erfgoedobject

Hoeve Lindenhof met park

bouwkundig element
ID
837
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/837

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Hoeve Lindenhof
    Deze vaststelling is geldig sinds

Beschrijving

Overblijvende, later aangepaste woonvleugel van een tot de 17de eeuw opklimmende gesloten hoeve, bij de gesloopte dorpskerk. Eenvoudig park met enkele fraaie bomen en een mooi reliëf, aangelegd kort voor de Eerste Wereldoorlog.

Voorheen een belangrijke, gesloten hoeve, als dusdanig aangeduid op de Ferrariskaart (1771-1777), en de Atlas van de Buurtwegen (1844). Vanaf de 17de eeuw in het bezit van de familie Gheysens of Ghysens, waarvan een lid op een grafkruis in het oude kerkhof in 1682 vermeld wordt als "capiteyn van Schalckhoven"; midden 19de eeuw gaat het goed door huwelijk over naar de familie Réard.

Samen met de in 1949 gesloopte kerk en het er tegenover gelegen kasteel van Schalkhoven, vormde het Lindenhof voorheen de kern van het dorp. Toen er in 1927 enkele kilometers verderop een nieuwe kerk werd gebouwd, bleef het oude ommuurde kerkhof in gebruik. Binnen de site bleven tot de Tweede Wereldoorlog resten van de oude kerk bewaard. De plaats staat op het kadaster nog steeds aangeduid als "Kerkveld".

Op het Primitief kadasterplan ligt naast de oude kerk een grote boerderij met vier vleugels rond een binnenkoer, waarvan het woonhuis (perceel nr. 344) in de oostelijke vleugel, grensde aan het kerkhof. Er hoorde een kleine poel bij (nr. 243), een tuintje (nr. 245) naast de woonvleugel en een grotere moestuin langs de straat (nr. 340), parallel met een ook omhaagd perceel boomkwekerij (nr. 341) en haaks daarop een perceel lusttuin (nr. 342). De overige percelen van het eigendom waren boomgaarden (nr. 348, 338 en 339) of bouwland (nr. 349, 350 en 369). De eigenaar is dan Gillis Ghysens, de plaatselijke burgemeester. Op de Ferrariskaart (1771-1778) en de opeenvolgende militaire kaarten komt het Lindehof dan ook voor als een gesloten geheel zonder park.

Het goed werd eerst geërfd door Jean Felix Ghysens (1812-1871) en via het huwelijk van één van zijn dochters met Jean Baptiste Réard (1864-1950) kwam het in handen van deze familie van Luikse en Tongerse magistraten en juristen die het tot vandaag toe bezit. De bestemming verschoof daardoor van boerderij naar maison de campagne, zodat de dienstgebouwen stap voor stap gesloopt werden tot in 1893 enkel de woonvleugel overbleef. De poel was reeds bij de eerste wijziging gedempt. In 1904 werd het huis uitgebreid met de uitspringende wintertuin, gevolgd door de aanleg van het parkje nog geen tien jaar later en de bouw van het losstaand dienstgebouw, dat in 1916 door het kadaster werd geregistreerd. De treurzilverlinde (Tilia petiolaris) die toen werd geplant, gaf ook zijn naam aan het goed.

Het witgeschilderde bakstenen woonhuis van twee bouwlagen onder mansardedak (leien) en houten dakkapellen heeft, voornamelijk in de aansluitende lagere dienstvleugel, een kern die nog tot de 17de eeuw opklimt (naar verluidt 1669), maar werd in de loop van de 18de eeuw aangepast. De hoeve kreeg zijn definitief uitzicht na de verbouwingen van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw toen de dienstgebouwen verdwenen en het huidige koetshuis evenals de bovenverdieping van het woonhuis werden gebouwd.

Het woonhuis telt zeven ongelijke traveeën plus vier in de dienstvleugel en is slechts één kamer diep. De benedenvensters dateren uit het derde kwart van de 18de eeuw: getoogd in een vlakke kalkstenen omlijsting met sluitsteen in classicistische stijl. In deze bouwlaag bleef ook het ontlastingssysteem bewaard van een 17de-eeuws kruiskozijn: twee rollagen en een platte laag boven een dubbel ontlastingsboogje van een rollaag. De 20ste-eeuwse vensters der bovenverdieping zijn getoogd, met hardstenen afwerking. In een latere periode werd de middentravee met puntgevelvormige verhoging op de benedenverdieping van een sterk uitspringende beglaasde erker onder een plat dak voorzien. Gesmede 17de-eeuwse ijzeren muurankers, S-vormig en met krullen werden hergebruikt in de bovenverdieping. De gevels zijn bebloemd of met rozen begroeid.

De haaks ingeplante garage determineert samen met het huis, het nu in grijze steenslag gelegd voorerf. Het minstens 2 meter hoge prieel dat en gevormd door vijf gesnoeide taxussen op rij met een stamomtrek van 148 cm, schermt de oude dienstvleugel af en is de blikvanger op het erf. Het in 1830 gesignaleerd siertuintje naast het huis is nog steeds een bloementuintje, merkwaardig ook door het klokje dat er als huisbel opgesteld staat. Ten noorden bevindt zich een koetshuis in dezelfde stijl als de bovenverdieping van het woonhuis, voorzien van twee getoogde poorten waarboven twee dakvensters in puntvormige gevelverhogingen.

De toegang tot het Lindenhof gebeurt via een smeedijzeren, door twee arduinen schampstenen beschermd poorthek met vierkant stijl- en regelwerk, gepunte onderspijltjes en spijlen met lanspunt en krulwerk ter versteviging, daterend uit het begin van de 20ste eeuw. Het poorthek onderbreekt het meterslange vaste smeedijzeren straathek op een lage muur, dat de zuidelijke begrenzing vormt. Ten westen loopt er een haag van haagbeuk en ten noorden ligt de voormalige moestuin met haar eigen poorthekje.

Aanvankelijk lag er tussen het voorerf en het gazon een tennisveld, dat nu ook in gras is omgezet. Het is echter nog af te lezen in het reliëf, dat langzaam overgaat in het ruime, door een bomengordel omgeven grasveld, de kern van het parkje. Een U-vormig parkpad volgt de grenzen van het goed en loopt, begeleid door hier en daar onderbroken oude haagjes van taxus, tussen de bomenrand en het grasveld. De bomen zorgen voor een variatie aan kleuren en vormen, de rand bezorgt het parkje een besloten karakter en het licht reliëf geeft afwisseling. Op het grasveld staan enkele grote snoeivormen, onder meer van hulst, mooie struiken, onder meer een kring van sneeuwbes, kegels van buxussen, een oude rozenboog, de sokkels van een bank, en ook een smeedijzeren gestel van een cirkelvormig prieel dat voorheen met rozen was begroeid. Het zijn relicten van de typische stoffering van het parkje sedert het begin van de 20ste eeuw.

BOMEN

Voorkomende soorten: den (Pinus), hulst (Ilex aquilolium), esdoorn (Acer pseudoplatanus), lijsterbes (Sorbus aucuparia), valse Christusdoorn (Gleditsia triacantos ‘sunburst’), hazelaar (Corylus avellana), gewone beuk (Fagus sylvatica), dwergkwee (Chaenomeles speciosa)en kweepeer (Cydonia oblonga). Opgemeten exemplaren: hangende zilverlinde (Tilia tomentosa)(328 cm) met takken tot op de grond; bruine beuk (Fagus sylvatica ‘Atropunicea')(362 en 418 cm), witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum)(227 cm); een ongeveer 80 jaar oude solitaire zomereik (Quercus robur)(267 cm); solitaire treures (Fraxinus excelsior ‘pendula’)(127 cm) uit de aanlegperiode, geknot en omringd door buxusstruiken; een rij oude taxussen als prieel gesnoeid (Taxus baccata)(148cm).

  • Kadasterarchief Limburg, Primitief kadaster Hoeselt, afdeling V (Schalkhoven), sectie A, 1830.
  • Kadasterarchief Limburg, Mutatieschetsen Hoeselt, afdeling V (Schalkhoven), 1850/4, 1867/2, 1893/7, 1904/1, 1916/3 en 1949/3
  • SCHLUSMANS F. 1996: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kantons Bilzen - Maasmechelen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14N3, Brussel – Turnhout, 213-214.
  • Mondelinge informatie verkregen van mevrouw Réard (2008).

Bron     : DE MAEGD C. EN VAN DEN BROECK M. 2008: Inventaris van historische tuinen en parken in Hoeselt, onuitgegeven tekst, Agentschap Onroerend Erfgoed.
Auteurs :  De Maegd, Christiane, Michiels, Marijke, Van den Broeck, Myriam
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Hoeve Lindenhof met park [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/837 (Geraadpleegd op )