan reizigers, biedt hen verzorging en helpt hen bij de oversteek van de Reie. De bronnen vermelden het overlijden in 1060 van een kluizenaar Everelmus, nadat hij 12 jaar op een eilandje in de Reie heeft geleefd.

Zoals andere kluizenaars krijgt Everelmus volgelingen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het in de 11de eeuw slechts om een tiental. De aanwezigheid van vrouwen is slechts met zekerheid bekend voor wat betreft de jaren 1130-1149.
Er vormt zich een gemeenschap, die in het charter van 1130 vermeld wordt als servi Dei (de dienaren van God) aan wie de graaf Diederik van de Elzas het stuk grond in Roya vivario meo - waarop zij reeds woonden - in eigendom schenkt.
In de gemeenschap van de servi Dei of pauperes Christi monachis van ten Eekhoute ontstaat bij de groter wordende groep behoefte aan meer organisatie. Rond 1146 sluiten ze daarom aan bij de congregatie van de reguliere kanunniken van Arrouaise. Ten Eekhoute wordt tot abdij verheven met Lambertus als eerste abt.

De regel van Arrouaise schrijft voor dat de vrouwelijke leden van de abdij afzonderlijk moeten wonen. Het hof van Odegem, dat toebehoorde aan de Sint-Maartenabdij te Doornik, wordt vanaf 1149 hen nieuwe woonplaats. Bij het hof te Odegem behoort een kerkje, toegewijd aan de Heilige Trudo, om deze reden aanvaarden de zusters de Heile Trudo als hun patroonheilige. Het Sint-Trudoklooster wordt een priorij die afhankelijk blijft van de Eekhoutabdij. Pas in 1180 krijgt de abdij de pauselijke bevestiging, in de oorkonde is er voor het eerst sprake van reguliere kanunniken die leven volgens de regel van Augustinus.
Stilaan ontstaan er moeilijkheden tussen de Eekhoutabdij en het Sint-Trudoklooster, die gaandeweg leiden tot een breuk tussen de twee gemeenschappen. Op hun beider voorspraak wordt op 23 augustus 1248 door Wouter Marvis, bisschop van Doornik, de scheiding uitgesproken tussen de Sint-Trudozusters en de kanunniken van de Eekhoutabdij. In hetzelfde jaar sluiten de zusters zich aan bij de congregatie van Sint-Victor en wordt de priorissa Usilia tot abdis gewijd. Om hen op dreef te helpen laat de bisschop enkele zusters uit de abdij van Roesbrugge, die al eerder bij Sint-Victor was aangesloten, overkomen.

Een alles verwoestende brand legt in 1261 kerk en abdij in de as. Gravin Margareta van Constantinopel, met wie de abdis vriendschappelijke banden onderhoudt, biedt, samen met enkele mecenassen, de nodige hulp. Een nieuw klooster verrijst op hetzelfde domein maar staat nu iets dichter bij de weg naar Kortrijk ingeplant.

De abdij kent een grote bloeiperiode en neemt een eigen plaats in het Brugse culturele en religieuze leven. Verscheidene meisjes uit de burgerij treden in te Odegem en dragen bij tot geestelijke en materiële welvaart van de abdij.

Over de gebouwen van het toenmalige klooster is weinig geweten. De zusters hadden een eigen kapel, waarin het koorofficie gezongen en de eucharistie gevierd werd. Aan het klooster, gebouwd na de brand van 1261, werd in 1350 een nieuwe infirmerie toegevoegd. Binnen het beluik van de abdij stond de parochiekerk waarvan de toren in 1424 bekostigd was door de Natie van de Oosterlingen. In de panden waren de glazen vensters eveneens bekostigd door de Natie van de Oosterlingen.
Onder het bestuur van abdis Pieternelle van Aertrike ( 1456-1476) voltrekt zich een volledige ommekeer in de abdij. De statuten van Windesheim worden aangenomen in 1457. Deze aanpassingen geven de abdij een vernieuwd elan. De kloostergemeenschap groeit aan en de gebouwen worden uitgebreid.

Op het einde van de 15de eeuw is Sint-Trudo een welvarende gemeenschap. Uit rekeningen valt af te leiden dat er binnen het beluik ongeveer 120 personen leven: tweeënveertig koorzusters, een twintigtal conversinnen, acht donatinnen of graususterkins, enkele broeders, ongeveer twintig meisjes die meestal twee jaar blijven om ter scole te gaan en een aantal provenierigen, die in de abdij mogen wonen hetzij tegen betaling, hetzij door voor de abdij te werken als timmerman, werkvrouw, schaapherder et cetera

In 1482 worden een nieuwe brouwerij, werkkamer en school gebouwd en de graanzolders verbeterd.

Ook tijdens de eerste helft van de 16de eeuw kent het klooster een zekere welvaart. Kerk en klooster worden verfraaid met het aanbrengen van een nieuw koorgestoelte, brandglazen, haarden, aanschaf van schilderijen, gordijnen… Ook de bibliotheek groeit gestadig aan; in het scriptorium wordt er naarstig gekopieerd.

Tengevolge de toenemende onveiligheid, veroorzaakt door de godsdiensttroebelen, vluchten de kloosterlingen voor het eerst in 1566 binnen de Brugse stadsmuren; ze kopen er een goed, “Het Hof van Sint-Baafs”, gelegen aan de huidige Garenmarkt. Hopend op rust en vrede keren de zusters in 1567 terug naar Odegem maar verlaten het klooster definitief in 1578. Op 10 mei 1580 wordt de abdij volledig geplunderd en in brand gestoken.

De kloostergemeenschap ontplooit zich verder binnen de Brugse stadsmuren. De site te Odegem blijft eigendom van de abdij en fungeert van dan af als buitenhoeve.

Tijdens de Franse Tijd wordt het klooster in 1796 afgeschaft. De gemeenschap van Sint-Trudo overleeft echter de suppressie en sluit aan bij de reguliere kanunniken van Lateranen (1796-1952). De Sint- Trudohoeve wordt in 1803 uit geldnood verkocht.
Op 22 maart 1952 vaardigt de congregatie voor de religieuzen het decreet uit waarbij de Sint-Trudoabdij wordt opgenomen in de orde van het Heilig Graf. Twee jaar later neemt de kloostergemeenschap haar intrek in de St-Trudo-abdij te Male (cf. Sint-Kruis).

De Ferrariskaart (1770-1778) en 19de-eeuwse militaire kaarten vertonen allen dezelfde configuratie: een trapezoïdale omwalde site, ten zuiden van het St-Trudoledeken, met verspreide bebouwing. De als monument voorgestelde gebouwen met name het woonhuis, de schuur, de twee stalgebouwen zijn op alle plannen herkenbaar. De huidige Benedictijnenstraat was de toegangsdreef naar het klooster. Hoe het klooster eruit zag voor de grote plundering van 1580 is ons niet bekend. Grondig archeologisch onderzoek dringt zich hier op.

II. Beschrijving.

Thans vrij gaaf bewaarde, agrarische site met verdoken ligging achter een aan de straat gelegen, recent gebouwde huizenrij. De voormalige Sint-Trudohoeve is heden opgesplitst in twee landbouwuitbatingen, respectievelijk Sint-Trudostraat nummer 62 en 66. Vanaf de Sint-Trudostraat, id est de westkant, zijn beide hoeven toegankelijk via afzonderlijke bekiezelde opritten; de oorspronkelijk toegangsweg met de historische inrijpoort ligt meest noordelijk.
De begraasde site wordt ten noorden afgesloten door het Sint-Trudoledeken. De oorspronkelijke trapezoïdale omwalling is bewaard ten oosten en ten zuiden; ten noorden is die herkenbaar in het landschap, cf. depresssie. De hoefijzervormige vijver in de noordelijke helft van het domein, afgebeeld op al de historische kaarten, is nu grotendeels dichtgeslibd maar tekent zich nog duidelijk af in het landschap.
Voornamelijk ten westen en ten noordwesten, nabij de opritten, bevinden zich de restanten van de boomgaarden met hoogstammige fruitbomen.

Enkele belangrijke restanten van de abdijhoeve, waarvan sommige teruggaan tot het eind van de 16de- begin 17de eeuw, zijn bewaard.

Poortgebouw gelegen aan de straat, dateert vermoedelijk uit de 17de eeuw. Bestaat uit twee muurdammen met getrapt bovengedeelte aan de oostzijde en is afgedekt met vorstpannen; ertussen een ijzeren hek. Witgekalkte baksteenbouw boven een gepikte plint. Steunberen met getrapte versnijdingen aan oost- en zuidkant. Rechtse muurdam opengewerkt door middel van een rechthoekige voetgangersdoorgang.

Te midden van het erf, boerenhuis bestaande uit: een hoofdvolume uit het einde van de 16de-begin 17de eeuw met rechthoekige plattegrond; een 18de-eeuwse, lage aanbouw onder doorlopend mank zadeldak tegen de oostgevel; een lage vermoedelijke 19de-eeuwse aanbouw onder zadeldak tegen de zuidgevel.
Merkwaardig hoofdgebouw van vier ongelijke traveeën en twee bouwlagen onder kort overstekend zadeldak (Vlaamse pannen) met hanggoot. Verhoogde begane grond. Verankerde, witgekalkte baksteenbouw boven een gepikte plint. Westgevel: vier getoogde vensteropeningen (recenter?), met vernieuwd schrijnwerk. Erboven twee bovenvensters met afgeschuinde dagkanten; tengevolge de verlaging van de borstwering werden deze vensters vermoedelijk ingekort; afgesloten door middel van binnenluiken.
Ingebouwde oostgevel. Rechts, getoogde kelderdeur, bereikbaar via een rechte, buiten het hoofdvolume gelegen, natuurstenen trap. Centraal, twee rechthoekige deuren met trapje van twee treden met afgeronde hoeken van gesinterde baksteen, geven toegang tot de woonkamers; deur rechts thans omgebouwd tot muurkast. De verdieping is nu bereikbaar via een houten trap in de aanbouw. Centraal op de bovenverdieping bevindt zich een korfboogdeur met afgeschuinde dagkanten; links en rechts ervan, een staande tand die wijst op een oorspronkelijk aangebouwde, bakstenen trapkoker. De twee traveeën links van de deur vertonen duidelijk sporen van twee onder elkaar liggende rechthoekige muuropeningen, verdiept in een Brugse travee onder korfboog, en voorzien van afgeschuinde dagkanten.
Erfgevel (aanbouw) van één bouwlaag en zes traveeën. Getoogde muuropeningen o.m. getralied en met natuurstenen of betegelde onderdorpels. Behouden, vermoedelijk eind 18de-eeuws, schuifraam met een geprofileerde wisseldorpel in de traveeën rechts.
Zuidelijke zijgevel voorzien van aandaken, schouderstukken, muurvlechtingen en bekroond door schoorsteen. Links, tudorboog met afgeschuinde dagkanten op bakstenen afzaat; op de verdieping rechts, smal rechthoekig klein venster verdiept in lancetboog met natuurstenen afzaat; twee rechthoekige zoldervensters met afgeschuinde dagkanten.
Noordgevel voorzien van aandaken, schouderstukken. Rechthoekige kelderopening. Twee getoogde zoldervensters. Bouwnaad links wijst op de aanbouw.
Vanaf het erf geeft een deur toegang tot het lage 18de-eeuwse gedeelte. Centrale, korte gang met links een trap naar de bovenverdieping en een keldertrap; rechts, keuken met vernieuwde brede haard, balkenlaag met moer- en kinderbalken, vloeren bestaande uit cementtegels.
Vanuit de keuken komt men via een deur, in de vroegere oostgevel, in het hoofdvolume: twee aaneengesloten kamers op de verhoogde begane grond, ertussen een vleugeldeur. Kamer links, balkenlaag met moer- en kinderbalken; eenvoudige brede schouw van overschilderde gesinterde baksteen; houten schouwbalk met dito bordenlijst, rechts muurkast met deels beglaasde deur onder kroonlijstje; cementtegelvloer. Kamer rechts: eenvoudig stucplafond; recente marmeren schouw; schouwboezem versierd met stucwerk cf. rondboognis met rozetten in de zwikken; brede plankenvloer.
Behouden kap (eind 16de-begin 17de eeuw) bestaande uit drie getelmerkte nokgebinten met dwarshout boven schaargebinten; vernieuwde kepers.
Tweebeukige kelder onder graatgewelven gescheiden door gordelbogen.
Links van de keuken, 19de-eeuwse aanbouw. Behouden balkenlaag, cementtegelvloer.

Ten zuiden, dwarsschuur vermoedelijk daterend uit het eind van de 16de-begin 17de eeuw.
Witgekalkte, verankerde baksteenbouw boven een gepikte plint onder kort overstekend zadeldak (Vlaamse pannen, oorspronkelijk bedekt met stro). Rechthoekige schuurpoort. Links ervan, deels gedichte rondboognis met afgeschuinde dagkanten. Recentere staldeuren en venteropening links en rechts van de poort. Zijgevels met aandaken en vlechtingen. Spitsbogig uilengat in rechter zijgevel. Ingebouwde zuidgevel.
Kap bestaande uit vier nokgebinten met dwarshout ondersteund door schaargebinten.

Ten westen stalgebouw, volgens de legende spookstal genaamd, in deze stal overleden op één nacht een aantal dieren. Nutsgebouwtje bestaande uit: een rechthoekig volume onder kort overstekend zadeldak (Vlaamse pannen); bakhuisje aansluitend bij de noordgevel en een tegen de oostgevel aanleunende aanbouw onder lessenaarsdak (Vlaamse pannen). Witgekalkte baksteenbouw; sporen van middeleeuws metselwerk (moefen) in de zuid- en de westgevel. Gepikte plint. Noordgevel gestut door middel van steunbeer; sporen van rondbogige muuropeningen en een mijterboognisje, in het aangebouwde gedeelte; twee gedichte korfboogdeuren in het hoofdvolume. Westgevel: sporen van korfboogdeur onder rollaag; twee zoldervensters onder rollaag; twee recente staldeuren, respectievelijk getoogd en rechthoekig. Zuidgevel: sporen van rondbogige strek boven een recentere getoogde staldeur.
Rechthoekige staldeuren in de oostgevel. Onderkelderd westelijke gedeelte.

Ten oosten, koestal onder zadeldak (Vlaamse pannen, n // boerenhuis), vermoedelijk uit het einde van de 18de-begin 19de eeuw. Verankerde, witgekalkte baksteenbouw boven een gepikte plint. Steunbeer. Getoogde staldeuren. Recente vensteropeningen.
Recente bebouwing onder meer loods, woonhuis en stalling, respectievelijk ten noorden, ten zuidwesten en ten zuiden.

  • AROHM West-Vlaanderen, Cel Monumenten en Landschappen, archief nummer DW 2240.
  • BOSSUYT S., De eremiet Everelmus en de stichting van de Eeckhoutabdij te Brugge (circa 1052-1150) in ASEB, jaargang 140, nummers 3-4, 2003, pagina's 179-201.
  • HUYGEBAERT N.N., Abbaye de Saint-Trond à Odegem, Bruges et Male in, Monasticon Belge, IV, deel 4, Luik , 1970, pagina's 1028-1031.
  • VAN WONTERGEM K., De geschiedenis van de Sint-Trudoabdij te Odegem, te Brugge en te Male in, Male, Burcht en Abdij, 1981, Brugge, pagina's 27-108.
  • SOERS C., Archeologische inventaris Vlaanderen, Band IX, Gent, 1987, pagina's 144-150.

Bron: Gilté S. & Van Vlaenderen P.met medewerking van Vanwalleghem, A. & Dendooven K. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Brugge, Deelgemeente Assebroek,Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL20, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Gilté, Stefanie & Van Vlaenderen, Patricia

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Sint-Trudostraat

Sint-Trudostraat (Brugge)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.