Achelse Kluis

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Provincie Limburg
Gemeente Hamont-Achel
Deelgemeente Achel
Straat De Kluis
Locatie De Kluis 1, Hamont-Achel (Limburg)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Hamont-Achel (adrescontroles: 12-04-2007 - 12-04-2007).
  • Inventarisatie Hamont-Achel (geografische inventarisatie: 01-01-2005 - 31-12-2005).
  • Thematische inventarisatie 20ste-eeuwse kerken (geografische inventarisatie: 01-07-2008 - 31-12-2009).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Achelse Kluis

Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018.

is beschermd als monument Achelse Kluis

Deze bescherming is geldig sinds 01-03-2004.

Beschrijving

HISTORIEK

Oorspronkelijk verblijfplaats van kluizenaars, vanaf 1846 priorij, sinds 1871 trappistenabdij, gelegen aan de Warmbeek, de Stokkenloop en de Prinsenloop, op de Belgisch-Nederlandse grens, zie de wapenspreuk super rivos aquarum, "aan de waterkanten", en omgeven door grachten en lange lanen met populieren, eiken en linden. In zijn huidige vorm, gebouwencomplex op een ruim driehoekig terrein, gevat tussen de Nederlandse grens ten noorden, de Warmbeek ten westen en de straat ten oosten en zuiden. Ensemble gedomineerd door de centrale resten van de broederkerk en de huidige aangebouwde abdijkerk, een drietal aansluitende binnenpleinen, omgeven door het gastenkwartier en het oude kapittel ten westen, en de aansluitende, L-vormige midden 20ste-eeuwse vleugel met huidige winterkapel en klooster ten oosten en noorden.

Naar aanleiding van de Vrede van Munster (1648), waarbij de katholieke eredienst werd verboden in de Noordelijke Nederlanden, stichting in 1656 door katholieken uit Waalre, Valkenswaard en Schaft van een kapel in vakwerkbouw vlak over de grens in Achel, het zogenaamde "oratorie van Verckens-weerth" of "Weerderhuys". Na 1672 werden de vervolgingsplakkaten ingetrokken en viel deze grenskerk in onbruik. In 1686, stichting door P.W. van Eijnatten uit Eindhoven in de leegstaande pastorie, die bij de grenskapel hoorde, van een kloostergemeenschap van broeders-eremieten, de ermitage van Sint-Jozef of Achelse Kluis. Op 2 juni 1689, goedkeuring van hun regel door prins-bisschop M.H. van Beijeren. In 1693, schenking door zijn opvolger, J.L. van Elderen, van zeven bunders heide, welk bezit later door schenking en arbeid nog werd uitgebreid. In 1716, vernieling door brand van bijna alle gebouwen van de hermitage.

In 1734-36, bouw van een nieuwe kapel, de huidige broederskerk van de abdij; inwijding op 29 juni 1740 door de hulpbisschop van Luik, P.L. Jaquet. Dit bedehuis was opgenomen in de zuidelijke vleugel van het klooster, die samen met de drie andere een vierkant vormde, dat circa 1765 werd voltooid. Een tekening van Remacle Leloup (circa 1730-40) toont twee in het vierkant opgestelde gebouwencomplexen tegen de broederskerk, een losstaande langsschuur ten westen en ten noorden een paar aparte gebouwen, onder meer wellicht het oude schooltje. De broeders deden aan landbouw, vingen pensiongasten op, verzorgden krankzinnigen en gaven jongensonderwijs. Ook was er een wasblekerij en een waskaarsenmakerij gevestigd. Op 28 augustus 1794, plundering van het klooster door de Fransen. In 1798 naar aanleiding van Franse Revolutie, opheffing en onteigening. De koper van dit zwart goed was J.D. Tuyll van Serooskerken, kasteelheer van Heeze. De gebouwen werden verpacht, vervielen en werden deels afgebroken.

Op 18 november 1844 werden de gebouwen en gronden van barones Tuyll van Serooskerken bij voorlopig contract door de abdij van Westmalle verworven. Op 9 april 1845, ondertekening van de officiële akte, waardoor aankoop van de oude kluis door de trappisten van Westmalle, om er het in 1838 te Meersel-Dreef gestichte klooster van Sint-Benedictus in onder te brengen. Dankzij een schenking van Mevrouw Ph. de Villegas de Clercamp kon de transactie doorgaan. Vanaf 3 juli 1845, herstel van de kloosterkerk en inrichting van de oude boerderij ten zuiden van het klooster tot gastenverblijf, inbegrepen stallen en werkplaatsen. Op 21 maart 1846, hervatting van het kloosterleven. De twee L-vormige vleugels uit de periode der eremieten bevatten kerk, kapittel, pand, refter, keuken, twee kamers van de overste en de prior, alsook een werkhuis. Op de bovenverdieping waren ziekenkamertjes en een slaapzaal. Vanaf de stichting tot ongeveer 1910, kweek van coniferen voor de verkoop; vanaf de stichting tot de Eerste Wereldoorlog, drukkersactiviteiten; vanaf 1858 tot 1896, wijnbouw voor miswijn. In 1848, planten van de dreef voor het poortgebouw. In 1849-50, bouw van de westelijke werkhuizen, bestaande uit een washuis, bakkerij, mouterij en een bierbrouwerij, actief van 1850 tot kort voor de Eerste Wereldoorlog en recent weer in gebruik. In 1850, bouw van de heden verdwenen oude koestal ten zuiden In 1851, oprichting van de oude poort. In 1853, bouw van de latere noordvleugel van het gastenhuis: beneden bibliotheek, ziekenhuis en sacristie, boven ziekenkamertjes. In 1855, bouw van de zuidvleugel van het gastenhuis. In 1861, bouw van een smederij, koperslagerij en timmerwerkplaats ten noorden, in het verlengde van de westelijke werkhuizen. In 1862, oprichting tegen de zuidelijke kerkmuur van vijf kapellen. In 1865, bouw van de zuidelijke vleugel met kaasmakerij. In 1868, oprichting ten oosten van een vrouwenkwartier, een buitenkapel en een binnenpoortgebouw, alsook van een korenschuur ten zuiden. In 1871, verheffing tot abdij. Op 19 mei 1881, brand in de kaasmakerij en belendende ruimten.

In 1881-82, aanleg van een nieuw kerkhof. In 1883-84, bouw van de heden verdwenen noordelijke kloostervleugel, waarin keuken, refter en slaapzaal werden ondergebracht. In 1884, ten zuiden van genoemde zuidelijke vleugel, bouw van de aan straatzijde gelegen grote koestal, paardenstal, remise, knechtenkwartier en varkenskot. Circa 1884, bouw tussen de kaasmakerij en de korenschuur van een diephuis, waar in 1887 de machinale korenmolen werd geïnstalleerd.

In 1885-86, wegens het grotere aantal monniken, oprichting van de neogotische, aan de Heilige Maagd Maria toegewijde kerk met koor der monniken en ruim presbyterium, naar ontwerp van architect P.J.H. Cuypers (1827-1921), (Roermond), opgetrokken in het verlengde van de bestaande eremietenkerk; hiertoe afbraak van een deel van het priesterkoor van de oude kerk; eerstesteenlegging op 13 augustus 1885, inzegening van de nog niet volledig afgewerkte kerk en haar zeven altaren op 18 maart 1887 en plechtige inwijding op 19 oktober 1889 door Monseigneur Doutreloux van Luik; latere toevoeging van een kapellenkrans naar ontwerp van de Achelse broeder B. Veldmans, die ook andere correcties aan het ontwerp van Cuypers aanbracht.

In 1886, plaatsing van de grote buitenpoort ten oosten en begin van de bouw van de grote slotmuur ten noorden en ten oosten. In 1887, inrichting van een washuis in de westvleugel. In 1888, bouw van een ziekenhuis. In 1888-90, bouw van de grote kapittelzaal en het noviciaat, ten westen van en parallel met het gastenhuis. Op 8 oktober 1906, brand van de binnenste zuidvleugel en heropbouw het jaar daarop.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, verlaten van de abdij door de religieuzen, plundering van het klooster, stukschieten door de Duitsers van de spits van de dakruiter van de kerk, alsook van de daken van schuren en stallen, aanleg van een grensversperring in de vorm van een draadafsluiting en ombouw van het noordoostelijke kippenhok op Nederlands grondgebied tot noodklooster, zogenaamde "barakken", daar voor een groot deel in hout opgetrokken. In 1924, aanbrengen van een nieuwe spits naar ontwerp van L. Laurens (Mende, Lozère), een Franse kanunnik-architect. Op 1 oktober 1926, inzegening van de zogenaamde "barakkenkapel" of "kapel Onze-Lieve-Vrouw Middelares", naar ontwerp van architect J. Ritzen (Antwerpen), een ombouwing van hoger vermeld noodklooster. In 1931, restauratie van de broederskerk.

In de jaren 1930, opstarten van de productie van boenwas, na de Tweede Wereldoorlog uitgroeiend tot een echte zeep- en plastikfabriek, geliquideerd bij het begin van de jaren 1980. In 1941-42, bouw van een nieuwe varkensstal ten westen van de westelijke vleugel.

Reeds in 1914, plan om de vervallen gebouwen van de kluis door nieuwbouw te vervangen, maar verhindering door de Eerste Wereldoorlog. Heropname van dit plan door Dom V. Klinski, abt van 1920 tot 1927, die professor S. Leurs en architect J. Ritzen (Antwerpen) hiermee belastte (plannen van 1925). Andere plannen door L. Laurens, genoemde Franse kanunnik, en door architect A. Lippens (Hasselt). Geen realisatie.

In januari 1943, verdrijving van de gemeenschap en roof door de Gestapo van de hele inboedel van het klooster, uitgezonderd bibliotheek en sacristie. In september 1944, zware beschadiging van de broederskerk door het Engelse leger.

Terugkeer van de monniken in de lente van 1945. Heropname van de plannen tot nieuwbouw en aanleg van een nieuw kerkhof aan de oostzijde van de kerk. Gedurende de winter van 1945-46, voltooiing van de kelders voor de twee eerste vleugels. Bij het eeuwfeest op 21 maart 1946, eerstesteenlegging voor een nieuwe abdij, naar ontwerp van J. Ritzen (Antwerpen), zie gevelsteen in sluiting van de nieuwe kapittelzaal: DIE 21 MARTII A.D./ MCMXLVI/ IN FESTO S.P. BENEDICTI/ ABBAS COLVMBANUS ME POSUIT, inscriptie tussen wapenschilden van kluis en abt; alsook oprichting ten noordwesten van het vernieuwde standbeeld van Sint-Benedictus, met achtzijdige geprofileerde sokkel op dito basement en inscriptie: PATRI BENEDICTO FILII EX EXILIO REDVCES GRATI AEDIFICAVERVNT. In 1946, oprichting van de heden nog bestaande uitgeverij Sinite Parvulos. In december 1949, voltooiing van de oost- en noordvleugels. Niet-uitvoering van het grootscheepse her- en nieuwbouwplan van architect Ritzen, dat ook een westelijke vleugel, een nieuwe kerk en een apart gastenhuis voorzag, wegens tekort aan financiële middelen.

Na de eerste ontdekking van de fundamenten in 1934, opgravingen in oktober 1955 onder leiding van pater D. De Jong, naar de grondvesten van de oorspronkelijke grenskapel in vakwerk, die de typische kenmerken van een Kempische driebeukige schuur vertoonde, met bakstenen stoel en interieur met twee reeksen van zeven evenwijdige stijlen en drie delen: de eigenlijke kerkruimte, een priesterkoor en een sacristie met berg- en woonruimte voor de officiërende priester achter het priesterkoor. De fundamenten werden dat jaar blootgelegd en gedeeltelijk tot op grondslaghoogte opgemetseld.

In 1973-74, afbraak van de nog resterende oude eremietengebouwen. In 1989, verkoop van 107 hectare landbouwgrond en wat bosgrond aan de Nederlandse staat. Ook aan de Belgische overheid werden gronden als natuurgebied verkocht. Een belangrijk deel is nu eigendom van de Vlaamse Gemeenschap, die het heidelandschap hier weer veld laat winnen. In 1997, inrichting van de kapel van het onthaal in het noordelijk deel van het poortgebouw, naar ontwerp van beeldhouwer Willy Ceyssens (Hechtel). In 1998, opening van een cafetaria. In 1998-99, renovatie van de neogotische kerk volgens het concept en de plannen van broeder-architect P.-M. Hervy uit de dochterabdij van Rochefort. Van 2000 tot nu, restauratie van de leegstaande hoevegebouwen met de hulp van het Europese "Interreg"-fonds, ten behoeve van de groeiende culturele activiteiten, onder meer dakwerken, voegwerken, aanbrengen van nieuw houtwerk en bevloeren en verharden van de binnenkoer.

Op de Ferrariskaart (1771-77) Hermitage d'Achel genoemd, gelegen aan een met bomen omzoomde weg die het domein van west naar oost doorkruist en aangeduid als een U-vormig geheel, met ten noorden een kleiner in het vierkant opgesteld gebouwencomplex, alsook nog meer ten noorden een losstaand gebouw. De abdij is er omgeven door omhaagde moestuinen, akkers en verderop heidegrond. In de Atlas van de Buurtwegen (1845) is de langgestrekte oude boerderij ten zuiden aangeduid, met ten noorden de twee L-vormige vleugels uit de tijd der eremieten, alsook nog meer noordwaarts twee losstaande rechthoekige volumes. Het geheel wordt hier De Kluis, Klooster der Trappisten genoemd.

BESCHRIJVING

Bakstenen gebouwencomplex veelal onder zadeldaken (mechanische pannen, leien en kunstleien) met grotendeels bewaard houtwerk, de 19de- en begin 20ste-eeuwse gedeelten doorgaans verankerd en van ritmerende lisenen en aflijnende muizentanden voorzien.

Ten oosten, muur met van 1886 daterende rondboogpoort met sluitsteen, geflankeerd door hoeklisenen en bekroond door een rondboognis met beschilderd Onze-Lieve-Vrouwebeeld en opengewerkte muursegmenten; ijzeren hek; aan weerszij getoogde muuropeningen met dito hekken.

Achter deze poort, in 1868 opgetrokken poortvleugel van twaalf traveeën en één bouwlaag. Bepleisterde en beschilderde bouw. Buitengevel met getoogde vensters en rondboogdeuren. Centrale neoclassicistische rondboogpoort met imitatievoegen, pilasters en centrale sluitsteen met kroon, twee olijftakken en opschrift: 1868, waarboven kordonlijst en klokgevelvormige bekroning met neobarokke inslag, voluten en geprofileerde deklijst, waarin centrale geprofileerde rondboognis met beschilderd beeld van Sint-Benedictus, waaronder opschrift: S. BENEDICTUS-ABDIJ. Deurportiek met rondboogportaal waarboven inscriptie: INGREDIENTI PAX, onder een geprofileerde lijst; deur met ijzerbeslag. Drie links aansluitende traveeën met rechthoekige muuropeningen onder doorlopende bedaking. Noordelijke traveeën en dito aanbouwsels, ingericht als kapel van het onthaal. Achtergevel van poortvleugel met gecementeerde afwerking; getoogde muuropeningen op al dan niet doorlopende lekdrempels; gelijkaardige rondboogpoort als vooraan, ditmaal zonder klokvormige bekroning en met sluitsteen voorzien van jaartal: 1860 (laatste cijfer?); doorgang met pilasters waarboven gekornist entablement en overkluizend tongewelf met rondbogige gordelbogen.

Aan de overzijde van een binnenhof, parallel, van 1853-55 daterend gastenhuis van twaalf traveeën en twee bouwlagen, met zuidelijk aandak voorzien van vlechtingen. Veelal getoogde en enkele rondbogige muuropeningen op hardstenen lekdrempels. Rondboogdeur met waaiervormige roedeverdeling, ingeschreven in een rondbogige spaarnis voorzien van pilasters met zandstenen afwerking en dito sluitsteen. Zuidelijke zijpuntgevel met in een houten kozijn gevat luik in geveltop, trap met ijzeren leuningen leidend naar de tweede bouwlagen en aanbouwsel van één bouwlagen onder vlakke bedaking.

Zuidvleugel van het binnenhof met later aangepaste, van rechthoekige vensters op bakstenen lekdrempels voorziene erfzijdegevel. Ten zuiden hiervan, aansluitende korenschuur van 1868 met verluchtingsdak en van vlechtingen voorziene aandaken; de westelijke zijgevel met gedichte korfboogpoort, de oostelijke met linker schouderstuk, topstuk en aanbouwsel onder lessenaarsdak.

Aan deze korenschuur ten westen aansluitend, U-vormig geheel bestaande uit een diephuis van circa 1884, annex voormalige kaasmakerij, heden vooral loodsen, recente tentoonstellingsruimte en taverne, alsook uit de aan straatzijde gelegen voormalige boerderij van 1884, van oost naar west: afgebrande en herbouwde aardappelsilo's (heden winkel), paardenstal, koeienstallen onder meer afgebroken slaapstal onder lessenaarsdak, stier- en kalverstal. De voormalige kaasmakerij is voorzien van een van 1849-50 en 1861 daterende, zich ten noorden uitstrekkende, lange haakse vleugel met werkplaatsen, nu deels ingenomen door de recent heropgestarte brouwerij annex cafetaria. Vooreerst ten westen bij de korenschuur van 1868 aansluitend, van circa 1884 daterend diephuis van twee traveeën en twee bouwlagen met dakschild ten noorden, waar eertijds de graanmolen stond; getoogde, rondbogige en rechthoekige muuropeningen, laatstgenoemde aangepast; ten westen aansluitende ronde schouw.

Ertegenover, aan de overzijde van het gekasseide binnenplein: voormalig knechtenkwartier met diephuisopstand van twee traveeën en twee bouwlagen met grotendeels getoogde muuropeningen en oculus in geveltop. Rest van het U-vormig geheel van één bouwlaag; gevels gemarkeerd door puntgevelvormige bekroningen met luiken; veelal oorspronkelijk getoogde muuropeningen, aan de zijde van het binnenplein voor een groot deel beneden rechthoekige aangepast; oculi in toppen van zijpuntgevels. Interieur van stallen veelal met troggewelven op ijzeren I-balken. Lange haakse vleugel met werkhuizen van anderhalve bouwlaag; grotendeels aangepaste getoogde en rechthoekige muuropeningen op hardstenen lekdrempels; boven een gedichte en een andere poort aan binnenzijde: gevelstenen met jaartallen 1850 en 1940.

Ten noorden van het binnenhof gelegen, eerder zuidwest-noordoost-georiënteerde abdijkerk van 1885-86. Gebruik van fel rode baksteen voor geprofileerde omlijstingen, afzaat, klimmende spitsboogfriezen; hardsteen voor doorlopende afgeschuinde lekdrempels, deklijsten en afwerking van versneden steunberen aan koorpartij; zandsteen voor muurbanden, schouder- en topstukken; afwisselend spel van gele en groene tegels onder de aflijnende keperboogfries en rechte muizentanden, waarboven een geprofileerde daklijst; zadeldaken boven schip, transept, sacristie en nevenkoren, halfconische bedaking boven koorsluiting en apsidiolen, bedaking met vijf schilden boven de kranskapellen, de hoogste delen voorzien van dakkapellen onder zadeldakjes met twee dakschildjes vooraan, achtzijdige dakruiter met naaldspits boven de kruising, bolbekroningen en smeedijzeren kruisen.

De plattegrond beschrijft een schip van zeven traveeën, een transept van vijf traveeën met aansluitend aan de tweede en vierde traveeën twee nevenkoren met rechte sluiting, waarnaast telkens een bijkomend nevenkoor voorzien van een apsidiool, een koor van één rechte travee met halfronde sluiting voorzien van een kooromgang en vijf later toegevoegde vijfzijdige kranskapellen; sacristie ten zuidwesten van de zuidelijke transeptarm en narthex ten zuiden ervan.

Rechthoekig zuidelijk portaal in de narthex van één bouwlaag onder lessenaarsdak met dakschilden aan weerszij; eiken deur met ijzerbeslag; rechts, gedenkplaat met opschrift: BIJ HET 15E EEUWFEEST/ VAN ST BENEDICTUS/ GEBOORTE (480-1980)/ TER HERINNERING/ AAN BROEDER/ PETRUS WIJNANTS/ VAN EYNATTEN/ DIE IN 1686 HIER DE/ GRONDSLAG LEGDE/ VAN DE ACHELSE KLUIS/ 18.10.1980 DE VRIENDEN/ VAN DE ACHELSE KLUIS.

Zijgevels van schip en koor gemarkeerd door een opeenvolging van puntgevelvormige bekroningen onder zadeldakjes, haaks aansluitend op een smal lessenaarsdak onder de baksteenfries. Schip, koor en kranskapellen met lancetvensters, met uitzondering van oculi ter hoogte van het transept; zijgevels van uiterste nevenkoren met spitsbogig drielicht; transeptsluitingen met dito vijflicht en sacristie met dito tweelichten.

Interieur overkluisd door middel van bakstenen kruisribgewelven met zandstenen gewelfsleutels tussen spitsbogige gordelbogen, rustend op colonnetten met hardstenen basement en zandstenen kapiteel met vijfzijdige dekplaat, in de kruising uitlopend op zandstenen kraagstenen. Spitsbogige muraalbogen en dito scheibogen bij het transept. Koorsluiting, voorafgegaan door een spitsbogige triomfboog en overkluisd door een straalgewelf, rustend op zes hardstenen zuilen met vierzijdige voetplaat, achtzijdig basement en zandstenen kapiteel voorzien van een achtzijdige dekplaat. Kooromgang met stergewelven tussen lage spitsbogige gordelbogen, rustend op genoemde zuilen en op gelijkaardige colonnetten als in het schip. Transkapellen onder straalgewelven uitlopend op zandstenen kraagstenen.

Mobilair: stenen beeld van Onze-Lieve-Vrouw met Kind (eind 19de eeuw?); grot met Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes en Calvarieberg in beide apsidiolen, eerstgenoemde met altaar van de Onbevlekte Ontvangenis, laatstgenoemde met altaar van het Heilig Graf; neogotisch hoofdaltaar van de Heilige Benedictus en zeven neogotische zijaltaren, van het Heilig Hart van Maria en van het Heilig Hart van Jezus in de zijkapellen van het transept, van de Heilige Benedictus, Albericus, Jozef, Stephanus en Bernardus in de transkapellen, werk van de gebroeders Van de Mark (Eindhoven) en vooral van het atelier Cuypers en Stoltzenberg (Roermond); tabernakel uit 1922 van de Eindhovense edelsmederij Zimmerman-Wijnhoven; neogotisch eiken koorgestoelte deels door Selz (Bree) en deels door Waelbers (Neerpelt); sinds 1999, nieuw orgel, werk van de Franse orgelbouwer Bernard Hurvy, speciaal ontworpen voor de Achelse abdijkerk en haar akoestiek, ter vervanging van het orgel van 1949 door de firma E. Verschueren (Tongeren), op zijn beurt ter vervanging van het oude van 1900, dat een klein orgel van 1895 verving; ambo met voorstelling van apostelen Petrus en Paulus, een moderne realisatie van de dochterabdij van Rochefort en gecreëerd door beeldhouwer Alexis Pierrard; eenvoudige naoorlogse glasramen door pater Theobaldus, ter vervanging van de oude van Salvini uit Thorn; hardstenen gedenksteen ter ere van de weldoenster van de Kluis, Mevrouw Philippine de Villegas de Clercamp.

Ten westen van de neogotische kerk aansluitende, voormalige eremietenkapel van 1734-36, heden broederskerk, eertijds van vijf traveeën met driezijdige sluiting, bij de bouw van de nieuwe kerk ingekort tot vier traveeën, met omgevende, latere, voormalige cellen, vandaag kantoorruimten, van twee bouwlagen en pandgang van één bouwlaag; op laatstgenoemde gang uitgevende abtskapel; respectievelijk zadeldak met vierkant dakruiterje en aandak ten westen, lessenaarsdaken en vlakke bedaking (kunstleien). Van de zijgevels van de kerk zijn enkel de bovenste delen der kapitelen van de ritmerende pilasters te bemerken. De top van de voorgevel is met kunstleien bekleed. Rondboogvensters in de zuidelijke gevel van de pandgang, getoogde ten noorden en oculi op de tweede bouwlaag, alle in geprofileerde omlijstingen. In de 1973-74 met hergebruikt materiaal opgetrokken westmuur van de pandgang: voormalige toegangspoort van de oude, afgebroken eremietengebouwen, namelijk geprofileerde hardstenen rococorondboogpoort op neuten, met van cartouches voorziene aanzetstenen en van een akant voorziene sluitsteen met jaartal: 1851; rondom vijf zandstenen gevelstenen met inscripties: PAX/ HUIC/ DOMUI/ ANO 1765, ook restanten uit de eremietentijd.

Volledig bepleisterd en beschilderd zaalkerkje. Ritmerende pilasters met gekorniste kroonlijst dragen de rondbogige gordelbogen, waartussen kruisribgewelven; inscriptie: 1736 op één van de gordelbogen. Pandgang voorzien van troggewelfjes op houten(?) balken; abtskapel met drie kruisribgewelven rustend op colonnetten.

Ten zuiden van de broederskerk aansluitend, van 1888-90 daterend, oud kapittel in eclectische stijl met neo-Vlaamserenaissance-inslag; dertien traveeën en twee bouwlagen met opengewerkte dakruiter met bekronend kruis; gebruik van fel rode baksteen voor boogvelden, dagkanten van de gekoppelde bovenvensters en steigergaten rechts; zandstenen afwerking voor muurbanden, aanzet- en sluitstenen, geprofileerde stijlen van de kruisvensters, lateien en waarschijnlijk ook voor de links doorlopende lekdrempels. Westgevel gemarkeerd door trapgevelvormige bekroningen in eerste en negende travee Rechthoekige keldervensters in getoogde spaarvelden; eerste negen traveeën met kruisvensters op de eerste bouwlaag, gevat in een rondboogomlijsting van een dubbele rollaag; op de tweede bouwlaag aldaar, gekoppelde rechthoekige vensters met analoge ontlastingsbogen; vier rechtse traveeën met kleinere kruisvensters onder getoogde ontlastingsbogen. Grotendeels gecementeerde noordelijke zijgevel met twee spitsboogvensters waarvan één gedicht. Zuidelijke zijpuntgevel gemarkeerd door hoeklisenen, middenrisaliet met van hardstenen trap voorziene deurportiek, deels gedichte, getoogde, rondbogige en rechthoekige muuropeningen, laatstgenoemde met rondboogvelden; geveltop met centraal oculus onder bakstenen druiplijst, geflankeerd door vier rondbogige spaarvelden. Noordgevel met gelijkaardige, maar eenvoudiger ordonnantie.

Tussen gastenverblijf en oud kapittel, verbindende, eveneens van 1888-90 daterende vleugel van twee bouwlagen met getoogde muuropeningen en haakse rechtse uitbouw ten zuiden. Interieur van de oude kapittelzaal: drie beuken van zeven traveeën; houten zoldering op kinder- en moerbalken, voorzien van sleutelstukken, rustend op gehoute ijzeren zuilen op achtzijdige sokkels en voorzien van trapezoïdale kapitelen; vensters met deels bewaard, deels vernieuwd glas in lood.

Ten noorden van de westelijke bouw van de neogotische abdijkerk haaks aansluitende, van 1886 daterende vleugel van zes traveeën en twee bouwlagen op gecementeerde plint, bestemd voor de lekenbroeders, met het kapittel van de broeders op de gelijkvloerse verdieping en de slaapzaal op de tweede; overwegend getoogde, ook spitsbogige en rechthoekige muuropeningen op hardstenen lekdrempels.

Ten noorden van het koor van de neogotische abdijkerk, aansluitende abdijgebouwen naar ontwerp van architect J. Ritzen (Antwerpen), namelijk slechts twee gerealiseerde haaks op elkaar gelegen vleugels van het oorspronkelijk als gesloten geplande nieuwe klooster. De orde van Cîteaux heeft steeds een vast schema gehanteerd bij de bouw van haar abdijen. Het claustrum of kloosterpand leunt aan tegen de kerk, bij voorkeur ten zuiden, waar dit niet kon, zoals in Achel, ten oorden oostvleugel, ter hoogte van de kruisbeuk van de kerk, met achtereenvolgens sacristie, haakse, als winterkapel gebruikte kapittelzaal van vier traveeën met driezijdige sluiting, auditorium, scriptorium en bibliotheek; op de tweede bouwlaag slaapzaal der monniken.

Noordelijke vleugel, waarin keuken en haakse refter, met daarboven de ziekenafdeling; twee ingesloten binnenhoven, deels door spitsbooggalerijen omgeven. Door versneden steunberen geritmeerde pandgang aan de binnenzijde van beide vleugels. Sobere baksteenarchitectuur van één en twee bouwlagen, met gebruik van zandsteen voor schouder- en topstukken, dek-, kroon- en druiplijsten, lekdrempels, lateien van keldervensters, afwerking van steunberen en aanzetstenen van sommige spitsboogvensters. Gecombineerde zadeldaken (leien) met dakkapellen onder zadeldakjes met dakschild vooraan; boven refter en ziekenafdeling, achtzijdige arkel ten noorden met vier uurwerken en bekronende windwijzer; dakruitertjes met ingesnoerde naaldspits waarop bekronend kruis ter hoogte van de haakse uitbouwsels. Overal sobere spitsboogvensters, met ijzeren roedeverdeling, en enkele oculi in geveltop; rechthoekige keldervensters.

Interieur: overkluizing veelal door middel van sobere en krachtige graatgewelven, vaak tussen spitsbogige gordelbogen, deels rustend op zandstenen kraagstenen.

Mobilair: in de pandgang: Heilig Hartbeeld van 1947 door P. Raaymakers (Lommel); in het scriptorium: Calvariegroep in keramiek van J. Rummens (Besel); in refter, pandgang, kapittelzaal en trappenhuis: figuratieve glasramen van Frans Slijpen (Utrecht), Jos Hendrickx (Antwerpen) en Jan Wouters (Hove).

Ten noorden van de westelijke werkhuizen, evenwijdig aan en ongeveer ter hoogte van de noordelijke vleugel van architect J. Ritzen, overige, losstaande, van eind 19de - begin 20ste eeuw daterende werkhuizen van één bouwlaag, vroeger aansluitend bij de afgebroken zeepfabriek; rechthoekige en getoogde muuropeningen; één puntgevelvormige bekroning. Ten zuiden van deze werkhuizen stond circa 1980 nog een plastikfabriek. Ten westen van de stallen aan traatzijde stonden tot begin 2000 nog de voormalige varkensstallen; in 2000 aldaar parking in aanleg.

Ten noorden van de vleugels van architect Ritzen: deels in het laatste kwart van de 19de eeuw ommuurde moestuin en weide; in de noordelijke muur: deels witbeschilderde rondboognis in geprofileerde omlijsting met witbeschilderd Onze-Lieve-Vrouwebeeld, flankerende zuiltjes en sluitsteen, ingeschreven in een triomfboogvormige constructie met bovenaan opschrift: AVE MARIA; boomgaard ten oosten van de weide. Ten noorden van de boomgaard: zogenaamde "barakkenkapel", in 1926 ingezegend, met bekronend betonnen kruis, later een tijd fungerend als fruithal. Voorgevel met spitsboogportaal van een driedubbele rollaag.

Noordelijke zijgevel geritmeerd door steunberen, waartussen gedichte spitsboogvensters; aanbouw onder vlakke bedaking. Zuidelijke aanbouw onder lessenaarsdak (golfplaten). Achter deze voormalige kapel ten oosten, twee dienstgebouwen, het éne van baksteen, het andere van betonblokken. Ten oosten van de abdijkerk: naoorlogs kerkhof met kerkhofkapel voorzien van spitsboogportaal.

Ten zuiden van de weg De Kluis: latere, van de tweede helft van de 20ste eeuw daterende schuur met rechthoekige muuropeningen. Tegenover de voormalige aardappelsilo's stonden circa 1980 nog drie andere dienstgebouwen, een tweede schuur, een loods en een stal.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg Limburg, Cel Monumenten en Landschappen, dossier nr. 2346.
  • BLAUWE F. DE, Jos Ritzen, Antwerpen, 1957, p. 6, 17, 20-22, 33, platen 14-16 (met een ten geleide door R. VERWILGHEN).
  • BUSSELS A., De nieuwe Achelse Kluis, in De Tijdspiegel, 2, 1947, p. 15-17, afbn.
  • CLAASSEN A., Achel. Achthonderdvijftig jaren kerk en kerkelijk leven 1139-1989, Achel, 1989, p. 36, 39, 72.
  • CLAASSEN A., Achel, top van Limburg, in De Vlaamse Toeristische Biblioteek, 132, 1971, p. 11-12, 15-16).
  • CLAASSEN A., Honderd eeuwen Achel, Achel, 1988, p. 20-21, afbn.
  • CREEMERS G. & VAN DE SIJPE L. , De verdwenen burcht van Hamont. Een bijdrage tot de middeleeuwse geschiedenis van de stad Hamont, in Uitgaven van De Geschied- en Heemkundige Kring "De Goede stede Hamont", 2de r., 2, Hamont-Achel, 1995, p. 13-14.
  • DE DIJN C.G. , red., Het orgelbezit in de provincie Limburg, in Kunst en oudheden in Limburg, 16, St.-Truiden, 1976, p. 11.
  • DEGEEST M., Ontmoeting met Hamont-Achel, ons stadje vandaag, Hamont-Achel, 2001, p. 63, 123-124, 127, 190-191, afbn. op p. 123-124, 191.
  • DE JONG D. , Twee priesters in vriendschap verbonden: Trappistenprior Josephus-Maria van Moock te Achel (1811-1868) en Pastoor Wilhelmus Spierings te Sint-Huibrechts-Lille (1791-1875), St.-Huibrechts-Lille, 1978.
  • de SAUMERY P.L. , Les délices du païs de Liège, ou description géographique, topographique des monuments sacrés et profanes de cet évêché-principauté et de ses limites, 4, 1744, p. 195-196.
  • HERMANS E., Limburg. Iconografie. Prenten gedrukt voor 1900, Hasselt, 1983, p. 9, 10, afbn 2 (lijncliché door J. Malvaux naar P. Bamps), 5 (litho naar tekening van Remacle Le Loup).
  • KEET T.L., Achelse Kluis, Achel, 1979.
  • LEMAIRE R. e.a., Gids voor de kunst in België, (Prisma, 850), Utrecht-Antwerpen, 1963, p. 218.
  • SCHIPHORST L. - THOBEN P., De kunstwerkplaatsen van architect Cuypers en beeldhouwers in Roermond, Roermond, 1995, passim (i.v.m. atelier Cuypers en Stoltzenberg).
  • S.N., De Achelse Kluis 1846-1946. Ontstaan, groei, leven, Achel, 1946.
  • S.N., De Achelse Kluis. Architectuur Jos. Ritzen. Fotografie Martien Coppens, Achel, 1949.
  • S.N., Grevenbroeker Echo's, 6, 1994, p. 30, 31-32, 33; 10, 1995, p. 18-21, schets van R. Leloup op p. 25; 19, 1997, p. 2-7, afbeeldingen; 29, 1999, p. 3-66.
  • S.N., Monasticon belge, VI, 1976, p. 131-136.
  • S.N., Religieuze neogotiek in de Teutendorpen ,(tentoonstellingscatalogus), Neerpelt, 1989, p. 8, 19, 40-41, 199, afb. op p. 40.
  • VAN DE SIJPE L., 150 jaar Trappisten in Achel (1846-1996), in Uitgaven van De Geschied- en Heemkundige Kring "De Goede Stede Hamont", Hamont-Achel, 1996.
  • VAN DE SIJPE L., red., De Achelse Kluis, in DELBEKE G., Toeren tussen torens. "Naar en rond de abdij van Achel". Zondag 7 mei 2000, Brussel, 2000, p. 10-12, afbn.
  • VAN DE WEERD H., Kerken en kapellen in de Limburgsche Kempen, in Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundigen Studiekring te Hasselt, 2, 1926, p. 29.
  • VAN HEIJST A., Trappisten van de Achelse Kluis. Een bewogen geschiedenis, s.l.e.a. [na maart 1996].
  • VAN LEEUWEN W. , Nederlandse architecten in Noord-Limburg: vader en zoon Cuypers, werkdocument 5/003 van Studiedag neogotiek in Noord-Limburg, Lommel, 9 juni 1990.
  • VAN WELL E. , De Achelsche Kluis. Geschiedenis der Abdij van O.L.V. van La Trappe te Achel, Achel, 1885, ingeleid en uitg. door D. DE JONG, Achel, 1974.
  • VAN WINTERSHOVEN E., Recluseries et ermitages dans l'ancien diocèse de Liège. Notes pouvant servir à l'histoire religieuse de notre pays, in Bulletin de la Société Scientifique et Littéraire du Limbourg, 23, 1905, p. 150-151.
  • VERPOEST L., Architectuurgids neogotiek in België, Antwerpen-Baarn, 1989, p. 101, 103, afb.
  • VERPOEST L., Neogotiek in Limburg, werkdocument 5/001 van Studiedag neogotiek in Noord-Limburg, Lommel, 9 juni 1990, p. 5-6, 14.

Bron: Pauwels D. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Neerpelt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N2, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Pauwels, Dirk

Datum tekst: 2005

Relaties

maakt deel uit van Achel

Achel (Hamont-Achel)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.