Domein Rijckevelde

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie West-Vlaanderen
Gemeente Damme
Deelgemeente Sijsele
Straat Holleweg, Rijckevelde
Locatie Holleweg 2, Rijckevelde 2, 3, Damme (West-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Damme (adrescontroles: 11-12-2007 - 11-12-2007).
  • Inventarisatie Damme (geografische inventarisatie: 01-01-2006 - 31-12-2006).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Domein Rijckevelde

Deze vaststelling is geldig sinds 14-09-2009.

omvat de bescherming als monument Domein Rijckevelde: landhuis en boerenburgerhuis
gelegen te Rijckeveldestraat 8-10 (Damme)

Deze bescherming is geldig sinds 16-02-2012.

Beschrijving

Rijckevelde is een domeinbos van 131 ha groot dat gelegen is in de zuidwestelijke hoek van Sijsele, verder lopend op grondgebied van Brugge (Sint-Kruis en Assebroek) en Oedelem (Beernem). Het domein ligt ten zuiden van het kasteeldomein Van Male op Sint-Kruis, waarmee het historische banden heeft. Beide domeinen zijn van elkaar gescheiden door de Maalse of Brugse Steenweg. Het domeinbos Rijckevelde wordt doorsneden door dreven, die allemaal evenwijdig met of haaks op de ten zuiden lopende Meersbeek lopen. Het waardevolle historische bosdomein is een in de landschapsatlas opgenomen ankerplaats (A30020). Delen van het domein op Beernem en Sijsele zijn ingericht als militair domein (zie Sijsele, Dorpsstraat nummer188). Het park en de omliggende loof- en naaldbossen zijn voor het publiek opengesteld als wandel- en natuurgebied, met sinds 1999 een heemtuin van 3 ha. Het domein heeft een aantal opmerkelijke bomen, onder meer een drietal eeuwenoude beuken, zogenaamd "De Rode Markies" vlakbij de kasteelvijver, "Dikke Bertha" bij de ingang van het domein, en de stam van "Lange Jan", die bij een voorjaarsstorm in 1991 zwaar werd beschadigd; tevens drie linden zogenaamd "De Drie Koningen". De oude spoorwegbedding van de lijn Brugge-Maldegem-Eeklo loopt van west naar oost centraal door het domein en is in de jaren 1980 ingericht als wandel-, ruiter- en fietspad (zie Oud Spoorwegpad en Stationsstraat).

Aan westelijke zijde van het domein Rijckevelde bevinden zich een in kern 16de-eeuws landhuis met aanpalend, een wellicht 17de-eeuwse hoeve (nummer 8). Ten noordoosten daarvan, centraal in het domein, werd in het eerste kwart van de 20ste eeuw een neogotisch kasteel ingeplant (nummer 6) met imposante toegangsdreef vanaf de Maalse Steenweg (Sint-Kruis). De gebouwen zijn in het bezit van de Stichting Rijckevelde, de kastelen zijn in functie van het Centrum voor Europese en Internationale Vorming in de jaren 1970 aangepast. De hoeve is verlaten en verkeert in ruïneuze toestand. Langs de toegangsdreef tot het neogotische kasteel, is een boswachterswoning ingeplant (zie Rijckeveldestraat nummer 7).

Historiek

De vermelding van "Rijckevelde" klimt op tot een document van 1451, bewaard in het stadsarchief van Brugge: "eene stede gheheeten te Rikevelde". Over de oorsprong van de naam is er geen eenduidigheid. Het oud-Engelse "ryge", in de betekenis van rogge, zou verwijzen naar de vroegere functie van de Rijckeveldelanderijen als roggevelden. Een andere interpretatie slaat op de zandruggen, waarin het woordje "rug" refereert aan een verhevenheid in het landschap: "Rijckevelde" maakt deel uit van een belangrijke Pleistocene stuifzandrug, die Sijsele van west naar oost doorkruist. Het toponiem "veld" verwijst naar heidelandschappen die in de 11de tot 13de eeuw werden ontgonnen. Rijckevelde maakte deel uit van een aaneenschakeling van velden in het gebied tussen Snellegem en Aalter, met verder onder meer Bulskampveld, Beverhoutsveld, Vloetemveld.

Archeologische vondsten laten vermoeden dat in de prehistorie menselijke aanwezigheid is in dit gebied. In de vroege middeleeuwen was het gebied bedekt met gemengd loofbos. Vanaf de tweede helft van de 8ste eeuw degenereert het bosbestand tot heidegebied of veld door de toenemende bevolkingsdruk en door beweiding met loslopend vee. Onder Boudewijn I, de eerste Graaf van Vlaanderen (864-879) is het gebied grafelijk grondbezit, later in leen gegeven. Het domein Rijckevelde zou afhankelijk geweest zijn van het aangrenzende grafelijk domein van Male.

Door de sterke bevolkingstoename vanaf de 12de-13de eeuw, is men gedwongen de ontginningen op het grondgebied van Sijsele sterk uit te breiden. In deze periode worden te Sijsele vele nieuwe hoeves opgericht, vnl. op de rand van een droge zandrug en een natte depressie, onder meer het "Goed Rijckevelde".

In de middeleeuwen wordt het omwalde goed Rijckevelde tot kasteeldomein uitgebouwd. De fragmentarische archivalische bronnen wijzen erop dat het een leengoed was van de Burg van Brugge en dat verschillende particulieren in de postmiddeleeuwse periode de titel van "Heer van Rijckevelde" dragen: circa 1400 wordt melding gemaakt van Jan en Klaezinnen van Ryckevelde; een document van 1487 vermeldt ridder Jan vander Bouverye als eigenaar van de toenmalige versterkte hoeve; in de eerste helft van de 16de eeuw is Adrien Clayssone Avesoet gekend als "Seigneur de Ryckevelde".

In de 16de eeuw bestaat het domein hoofdzakelijk uit bossen met enkele stukken woest land. Vanaf die eeuw zijn er duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van de gebouwen die de kern vormen van de huidige landhuis- en hoevegebouwen. Op kaart van het Brugse Vrije van Pieter Pourbus, gekopieerd door Pieter Claeissens (1597) wordt 'Rykevelde' weergegeven als een opperhof-neerhof-site met dubbele omwalling. Op het opperhof staat een torenvormige constructie getekend, op het neerhof ten zuiden daarvan enkele losse gebouwen. De opvallende torenconstructie blijft gehandhaafd op later kaartmateriaal en vormt wellicht de kern van de nog steeds aanwezige toren van het landhuis. De in "1562" gedateerde renaissancistische schouwwangen van het landhuis, later gebruikt voor de inrichting van de rooksalon van het neogotische kasteel, bevestigen de minimaal 16de-eeuwse kern van het landhuis; ze kunnen tevens wijzen op een herinrichting van een ouder gebouw.
In een kamer van het laaghuis van de huidige hoeve is eveneens een inkerving in een moerbalk bewaard, waarbij één van de vier cijfers voor verwarring zorgt. Sommige auteurs wagen zich aan de weinig waarschijnlijke interpretatie "1291", anderen lezen de cijfers als "1591". Wij neigen, in navolging van de auteurs van de "Aanwijzende fotografische inventaris", en in combinatie met enkele opvallende interieurelementen in de verschillende kamers van het boerenhuis, naar een lezing als "1621", i.e. de cijfers op hun kop. Begin 17de eeuw vond wellicht een belangrijke heropbouw of herinrichting van oudere hoevegebouwen plaats.

Op de Ferrariskaart (1770-1778) wordt het gebied getekend met weide-, akker- en bosgronden, uitgebreid als gevolg van de bebossing van meersen en velden vanaf de 18de eeuw. "Chateau de Rickevelde" is weergegeven als een rechthoekig volume met ten zuidoosten twee neerhofgebouwen (huis en haakse schuur), samen op een vierkant omwald terrein, met ten oosten een vierkant omwalde tuin. In vergelijking met de 16de-eeuwse kaart van Pourbus is het zuidelijk gelegen omwalde deel verdwenen; het noordelijke opperhof lijkt in twee gedeeld met centrale gracht.

19de eeuw. Het Primitief Kadasterplan (1834) geeft dezelfde situatie weer, en laat tevens een restant van de zuidelijk verder lopende omwalling zien, in de zuidoostelijke hoek. Het landhuis staat in de noordwestelijke hoek van het vierkant omwalde erf, daar grenzend aan een breed uitgewerkt stuk van de walgracht.

Een koetshuis sluit ten noorden aan bij de hoevegebouwen. Het domein is in de 19de eeuw eigendom van de familie Wautelée. De literatuur vermeldt dat deze familie het kasteeltje laat renoveren. Een lithografie van Wautelée toont het resultaat van de verbouwingen, die gekenmerkt worden door grote rechthoekige vensters met luiken. Het kadaster geeft in 1884 volgende wijzigingen aan het landhuis weer: bouw van een inkomportaal (houten luifel zie oude prentkaarten) en de kleine uitbouw ten noordwesten, en het dempen van de volledige westelijke walgracht. Eind 19de eeuw zouden de zolderverdiepingen van de oost- en westkant onder één dak zijn gebracht, waarbij de zijgevels van de oostelijke voorbouw werden opgetrokken.

Midden 19de eeuw is het bos voor de helft verdwenen ten voordele van akkerland. Het kadaster registreert de uitbreidingen die de hoeve-uitbating eisen. Op het Primitief Kadasterplan van 1834 is de 18de-eeuwse situatie van de hoeve bestendigd: de hoeve bestaat uit een lange vleugel boerenhuis-stal ten zuiden van het landhuis, met haaks op de stal, de schuur. In 1884 worden grote wijzigingen weergegeven: het westelijke deel van de wallen wordt volledig gedempt, buiten de grenzen van de vroegere walgrachten worden bakhuis (zuid) en wagenhuis (zuidoost) toegevoegd. Stal en schuur lijken op de schetsen behouden; op basis van de sterke gelijkenis van baksteen met bak- en wagenhuis, kan evenwel vermoed worden dat deze ook werden vervangen in 1884, met behoud van de 18de-eeuwse fundamenten.

20ste eeuw. In 1909 wordt het landgoed Rijckevelde verkocht aan Raphaël Gillès de Pélichy. Omdat hij de in kern 16de-eeuwse gebouwen van het landhuis niet comfortabel genoeg vindt, laat hij circa 200 meter ten noorden ervan een nieuw kasteel bouwen. Het kasteel wordt ingeplant op de T-kruising van twee bestaande dreven, waarbij de perfect noordelijk geaxeerde toegangsdreef naar het kasteel wordt gekasseid. Ten zuiden van het kasteel worden de resten van de omwalling rond de historische landhuis-hoeve-site gebruikt als basis voor een onregelmatige vijver, passend in een romantische tuinaanleg.

Het neogotische kasteel wordt in twee fazen opgetrokken, met de Eerste Wereldoorlog als onderbreking. De architect is onbekend; de aannemer is Louis Verhaeghe (Loppem). De eerste fase loopt van 1913 tot 1914 en betreft de westkant van het kasteel tot en met de inkompartij en toren. Na de Eerste Wereldoorlog wordt opnieuw gestart; het volledige bouwwerk wordt in het kadaster geregistreerd in 1929. Deze datum wordt bevestigd door jaartallen op een baksteen, op de windwijzer van de toren en op een plaquette onder de kapel. Het kasteel wordt als zomerverblijf gebruikt door de in Izegem residerende familie Gillès de Pélichy.

Geallieerde soldaten bivakkeren er tijdens de Tweede Wereldoorlog en hebben toen alle open haarden beschadigd. In 1945 verlaat de familie Gillès de Pélichy het kasteel definitief. Na de Tweede Wereldoorlog staat het kasteel een tiental jaren leeg.

In 1951 wordt een groot deel van het bos militair domein, na de oprichting van een militair kwartier aan de Dorpsstraat (zie Dorpsstraat nummer 188). In 1956 wordt het neogotische kasteel de zetel van de "Stichting Ryckevelde", een Europees en Internationaal vormings- en informatiecentrum, gesticht door pater Karel Verleye, dat een studiecentrum is rond de eenmaking van Europa. De paters Kapucijnen kopen in 1959 het kasteel en het oude landhuis voor deze bestemming aan; beide gebouwen worden daarvoor aangepast.

Begin jaren 1960 wordt het neogotische zomerkasteel ingericht als vormingscentrum met uitgebreide logeermogelijkheden. Het uitzicht en de structuur van het neogotische gebouw worden daarbij grotendeels bewaard. In het souterrain, inrichting van keuken, eetzaal en bar. Creatie van nieuwe toegang tot de kelder vanuit de inkomhal. Op de gelijkvloerse verdieping worden de intacte salons ontvangst- en bureelruimtes. De centrale schoorsteen wordt buiten gebruik gesteld en afgebroken tot op zoldervloerniveau. Vervangen van diensttrap in de kleine toren door een lift, waarbij een platform met kanteelwerk de oorspronkelijke torenspits vervangt. Opdeling van enkele grote slaapkamers; meidenkamers op de zolder worden logeerkamers voor cursisten; dakvlakvensters vervangen de dakkapellen. In 1992 keurt de brandweer de logeerruimtes in het neogotische kasteel af, waardoor het gebouw zijn belangrijkste functie verliest. Behalve een bureelruimte op de gelijkvloerse verdieping, wordt het gebouw niet meer gebruikt. De hoeve van het domein wordt in 1992 aangekocht om in te richten als logeergebouw; de slechte bouwfysische toestand staat evenwel een realisatie ervan in de weg.

Begin jaren 1970 vinden ingrijpende verbouwingen plaats om van het oude landhuis een vergader- en opleidingscomplex te maken. Behalve de totale ontmanteling en herschikking van het interieur van het gebouw, wordt het koetshuis tussen landhuis en hoeve afgebroken en vervangen door een nieuwbouw, de houten luifel van 1884 wordt verwijderd, en het bestaande landhuis wordt aanzienlijk uitgebreid, met nieuwbouw onder meer voor horecaruimte en auditoria. Het gabariet, gekenmerkt door de traptoren wordt grosso modo gerespecteerd; de buitengevels van het bewaarde oude gedeelte worden bewaard.

Beschrijving

Het historische landhuis van Rijckevelde bevindt zich in het zuidwesten van het domein. Het gebouw zou een middeleeuwse kern hebben; zeker is dat reeds in de 16de eeuw een kasteel met toren aanwezig was op deze plaats, zie aanduiding op kaart van Pourbus (1561-1571) en datering van schouwwangen "ANNO - 1562". De verregaande aanpassingen circa 1972-73 maken een datering op basis van bouwfysische kenmerken bijzonder moeilijk, aangezien alle ruimtes volledig zijn gewijzigd en opnieuw aangekleed, tot kelder, zolder en traptoren toe. Het oorspronkelijke volume werd deels in nieuwbouw vervat; het volume van de traptoren blijft domineren. Historisch gebouw uit verschillende bouwfasen gegroeid; onderkelderd gebouw van twee bouwlagen gevat onder leien zadeldaken. Verankerde baksteenbouw, naar verluidt deels opgetrokken uit moeffen, geëgaliseerd door een witte kaleilaag. Lijstgevels met grote, beluikte rechthoekige muuropeningen, wellicht een 19de-eeuwse aanpassing. In de noordoostelijke oksel van twee gebouwonderdelen, een bakstenen traptoren op achthoekige plattegrond onder ingesnoerde torenspits; rechthoekige vensters, beneden getralied.

Hoeve gelegen ten zuiden van het landhuis, in de zuidwestelijke hoek van het domeinbos Rijckevelde. Klimt vermoedelijk op tot de 16de eeuw, zie aanduiding van neerhof op kaart van Pourbus (1561-1571). Oorspronkelijk liggen beide gebouwen binnen de westelijke vierkante walgracht, met ten oosten daarvan een omwalde tuin of boomgaard. Hoeve met losstaande bestanddelen; het begin-17de-eeuws boerenhuis ligt ten westen van het erf en sluit ten zuiden aan bij het landhuis. Een 18de- of 19de-eeuwse stal sluit ten zuiden bij het boerenhuis aan; ten oosten van het boerenhuis (nok haaks op huis) ligt een 18de- of 19de-eeuwse schuur. Al deze gebouwen liggen binnen de contouren van de oude walgracht, die in 1884 is gedempt voor de uitbreiding van de hoeve: een nieuw bakhuis en wagenhuis worden ten zuiden van de oudere gebouwen toegevoegd buiten de vroegere walgracht.

Boerenhuis van vier traveeën en één bouwlaag + drie opkamertraveeën van twee bouwlagen boven een hoge kelder; opvallende traptoren sluit ten zuidwesten aan. Verankerde baksteenbouw onder zadeldaken met Vlaamse pannen, dak van het hooghuis tussen aandaken met tuit, schouderstukken en muurvlechtingen. Oorspronkelijk volledig witgekalkt op gepekte plint. Oostelijke erfgevel uitgewerkt als voorgevel, met rondboogdeur voorzien van vlakke omlijsting met sluitstukken, waarop tot voor kort een niet nader geïdentificeerd tinnen ornament. Iconografie leert dat vroeger een dakvenster boven de deur aanwezig was. Laaghuis met grote, in de 18de eeuw wellicht vergrote beluikte rechthoekige vensters, voorzien van uitzonderlijk fraai schrijnwerk met roedeverdeling. Erfgevel van hooghuis telt drie licht getoogde vensters op eerste en een venster op tweede bouwlaag, luikduimen en hardstenen onderdorpels, 19de-eeuws schrijnwerk. Opmerkelijk zijn de mozegaten op beide opkamerniveaus. De buitentrap naar de eerste opkamer, is wellicht een 20ste-eeuwse toevoeging.

De westgevel van het boerenhuis valt op door zijn geslotenheid: behalve drie openingen in de bovenste geledingen van de traptoren, en een stenen kozijn op de bovenverdieping van het hooghuis, zijn alle vensters, vnl. rond- en korfbogig, dichtgemetseld. Formaat van baksteen en gebruik van kalkmortel wijst erop dat dit een historische ingreep is, wellicht om de privacy van de bewoners van het erg nabije landhuis te vergroten. De westkant van het boerenhuis wordt gedomineerd door de opmerkelijk vormgegeven traptoren. Bakstenen toren op achtzijdige basis, op niveau van de zolder van de opkamer brengen twee trompen de toren op een vierkante basis. Deze trompen zijn fantasierijk gemetseld: de rechter gaat van een brede basis naar een punt, de linker net andersom. Het rode metselwerk van de toren vertoont twee X-vormige metselaarstekens. Links naast de toren, vertoont het metselwerk van het hooghuis sporen van een buitenlatrine.

De indeling en de interieurafwerking van de woning bewaart ondanks de ruïneuze toestand van het gebouw, talrijke opmerkelijke historische elementen. Het laaghuis telt twee grote, vierkante naast elkaar gelegen kamers, de deur geeft uit op een kleine 'inkomhal', gemetseld in de noordoosthoek van de zuidelijke kamer. Beide kamers bewaren authentieke balkstructuren met moer- en kinderbalken; in de zuidelijke kamer is de moerbalk opvallend gedateerd "1621" en voorzien van een fraaie balksleutel met kruismotief, tandfries en peerkraalmotief, een typische luxueuze begin-17de-eeuwse afwerking. De balken in de andere kamer zijn door brand zwartgeblakerd. Beide kamers waren oorspronkelijk voorzien van een grote schouw, in de noordkamer met wangen van zwarte klompjes en houten haardbalk; in de zuidelijke uitgebroken. De wanden van de zuidelijke kamer dragen sporen van polychrome beschilderingen: boven een ossebloedrode lambrisering, een lichtblauwe achtergrond waarop sporen van zwarte lijnen zijn bewaard. De wanden van de ingebouwde "windsluis" tonen florale sjabloonmotieven. 20ste-eeuwse tegelvloeren.

Vanuit de noordkamer zijn opkamer en traptoren te bereiken. Een steektrap rechts naast de haard leidt naar de dubbele opkamer, met een grote kamer van twee en een kleinere kamer van één travee. De zuidelijke opkamer is de grootste, en bevat naast bewaarde plankenvloeren en balkenlagen een opmerkelijke schouw, met zogenaamd gotische schouwwangen die bovenaan vrij uitzonderlijke motieven bewaren, nl. twee koppeltjes, moeilijk zichtbaar want dichtgekalkt. De meest noordelijke kamer heeft een kleiner schouwtje.

De traptoren biedt toegang tot de bovenverdieping van het hooghuis via een houten spiltrap; door de slechte bouwfysische toestand konden de bovenkamers niet bezocht worden. In de toren, tevens trap naar de kelder: prachtige begin-17de-eeuwse graatgewelven met centrale zuil overkluizen de ruime kelder; hardstenen vloertegels.

De stal sluit ten zuiden bij de woning aan, onder doorlopend zadeldak. Kaartmateriaal geeft dit volume weer vanaf de 18de eeuw, misschien werd het circa 1884 heropgebouwd, samen met de bouw van de andere bedrijfsgebouwen, zie gebruik van zelfde donkerrode baksteen. Witgekalkte baksteenbouw op gepekte plint; kleine muuropeningen Twee laaddeuren, vroeger met licht klimmend dak. Zuidelijke zijpuntgevel met openingen voor varkensstallen; aansluitend haakse 20ste-eeuwse lage varkensstallen onder lessenaardak.

Ten oosten van het huis, een dwarsschuur in donkerrode verankerde baksteenbouw waarvan het zadeldak (nok haaks op woning, Vlaamse pannen) deels in ingestort. Hoge schuurpoorten, klassieke gebintes. Het drieledige wagenhuis met centrale poort staat ten zuiden van en rechtover de schuur. Ten zuiden van het volume woonhuis-stal is het bakhuis ingeplant, ooit gewitte donkerrode baksteenbouw onder pannen zadeldak (nok evenwijdig met huis). Kleine rechthoekige muuropeningen; oven is bewaard.

Centraal in het domein gelegen kasteel in neogotische stijl, met omringend landschapspark met onregelmatige vijver en toegankelijk via een lange, gekasseide dreef vanaf de Maalse Steenweg.
Complexe rode baksteenbouw met speelse volumewerking onder leien bedaking: souterrain en twee bouwlagen op onregelmatige plattegrond; centraal aan de zuidkant de dominante traptoren met ingesnoerde leien torenspits; in de noordwestelijke hoek een kleinere polygonale (dienst)traptoren waarop een extra gekanteelde geleding werd gebouwd bij de integratie van een lift in de jaren 1960; ten oosten een uitbouw waarin zich op de verdieping de huiskapel bevindt, met de driezijdige apsis boven een als spitsbooggalerij opengewerkt gelijkvloers. Het geheel wordt gemarkeerd door onregelmatig geplaatste risalieten met trapgevels, Brugse traveeën, uitgewerkte schoorsteenaanzetten en witstenen kruiskozijnen. Centraal in de noordgevel, de inkompartij geaccentueerd door een hardstenen steektrap met gietijzeren leuning. Behalve de eiken dubbele tudorboogvormige inkomdeur, werd het schrijnwerk van de gevarieerde, rechthoekige openingen vernieuwd.

Interieurindeling en -afwerking grosso modo bewaard, met uitzondering van aanpassingen voor logies, zie hoger. Grote, centrale hal tussen inkompartij en traptoren, met ten westen daarvan een dwarse gang waarop ten noorden salon van mevrouw, en ten zuiden naai- en spreekkamer uitgeven; torentje in noordwestelijke hoek vroeger voor diensttrap, nu lift. Ten oosten van de inkomhal, het in 1929 afgewerkte gedeelte bestaande uit een enfilade van eetzaal en rooksalon, waarnaast een uitbouw voor de huiskapel. Kelderverdieping volledig aangepast, nieuwe schouw met integratie van oude tegels in Delftse traditie gerecupereerd uit het landhuis van het domein. De gelijkvloerse verdieping bewaart de oorspronkelijke aankleding. Inkomhal met indrukwekkend trappenhuis, granito bordestrap gekenmerkt door neogotisch getinte witstenen aanzet en dito smeedijzeren balustrade. Stucplafond met balkenstructuur, gestucte en geschilderde wanden, granito vloer met florale hoekelementen. Grote schouw tegen oostwand, gekenmerkt door hardstenen gotische wangen, schouwmond met patroon van zwarte en rode bakstenen, witstenen haardbalk met opschrift "ZUID-NOORD-OOST-WEST T'HUIS BEST", beeld van Maria met kind onder baldakijn. Houten deuren met briefpanelen geven uit op aangrenzende salons. Eetkamer met zichtbare moer- en kinderbalken, eiken parket, schouw gekenmerkt door schouwmond met zwarte bakstenen en groene mozaïeksteentjes, witstenen haardbalk met Mariamonogram en wapenschilden van de familie Gillès de Pélichy. De eclectische rookkamer is de meest luxueus ingerichte kamer van het kasteel, aangekleed met recuperatiematerialen. Plafond met eiken moer- en kinderbalken, parketvloer. De met panelen versierde eiken lambriseringen, die schouwmantel, hoekkastjes en dubbele deuren omvatten, zijn naar verluidt meegebracht uit een Frans kasteel van de douariaire. Schouwmantel met schilderij, kopie naar Rubens (zie linker onderhoek), gesigneerd "P. J DE COOMAN"; renaissance-schouwwangen gerecupereerd uit het landhuis van Rijckevelde zijn gedateerd "ANNO - 1562". Damessalon bevat neogotisch getinte bibliotheekkasten. Wachtkamer met gekanteeld schouwtje.

Verdiepingen met planken vloeren en sobere ruimtes, enkele schouwtjes met haardmond in zwart-rood baksteenpatroon. In oostelijke uitbouw, de huiskapel.
Neogotische kapel gebouwd en ingericht in 1929, eenbeukige kapel van twee traveeën en driezijdige apsis. Planken vloer, houten spitstongewelf, spitsboogvensters met in apsis drie gebrandschilderde taferelen gesigneerd "VAN WALLEGHEM BRUGGE".

  • KADASTERARCHIEF WEST-VLAANDEREN TE BRUGGE, 207: Mutatieschetsen, Sijsele, 1884/54, 1920/9, 1929/29, 1934/25, 1959/48, 1973/40.
  • STADSARCHIEF BRUGGE, Oud Archief nr. 157, Civiele Sententiën van de Vierschaar, 1447-1453, fol. 250 recto.
    Aanwijzende fotografische inventaris van de drie rechterlijke kantons Brugge, Brussel, 1965, p. 430.
  • AROHM, Afdeling Monumenten en Landschappen, Landschapsatlas, Ankerplaats "Rijkevelde", 2001, OC GIS-Vlaanderen.
  • ADRIANSENS W. e.a., Groen Brugge, Brugge, 1987.
  • BLONDEEL C.; GODDYN P., Sijsele in oude prentkaarten, Zaltbommel, 1975.
  • BONNEURE F., De Kapucijnen vierhonderd jaar in Brugge (1592-1992), Brugge, 1992.
  • DECLEER K., De heide en stuifzanden van Ryckevelde: natuur met grote N, in Arsbroek, kring Hervé Stalpaert, jaarboek 7, 1990, p. 47-54.
  • DE FLOU K., Woordenboek der toponymie van Westelyk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guînes en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu, deel XIII, Brugge, 1932, kolom 1059-1061.
  • DE POURCQ P.; DE SCHRIJVER G., Ryckevelde wandelpad, Brugge, 2001.
  • DENDOOVEN K., Archivalisch onderzoek betreffende het domein Rijckevelde, onuitgegeven nota, 2004.
    Een bosleerpad in het staatsdomein Rijckevelde te Sijsele (Damme), Brussel, 1988.
  • GERARD H., Ryckevelde. Stukjes geschiedenis en weetjes over herenhuis en boerderij, nota's circa 1970-2005.
  • GODDERIS J. en DETAILLEUR W., De neogotiek in West-Vlaanderen: religie en architectuur, 2002, p. 21.
  • LERMYTE J.-M., Het Blauwhuis en Izegem, Izegem, 1990.
  • RAU J., Het Damme van toen en omgeving, Brugge, 1981.
  • VAN HAECKE B., Wegwijs in Damme en omgeving, Brugge, 1985.
  • VAN POUCKE G., Archiefbeelden Damme, Damme/Stroud, 2002.
  • VAN REMOORTERE J., Wandelen door Westvlaamse bossen, Tielt, 1995.
  • VERLEYE K., Het centrum Ryckevelde, in VAN DEN BON A., 1000 jaar Sijsele, Brugge, 1976, p. 127-128.
  • VERSTRAETE D., De bewoning van Sijsele in de XVIIe eeuw, in 1000 jaar Sijsele, Brugge, 1976, p. 99-107.
  • WINTEIN W., Landschapsontwikkeling te Sijsele, in Bos en Beverveld, jaarboek 1967, p. 9-41.
  • http://users.telenet.be/bomenmeteenverhaal/Belgie/WestVlaanderen
  • http://nl.wikipedia.org/wiki/Ryckevelde

Bron: Callaert G. & Hooft E. met medewerking van Santy P. & Snauwaert L. 2006: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Damme, Deel I: Stad Damme, Deelgemeenten Hoeke, Lapscheure en Moerkerke, Deel II: Deelgemeenten Oostkerke, Sijsele en Vivenkapelle, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL17, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Callaert, Gonda & Hooft, Elise

Datum tekst: 2006

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Rijckeveldestraat

Rijckeveldestraat (Damme)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.