erfgoedobject

Mortiersmolen met molenaarswoning

bouwkundig element
ID
81041
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/81041

Juridische gevolgen

Beschrijving

De Houten Molen of Mortiersmolen is een staakmolen uit het einde van de 18de eeuw of het begin van de 19de eeuw. De molen van het uitzonderlijke driezoldertype is ingeplant op een molenberg. Rondom de teerlingen is de molenvoet gesloten. De verdekkerde wieken wijzen op de poging in het interbellum om windmolens efficiënter te maken in de concurrentiestrijd met mechanische maalderijen. De naam Mortiersmolen verwijst naar de familie Dumortier die van 1888 tot 1958 de molen bemaalde. De Houten Molen vormt - samen met de ongeveer 300 meter oostelijker gelegen Stenen Molen - nog de enige getuige van het tiental molens dat Zwevegem ooit telde. De straatnaam Twee Molenstraat verwijst naar dit gegeven. Beide molens zijn niet toevallig gelegen op een hoogte van 32 meter. Hierdoor bepalen ze het nog deels agrarische landschap vanuit het noorden (hoogte van 20 meter, kerk gelegen op 26 meter). In het interbellum wordt aan de straat de nieuwe molenaarswoning met voortuin en uitkijkplatform gebouwd. Links ervan geeft een oprit met geschilderde gietijzeren hekken tussen dito hekpijlers toegang tot het molenerf. Ten westen wordt dit erf afgesloten door een langgestrekte schuur- en stalvleugel. Achter de lage schuur loopt een weide op naar de molenberg. Het open karakter van deze omgeving is erg belangrijk voor de windvang van de maalvaardige molen.

Historiek

Sommige auteurs laten Mortiersmolen opklimmen tot de Ferrariskaart (1771-1778). Volgens deze redenering was de iets zuidelijker gelegen "Moulin Stam(p)kot" (Oude Bellegemstraat) dan de voorganger van de huidige molen. Cartografisch klopt dit echter niet. Bovendien was Mortiersmolen nooit een oliemolen. Ook geeft het Landboek van Zwevegem (1790) de molen nog niet weer. De oudste inscripties in de molen - "1617 Devos" (op welk element is onbekend) en "1789" op de steenlijst - zijn waarschijnlijk afkomstig van andere molens. In Mortiersmolen zouden onder meer stukken gebruikt zijn van de vanaf het einde van de 15de eeuw vermelde houten staakmolen "molen te Sweveghem" (afbraak in 1875). De inscriptie "1826 C V D Maele" op de steenbalk is echter met zekerheid in de huidige molen ontstaan. De familie Vandemaele was van begin 19de eeuw tot 1911 eigenaar. Dat in 1814 "een bende Fransche scherpschutters (…) langs de molen van Karel Vande Maele, nu Dumortier" optrok, is de eerste zekere vermelding van de molen (Bekaert, 1927).

De inscriptie "Omer Dumortier 1893" op de staak (meelzolder) is aangebracht door de dan elfjarige molenaarszoon. Molenaar Dumortier en burgemeester en industrieel Leo Leander Bekaert (eigenaar vanaf 1911) zullen samen heel wat herstellingen, wijzigingen en verbeteringen aan de molen doorvoeren. Omdat de molenkast door een constructiefout verder in de hoekstijlen zonk, werd ze na de Eerste Wereldoorlog aan de buitenzijde versterkt met horizontale ijzeren trekkers (in 1990 vervangen door binnentrekijzers). In de jaren 1920 mislukte de poging om de motor van de mechanische maalderij (ten zuiden van de molen) via door de molen opgewekte elektriciteit aan te drijven. Het grootste koppel molenstenen werd overgebracht uit een na 1918 gesloopte molen in Bellegem. In 1933 werden de kruisplaten hersteld door molenmaker Louis Cappon uit Kruiseke. Mogelijk werden op dat moment ook de teerlingen ombouwd met een bakstenen gesloten voet of teerlingkot. Een foto van rond 1935 toont reeds het door Dumortier toegevoegde witgeschilderde teerlingkot. Met het oog op een hogere meelproductie werd Mortiersmolen in 1935 - als één van de eerste molens in Vlaanderen - voorzien van gestroomlijnde ‘dekkerwieken’. De bestaande Van Vyncktroeden (fabrikant uit Knesselare) werden voorzien van het midden jaren 1920 in Nederland geïntroduceerde wiekverbeteringssysteem met gegalvaniseerde zinken of aluminiumplaten van A.J. Dekker. Eigenaar en molenaar lieten zich hierbij inspireren door de in 1933 ingehuldigde Ronsemolen van de Gistelse molinoloog Alfred Ronse. De energie-efficiëntere ‘dekkerwieken’ maakten zeilen overbodig, maar hielden ook risico’s in en de noodzaak van stormkabels, ook rond het vangwiel. Omdat verdekkerde wieken niet volledig in de wind mogen gezet worden om te draaien, staat de vangzijde (de rechterzijkant van de molenkast) vaak in wind en regen. Om een snelle degradatie te vermijden werd de beplanking van de vangzijde bij de Mortiersmolen in de loop der jaren vervangen door gegalvaniseerde platen. In 1948 vernietigde een afgebroken buitenroede een deel van de molenkap. Hierop werd de roede vervangen door een nieuwe roede van het Ruddervoordse atelier Verhaeghe. Toch werd de molen in 1958 of 1960 stilgelegd en de mechanische maalderij in 1962 gesloopt. Vanaf 1974 werd het verval geleidelijk aan gekeerd, onder meer op initiatief van vrijwillig molenaar Stefan Vroman. Na het wind- en waterdicht maken van de molen werd het kruiwerk hersteld en het draaiende werk weer bruikbaar gemaakt. Bij de maalvaardige restauratie in 1993-1994 door de Gistelse molenbouwers Peel werd de industrieel-archeologisch waardevolle verdekkering opnieuw aangebracht op de nieuwe gelaste roeden. Ook de met de verdekkering verbonden zinken platen van de vangzijde bleven bewaard. Daardoor is Mortiersmolen één van de laatste houten molens in Vlaanderen met volledig verdekkerde wieken. Verder kreeg de molen een nieuwe molenas, molenstaart en -trap en kruiwerk. Ook de beplanking van de staartzijde werd vervangen en de molenkap werd volledig vernieuwd met kunstleien. In opdracht van de in 1994 opgerichte vzw Mortiers Molen voerde molenbouwer Peel-Thomaes uit Gistel in 2000-2001 een vervolgrestauratie uit.

Beschrijving

Driezoldermolen

De met gras ingezaaide molenberg waarop de houten staakmolen is gebouwd, is vanaf het molenerf toegankelijk via een geschilderd gietijzeren hek met twee vleugels. Een gelijkaardig hek leidt van de molen naar de weide achter de schuur. De molenvoet rondom de vier bakstenen teerlingen is omsloten met een rond teerlingkot van witgeschilderde baksteen onder een dak van teerpapier. In dit ‘kot’, toegankelijk via twee rechthoekige poortjes, is de staak voorzien van geprofileerde versieringen.

Mortiersmolen is één van de weinige bewaarde driezoldermolens in West- en Oost-Vlaanderen. Dit type staakmolen ontstond door het ontdubbelen van de eerste (of onderste) zolder in een onderzolder met geringe hoogte (gebruikt voor opslag van zakken graan en meel) en daarboven de meelzolder. De staart is voorzien van hangbalken met witgeschilderde ingesneden kop en een  kruias met metalen tandwielen. Rondom de molen situeren zich de houten kruipalen. Aan de staart is de houten molentrap met witgeschilderde leuning vastgemaakt. Via een lager zijbalkon van de trap (rechts) is de onderzolder toegankelijk met een lage deur. Links van de molentrap heeft de onderzolder ook een luik. Bovenaan geeft de molentrap uit op de deur van de meelzolder. Boven deze deur steekt het luik voor de steenzolder. In het gevelveld daarboven is de luikap (zadeldakje bekleed met leien) van het buitenluiwerk geflankeerd door twee rechthoekige venstertjes. Aan de staartzijde is de gebroken molenkap bekroond met een houten makelaar en een windwijzer. De staartzijde en de steenrechtzijde (de linker zijwand) van de grijs geschilderde molenkast zijn voorzien van een verticale plankenbeschieting. De vangzijde (de rechter zijde) is beslagen met zinken platen. In beide zijwanden steken ronde kijkgaten, afgesloten met kijkgatluikjes. De windzijde en de gebroken kap zijn gedekt met kunstleien. Het verdekkerde  gevlucht is ongeveer 24 meter lang.

Inrichting van de molen. Op de meelzolder komen de meelgoten toe en staat de haverpletter. Een oude, houten binnentrap leidt van de meelzolder naar de steenzolder. Op de derde zolder of steenzolder liggen twee koppel maalstenen. Het vangwiel telt 56 kammen, het meegaande kamwiel 16. Het tweede aswiel (voorwiel) telt 44 kammen, het bijhorende kamwiel 14.

Molenerf met molenaarswoning en schuur- en stalvleugel

De voortuin (aan de straatzijde) met treures is net als de erfoprit afgeboord door een haag van onder meer liguster. Hier is rond 1935 de molenaarswoning van vier traveeën en twee bouwlagen op nagenoeg vierkante plattegrond gebouwd. Door de aansluitende nutsvleugel ontstaat een L-vomige gebouwenconfiguratie rondom het achterin gelegen molenerf.

Het ingenieuze en sierlijke karakter van de woning verraadt bouwheer Leo Leander Bekaert. Zo vormde het plat dak - omwille van de windvang wellicht bewust zo opgevat - met de nu verwijderde sierlijke balustrades met balusters en bolbekroning (gecementeerd) oorspronkelijk een uitkijkplatform. De bakstenen lijstgevels boven grijs geschilderde gecementeerde plinten zijn opengewerkt door asymmetrisch geplaatste rechthoekige muuropeningen. De straat- en de erfgevel zijn horizontaal belijnd door de doorgetrokken blauwhardstenen onderdorpels, de witgeschilderde, gecementeerde lateien en de geprofileerde gootlijsten. Aan de bovenzijde van de muuropeningen ‘schragen’ gecementeerde hoekstenen de lateien. Het laadvenster in de nagenoeg blinde linker zijgevel (langs de erfoprit, dichtgemetseld) wijst op het vroegere gebruik van de verdieping als laadruimte. Rechts daarvan is een heiligennisje gevat in een geschilderde gecementeerde omlijsting met kruisbekroning. Boven de aangebouwde lage travee onder lessenaarsdak is de blinde rechter zijgevel beslagen met ruitvormige platen.

Rechts daarvan sluit de noordelijke zijpuntgevel van de schuur- en stalvleugel aan. Dit langgestrekte, in kern 19de-eeuwse gebouw in verankerde rode baksteen is gevat onder een zadeldak met rode mechanische en Vlaamse pannen en geknikte dakoverstekken. Aan de erfzijde is de oostelijke langsgevel met poortje en nieuwe muuropeningen recent geschilderd. De niet geschilderde westelijke langsgevel is naar de weide gericht. Ondanks aangepaste muuropeningen - dichtgemetselde staldeuren en schuurpoort (inbreng van breed raam) - is het oorspronkelijke, vrij gesloten karakter van het lage nutsgebouw nog goed leesbaar. In het gevelveld van de zuidelijke zijpuntgevel steekt een getoogd venstertje onder druiplijst.

  • Afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg West-Vlaanderen, Cel Monumenten en Landschappen, archief W/00717.
  • BATAILLE J., DEMEULENAERE H., VROMAN S. & DELOOF J. 1994: Onze molens nu en toen. Heestert, Moen, Otegem, Sint-Denijs en Zwevegem, Kortrijk, 13-22, 101-103.
  • BEKAERT L. 1927: Geschiedenis van de gemeente Sweveghem, Kortrijk.
  • CORNILLY J. 2001: Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel 1. Arrondissementen Ieper, Kortrijk, Roeselare, Tielt, Brugge, 242.
  • DENEWET L. 1999: Vijf goedgekeurde West-Vlaamse molenprojecten in 1999, Mededelingenblad Werkgroep West-Vlaamse Molens 15, 68-75.
  • DENEWET L. 1999: Achttien “grote” Vlaamse molenrestauraties in 1999. Zwevegem, Mortiersmolen, Molenecho’s XXVII.4, 85.
  • DEVLIEGHER L. 1984: De molens in West-Vlaanderen, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 9, Tielt-Weesp, 430-431.
  • DEVYT C. 1966:, West-Vlaamse windmolens. Inventaris volgens de toestand op 1 januari 1965, Brugge, 122.
  • MOLENZORG VZW 2001: "De Mortiersmolen van Zwevegem op nieuwe voet", Molenecho's XXIX.2, 63-65.
  • OVAERE A. s.d.: Sprokkelingen uit Zwevegem's verleden, deel III, Kortrijk, 125-127.
  • S.N. 1977: Oud Sweveghem, Zwevegem, afbeelding 20.
  • S.N. 1989: Wieken wenken in Vlaanderen. Mortiers molen sieraad in Zwevegems landschap, Het Volk (31 augustus).
  • VROMAN S. 1995: Mortiers molen te Zwevegem is weer maalvaardig, Molenecho's XXIII.1, 15-19.

Auteurs :  De Gunsch, Ann, De Leeuw, Sofie, Vanneste, Pol
Datum  : 2020


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Mortiersmolen met molenaarswoning [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/81041 (Geraadpleegd op 15-04-2021)