erfgoedobject

Hoeve Ooievaarsnest

bouwkundig element
ID: 80760   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/80760

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als beschermd monument Hoeve Ooievaarsnest
    Deze bescherming is geldig sinds 04-08-2009

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Hoeve Ooievaarsnest
    Deze vaststelling is geldig sinds 01-02-2018

Beschrijving

Deze hoeve, genaamd Ooievaarsnest, is volgens een lokale mondelinge traditie het geboortehuis van schilder Pieter Bruegel de Oude. De kern van het complex gaat terug tot de 13de eeuw. In de 18de eeuw fungeerden de kelders als gevangenis voor Bokkenrijders.

Historiek

Volgens literatuurbronnen zou de hoeve, genaamd Ooievaarsnest, grondvesten hebben die teruggaan tot de 13de eeuw. Volgens een plaatselijke mondelinge traditie, die zeker teruggaat tot de 19de eeuw, zou de hoeve het geboortehuis zijn van schilder Pieter Bruegel de Oude (1525/1530-1569).

De boerderij is archivalisch rijk gedocumenteerd door teksten, tekeningen en cartografisch materiaal, waaronder documenten in het rijksarchief van Hasselt (Grote-Brogel, schepenbank) en in het Nordrhein Westfälisches Hauptstaatsarchiv in Düsseldorf (Depositum Nesselrode-Ehreshoven).

Het Ooievaarsnest was het meest uitgestrekte goed dat deel uitmaakte van de heerlijkheid Grote-Brogel en Erpekom. In 1657 besloeg het ongeveer 100 bunders, “consisterende in Landen, weijden, Bempden, soo die selve in natten ende droogen met alles appendentien ende dependentien van dijen”. Eigenaars zouden de heren van Grote-Brogel geweest zijn en dit vanaf 1658 tot aan de Franse Revolutie. In 1619 wordt het goed voor het eerst vermeld in geschreven bronnen. Het complex zou een tijdlang bewoond zijn geweest door leden van de familie Exelmans, bekend van het nabije Exelmanshof. Van 1759 tot 1792 was het bezit van de graven van Nesselrode.

Scout Hollanders maakte in 1765 een schets van de site met een schematische weergave van de hoeve, op de tekening genaamd “Oyevaersnest”. Ten oosten, richting Aabeek, waren er “terrer labourables” (akkers) en in de verdere omgeving, ten westen, noorden en zuiden, lag heideland en bos. Weide en hooiland langs de Aabeek waren eigendom van het Ooievaarsnest. Het goed liep dus tot aan de Aabeek.

In 1772 had een verkoop plaats van afbraakmateriaal van de schuur of één van de schuren van het complex. Na de Franse Revolutie werd de familie Wilsens uit Peer eigenaar. Door een huwelijk kwam het goed tegen het eind van de 19de eeuw in handen van de familie Vandermeulen uit Bree. De boerderij werd steeds verpacht.

Op de Ferrariskaart (1771-1777) wordt het complex “Cense Overnest” genoemd en is het gesloten aangeduid met ten westen een moestuin en in de verder omgeving akkers, heidegrond en weilanden. In de Atlas van de Buurtwegen (1845) is het geheel U-vormig, met open oostelijke kant, zoals ook op het hoger reeds aangehaalde primitief plan. De weg van peer naar Bocholt, de huidige Hoogstraat, is hier rechtgetrokken. Op beide kaarten loopt ten zuiden van het complex een veldweg van west naar oost, richting Aabeek.

In 1866 werd het complex door brand vernield, waarna op de oude fundamenten en kelder een nieuwe boerderij werd opgetrokken, waarvan de globale vorm behouden bleef, terwijl de afwerking en de gebruikte materialen eenvoudiger werden. De grote slaapkamer ten noordwesten in het woonhuis fungeerde ooit als café, getuige de dichtgemetselde westelijke buitendeur. Eertijds was de verdwenen oostelijke poort de hoofdtoegang. Deze sloot aan op een eveneens verdwenen beukendreef, uitlopend op een verdwenen slagmolen op de Aebeek, die nu in het Openluchtmuseum van Bokrijk staat. Deze oriëntatie naar het oosten wordt weergegeven op de kadastrale mutatieschets 51 van 1872, waar de toestand volgens het primitief plan van ongeveer 1845 wordt weergegeven, alsook de oostelijke vleugel met doorgang naar de velden, die in het derde kwart van de 19de eeuw moet zijn opgetrokken.

Op de kadastrale mutatieschets nummer 27 van 1878 is de westelijke vleugel, die in 1872 was opgetekend (schets nummer 51), verdwenen. In 1966 (kadastrale mutatieschets nummer 43) wordt een nieuw dienstgebouw ten noorden genoteerd. In 1984 (mutatieschets nummer 62) verschijnt tenslotte het nieuwe woonhuis aan straatzijde.

Volgens de overlevering zouden in de gewelfde kelder onder het parallelle dienstgebouw eertijds Bokkenrijders zijn opgesloten, leden van plaatselijke dievenbenden die de streek in de 18de eeuw onveilig maakten met afdreigingen, brandstichtingen en diefstallen.

Beschrijving

Het gaat om een achterin, aan het einde van een kiezelweg gelegen hoeve, Ooievaarsnest genaamd. Vooraan, ten zuidwesten van complex, bevindt zich een recente woonst. Achteraan het erf, ten oosten, staan twee oude linden. Hout- en boskanten omgeven het open agrarisch landschap rond de hoeve.

Ten tijde van de bescherming was de hoeve met klimop begroeid en overwoekerd. Er bevinden zich gewone ankers en krulankers op de gevels. De zijpuntgevels zijn voorzien van vlechtingen. Waarschijnlijk was de hoeve eertijds overal met een overhoekse muizentand afgelijnd. Het is een bakstenen geheel, grotendeels op een gecementeerde plint. Ten tijde van de bescherming was het complex U-vormig, eertijds was het gesloten. De zadeldaken zijn voorzien van mechanische en Vlaamse pannen en deels van golfplaten. Het complex stamt grotendeels uit de tweede helft van de 19de eeuw, zoals de jaarankers met het getal 1866 in de oostelijke zijpuntgevel van het parallel dienstgebouw getuigen. Toch gaat de kern van het complex mogelijk terug tot de 13de eeuw. Daarvan getuigen de gewelfde kelders onder het woonhuis en het parallelle dienstgebouw. Het houtwerk bleef deels bewaard.

Ten westen bevindt zich een muur met bouwnaden ter hoogte van beide parallelle vleugels van het complex, ten tijde van de bescherming deels met ingestorte korfboogvormige inrijpoort van een dubbele rollaag en een platte laag tussen versneden steunberen. Eertijds was het complex aan erfzijde aan weerszijden voorzien van een karrenschob.

Ten noorden van het deels gekasseid, deels van keien voorzien en met vlierstruiken begroeid erf, treft men een vleugel aan met ordonnantie: ossenstal-woonhuis met enkelopstand-koestal, later varkensstal-dorsvloer, met schelft erboven, later varkensstal, van heden zes, voeger zeven traveeën en één bouwlaag. De rechthoekige muuropeningen op hardstenen lekdrempels waren eertijds beluikt, waarvan de ogen getuigen. In de linkertravee is een gelijkaardige korfboogpoort aangebracht. De achtergevel van het woonhuis heeft licht getoogde, eertijds beluikte vensters op hardstenen lekdrempels en een getoogd keldergat, dat naar de opkamer verwijst. De aansluitende stallen hebben rechthoekige vensters in gecementeerde omlijstingen onder houten lateien in de oostelijke zijpuntgevel. Aan de westelijk zijpuntgevel werd een vogelkot aangebouwd. Voor het woonhuis bevindt zich een waterput onder een dikke steen. Het interieur telt onder het woongedeelte drie in baksteen gemetselde kelders met tongewelven.

Ten zuiden, aan de overzijde van het erf, treft men een deels van S-vormige ankers voorzien parallel dienstgebouw aan. Het heeft als ordonnantie: bakoven-assekot-dwarsschuur-potstal voor de schapen, later koestal-'oelicht' (stapelruimte, later koestal, met schelft erboven-dwarsschuur-'oelicht', later koestal-paardenstal. Dit deel heeft rechthoekige poorten en deels latere stalvensters onder betonnen lateien met ijzeren roedeverdeling. In de linkertravee is een kleine rondbogige muuropening aangebracht, de ovenmond van het bakhuis. Aan de westelijk zijpuntgevel werd een recente garage van betonplaten onder lessenaarsdak van golfplaten aangebouwd. De achtergevel wordt gekenmerkt door één liseen, rechthoekige stalvensters in gecementeerde omlijstingen en een gedichte centrale rechthoekige deur. Het interieur van dit parallel dienstgebouw omvat onder het meest centrale 'oelicht' een op het moment van de bescherming onbereikbare, grote gewelfde kelder, waar volgens de overlevering bokkenrijders werden gevangen gehouden. Daarvan kunnen de eertijds aanwezige grote ijzeren ringen en kettingen getuigen.

Ten noorden van het complex staat een recente, haakse, losstaande stal van betonblokken onder zadeldak van golfplaten, kadastraal opgetekend in 1966.

Eertijds was er ook een lagere oostelijke vleugel met varkensstal, waarin een latrine, een centrale doorgang naar de velden en een bakhuis, waarvan op het moment van de bescherming enkel nog sporen resten, voorzien waren. Dit element werd kadastraal opgetekend in 1872 en verdween na 1984.

  • Archief Onroerend Erfgoed (Limburg), DL002830, Hoogstraat 4, U-vormige hoeve 'Ooievaarsnest', beschermingsdossier (S.n., 2009).

Bron     : -
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum  : 2009


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Hoeve Ooievaarsnest [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/80760 (Geraadpleegd op 19-11-2019)